Jan versus Jan (14)

Tekst Jan Tishauser en Jan Bransen
Gepubliceerd op 03-03-2021
Jan Bransen en Jan Tishauser - Elke maand wisselen Jan Bransen en Jan Tishauser op deze plek brieven met elkaar uit. Bransen is hoogleraar filosofie aan de Radboud Universiteit, zijn naamgenoot Tishauser de programmadirecteur van de Nederlandse ResearchEDconferenties en van onderwijsadviesdienst B&T. Zij schrijven over actuele onderwijsthema's. Vandaag: goede raad voor na de verkiezingen. En het nieuws: ze zijn het eens (over de nadelen van vroege selectie)!  



Beste Jan,

We leven in een tijd die ons nog lang zal heugen. In onderwijsland worden we nu helemaal in beslag genomen door de waan van de dag. De vragen die ons bezighouden, zijn hoe het moet met de opgelopen achterstanden, de eindexamens, de eindtoets enzovoort. Inmiddels is er ook een onderwijs OMT gevormd met daarin verstandige mensen met verstand van onderwijs. Eerlijk gezegd denk ik dat we er met z’n allen wel uitkomen.

Ik wil in deze brief wat verder kijken. Op 17 maart kiezen we een nieuwe Tweede Kamer. Naar mijn mening kunnen onze volksvertegenwoordigers niet meer weglopen voor hun verantwoordelijkheid. Zowel nationaal als internationaal is er kritiek op het Nederlandse systeem waarin we kinderen op hun twaalfde van een etiket voorzien en hen vastzetten in een ‘passende’ onderwijsvorm.

Als kind vond ik het al heel raar. Ik leerde jarenlang samen met mijn klasgenoten en opeens werden we uit elkaar getrokken en gingen we ieder ons weegs. Ik begreep niet waarom en eerlijk gezegd begrijp ik het nog steeds niet. In de afgelopen veertig jaar heb ik een aantal ontwikkelingen met lede ogen aangezien. De oude gedachte bij de invoering van de mammoetwet, dat het op- en afstromen van kinderen makkelijker moest worden, is steeds meer verloren gegaan. De middenschool sneuvelde doordat een stelselwijziging gepaard ging met allerlei ‘onderwijsvernieuwingen’. De vergeelde, achterhaalde ideeën van Rousseau en Dewey werden van stal gehaald en de middenschool verzandde in chaos.

Daarna werden kinderen in het vmbo nog verder in partjes gedeeld met maar liefst drie verschillende niveaus, nota bene onder het bewind van een sociaal-democrate. En omdat er ook in het onderwijs een soort markt is ontstaan waarin scholen strijden om de leerlingen, hebben onderwijsbestuurders in de grote steden brede scholengemeenschappen uit elkaar getrokken en categorale scholen ingericht, omdat ouders dat zouden willen.

Wat we nu nodig hebben, is een onderwijsminister die visie met daadkracht combineert en nog tijdens de volgende kabinetsperiode een stelselwijziging doorvoert die ertoe leidt dat de idealen die leidden tot de mammoetwet weer nieuw leven worden ingeblazen. Kinderen horen niet op hun twaalfde een stempeltje opgeplakt te krijgen en vastgezet te worden in een bepaalde stroom.

Ik denk dat kinderen tot hun zestiende prima bij elkaar kunnen blijven in een brede middelbare school waarin duidelijke kennisdoelen worden geformuleerd voor alle kinderen. Onderwijs begint niet bij het kind en ook niet bij de leraar. Onderwijs begint bij het curriculum. We hebben scholen ingericht om kinderen datgene te leren wat niet vanzelf gaat. We moeten daarom beginnen met het opstellen van een curriculum voor alle kinderen waarin helder staat omschreven wat zij voor elk vak moeten kennen en kunnen. Daarnaast zie ik graag een school die kinderen bovenop het vaste curriculum voor iedereen keuzes kan bieden.

Het klinkt misschien eenvoudig, maar volgens mij hoeft het ook niet zo ingewikkeld te zijn: laten we alle kinderen tot hun zestiende een gedegen curriculum aanbieden waarmee zij zich daarna verder kunnen ontplooien in een middelbare beroepsopleiding of in voorbereidend hoger onderwijs.

Zo zou ik het onderwijs willen inrichten. En jij?

Groet, Jan Tishauser

----- 

 

Beste Jan,

Dank voor je brief. Als ik even afzie van die paar steekjes die je me onder water geeft, kan ik met blijdschap constateren dat ik het voor het eerst eigenlijk helemaal eens ben met de centrale stelling van jouw brief. Ja, ook ik ben van mening dat