Jan versus Jan (1)

Tekst Jan Tishauser en Jan Bransen
Gepubliceerd op 10-10-2019
De komende maanden zullen Jan Tishauser en Jan Bransen op deze plek brieven met elkaar uitwisselen. De eerste is programmadirecteur van de Nederlandse ResearchED-conferenties en van onderwijsadviesdienst B&T; zijn naamgenoot Jan Bransen is hoogleraar filosofie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en auteur van de blog Pleidooivooranderonderwijs.nl. Aanleiding voor de briefwisseling is de recensie die Tishauser schreef in maart 2019 over Bransens boek Gevormd of vervormd? Samen zullen onze Jannen zich de komende tijd buigen over de cognitivistische onderwijspsychologie, de zin en de toekomst van het Nederlandse onderwijs.

Hallo Jan,

In deze eerste brief wil ik je laten kennismaken met mijn gedachten over het waarom van onderwijs. Ik moet zeggen dat ik dit een lastig onderwerp vind. In mijn beleving is de vraag bijna te vergelijken met vragen zoals ‘Waarom is er regen?’ of  ‘Waarom schijnt de zon?

Elkaar iets leren is in mijn ogen biologisch bepaald gedrag. Onderzoek van Strauss en anderen laat zien dat kleuters al op drie-jarige leeftijd een aantal instructievaardigheden toepassen. Het lijkt dus om primaire kennis te gaan, die per definitie evolutionair is bepaald. Elkaar iets leren is een voorwaarde voor ons voortbestaan als soort. Uit deze stelling kun je afleiden, dat ik een nogal ruime definitie van onderwijs hanteer: elke situatie waarin de een de ander iets leert. De mens is niet de enige diersoort die zich daarmee bezighoudt, maar wel de enige die een groot deel van het onderwijs systematisch organiseert en uitbesteedt aan professionals. Wereldwijd is een dertigjarige man gemiddeld tien jaar naar school geweest en een vrouw van die leeftijd negen jaar.

Uit het laatste mag blijken, dat we als soort accepteren dat het zinvol is om scholen in te richten en onze nakomelingen gedurende een groot aantal jaren daarheen te sturen. Laurence Steinberg markeert het 25ste levensjaar als het einde van de adolescentie (Laurence Steinberg: Age of Opportunity). Hij baseert dit op twee argumenten: om te beginnen zijn jonge mensen in de westerse wereld pas rond hun 25ste onafhankelijk van hun ouders; daarnaast weten we uit modern neurowetenschappelijk onderzoek dat het brein pas rond het 25ste levensjaar tot volledige wasdom komt. De kinderen van onze naaste verwanten, de chimpansees, gaan rond hun twaalfde levensjaar een onafhankelijk leven leiden, wij hebben deze afhankelijke periode verdubbeld.

Deze verdubbeling is direct gerelateerd aan twee recente menselijke verworvenheden: de landbouw en het schrift. De landbouw leidde tot specialisatie en vrijstelling van de verplichting om mee te werken aan de dagelijkse voedselvoorziening; het schrift stelde ons in staat om kennis door middel van het geschreven woord vast te leggen en over te dragen. Dit laatste brengt een cumulatie van kennis met zich mee die op zijn beurt weer leidt tot de noodzaak om die kennis te ordenen en gestructureerd over te dragen. Kennis is in dit verband een geheel van in het lange termijngeheugen opgeslagen betekenissen en begrippen die geordend zijn in schema’s. Zij stellen ons in staat om de wereld om ons heen te begrijpen en adequaat te handelen.
 

Socialisatie en subjectificatie zijn natuurlijke processen
die door het onderwijs ondersteund kunnen worden
maar het geen bestaansrecht verlenen
 

Ik denk niet dat ik je hiermee veel nieuws vertel, maar ik maak hiermee wel duidelijk waar het onderwijs naar mijn mening toe dient. Onderwijs ontleent zijn bestaansrecht aan de noodzaak om kennis over te dragen. Anders gezegd: het onderwijs dient te kwalificeren. Socialisatie en subjectificatie zijn natuurlijke processen die door het onderwijs ondersteund kunnen worden (in ieder geval niet belemmerd mogen worden), maar die geen bestaansrecht verlenen aan het onderwijs.

Voor de inrichting van ons onderwijs betekent dit dat er maar twee relevante vragen zijn waarop het antwoord gevonden moet worden:

  •     welke kennis is relevant voor succes in onze samenleving?

  •     hoe kunnen we die kennis het best overdragen?


Jan,

ik ben benieuwd naar jouw antwoord op deze vraag: wat is de zin van ons onderwijs?

Ik zie het met belangstelling tegemoet.

Met vriendelijke groet,

Jan Tishauser

 

Bronnen:

Haidle, M. N., Bolus, M., Collard, M., Conard, N., Garafoli, D., Lombard, M. & Whiten, A. (2015) The nature of culture: an eight-grade model for the evolution and expansion of cultural capacities in hominins and other animals, Journal of Anthropological Sciences, 93, pp. 43-70.

Strauss, S., Ziv, M. & Stein, A. (2002) Teaching as a natural cognition and its relations to preschoolers’ developing theory of mind, Cognitive Development, 17(3), 1473-1487.

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Beste Jan,

Dank voor je prachtige brief die mooi laat zien waar de gaten in je redenering zitten. Ik wil er een paar punten uithalen. Ten slotte zal ik dan een paar andere vragen voorstellen waarop we volgens mij eerst antwoord nodig hebben als we willen nadenken over de inrichting van ons onderwijs. Maar eerst dit. Waarom-vragen stellen we soms omdat we ergens een verklaring voor willen vinden, maar soms ook omdat we ergens een rechtvaardiging voor willen geven. Het nieuwe Onderwijsvragenboek van Operation Education (Claire Boonstra, Claudette de Graaf Bierbrauwer en Nanda Carstens) draait om het verschil tussen deze twee functies. Jouw verwijzing naar de biologie haalt deze twee functies niet helder genoeg uit elkaar, maar ik denk dat je de biologie in jouw gedachtegang vooral als rechtvaardiging wilt gebruiken. Dat lijkt me correct, want als het je om een verklaring zou gaan zou je beter  meer voor de hand liggende historische feiten kunnen aanhalen. We hebben het onderwijs dat we hebben namelijk vooral omdat we nu eenmaal gewend zijn aan het onderwijs dat we hebben.

Als rechtvaardiging vind ik de verwijzing naar de biologie buitengewoon interessant. Ik doe dat in Gevormd of vervormd? (jouw recensie en mijn repliek ook). Maar om biologische feiten in een rechtvaardiging te kunnen gebruiken, moet je goed nadenken over hoe die feiten geïnterpreteerd moeten worden. En daar sla ik een heel andere weg in dan de snelweg waarop jij je denkt te bevinden. Want inderdaad, ik begin ook bij die extreem lange tijd dat de jongere en de oudere generatie van onze diersoort in elkaars onmiddellijke nabijheid leven. Maar waar jij – net als vrijwel iedereen sinds de Verlichting – dit feit uitlegt in termen van de afhankelijkheid van de jongeren vanwege hun grote cognitieve achterstand, leg ik dituit in termen van ons grote vermogen elkaar lief te hebben.

We móeten wel ontzettend veel van elkaar houden om het zo lang met elkaar uit te houden. En fascinerend genoeg toont die liefde zich op twee heel verschillende manieren. De ouderen tonen hun liefde in de vorm van hun enorme toewijding en opofferingsgezindheid. Kijk maar naar de natuurlijke houding van de gemiddelde leraar en je begrijpt wat ik bedoel. De jongeren tonen hun liefde echter heel anders: in de vorm van een enorm vertrouwen en een onvoorstelbare loyaliteit. Ze geven zich totaal over. Natuurlijk, zou je kunnen zeggen, ze moeten wel. Want zonder hun ouders zijn ze reddeloos verloren. Maar dat is flauw, want zonder jongeren zou de mens natuurlijk allang uitgestorven zijn. En als je vooral op hun cognitieve achterstand let, mis je ook de kans om iets prachtigs en krachtigs van die jongeren te leren. Dat vertrouwen en die loyaliteit! Echt, daar zouden volwassenen wel wat meer van mogen hebben.

 

Stuur de school naar buiten ofwel haal de wereld
het schoolgebouw in. Leer overal. Word een lerende
samenleving. Houd het initiële onderwijs kort


Wat heeft dat met de inrichting van ons onderwijs te maken? Veel, stel ik. Want in schoolgebouwen tref je de mooiste voorbeelden aan van het menselijk vermogen liefdevol samen te leven. Moet er dan niet iets geleerd worden, in die scholen? Natuurlijk. Mensen leren altijd, overal, hun leven lang, ook nadat hun brein tot wasdom is gekomen (wat dat ook mag betekenen). Maar moeten we die jongeren dan niet voorbereiden op een leven buiten de school? Dat is nog maar de vraag, wat mij betreft, en ik hoop dat je mijn volgende opmerking niet wegzet als een flauwe retorische truc.

Kijk eens in een school en je ziet dat die ook vol ouderen zit. Hebben we die ouderen dan niet voorbereid op een leven buiten de school? Weliswaar doet de politiek er al jaren van alles aan om leraren de school uit te jagen, maar dat willen ze helemaal niet. Leraren willen op school blijven. Ze houden van dat leven daar. En kijk eens buiten de school: daar stikt het ook van de jongeren. Jongeren hébben allang een leven buiten de school. Daar hoeven we ze helemaal niet op voor te bereiden.

Waarschijnlijk vind je dit een wat malle kijk op de zin van ons onderwijs, maar voor mij draait het echt hierom. In schoolgebouwen lukt het ons – nog steeds, ondanks de nare focus op kennisverwerving en meetbaar rendement – om als jongeren en ouderen vreedzaam en leerzaam samen te leven. Schoolgebouwen zijn een prachtig voorbeeld voor de samenleving. Als wij met zijn allen ons hele leven op school zouden mogen blijven, zouden wij een gelukkigere samenleving zijn. En als we ons dit eenmaal realiseren, kunnen we wellicht een ‘flip the school’-omkering toepassen. Stuur de school naar buiten ofwel haal de wereld het schoolgebouw in. Leer overal. Word een lerende samenleving. Houd het initiële onderwijs kort.

Jan, mijn brief is langer geworden dan ik wilde en ik ben verder weggedreven dan ik voor ogen had. Je zult wellicht begrijpen waarom ik de vragen die jij als de enig relevante vragen naar voren schuift, eigenlijk behoorlijk onbelangrijk vind. Om ze serieus te kunnen nemen, hebben we volgens mij eerst antwoorden nodig op de volgende vragen:

  • Geeft jouw biologische uitgangspunt je voldoende grond om een fundamenteel verschil te maken tussen enerzijds kwalificatie als een cultureel, niet-natuurlijk proces, en anderzijds socialisatie en subjectificatie als natuurlijke processen?

  • Is het onderscheid tussen kwalificatie, socialisatie en subjectificatie eigenlijk wel een bruikbaar onderscheid om over de inrichting van ons onderwijs na te denken?

En ik heb nog een derde vraag die op termijn onze aandacht verdient. Je schrijft over twee recente verworvenheden: de landbouw en het schrift. ‘Recent’ vond ik daarbij een nogal grappig woord. Bij ‘recent’ denk ik eerder aan de verworvenheid van het digitale internet. Dat leidt tot deze vraag:

  • Zou deze derde menselijke verworvenheid, het digitale internet, eenzelfde effect op ons onderwijs kunnen hebben als jij meent dat landbouw en schrift hebben gehad?


Ik ben echt heel benieuwd hoe je op deze brief reageert en hoop dat we elkaar nog lang zullen schrijven. Er is zoveel te bespreken!


Hartelijke groeten -- Jan Bransen

 

 

Verder lezen

1 Vervormde werkelijkheid
2 Jan versus Jan (2)

Een ogenblik geduld...
Click here to revoke the Cookie consent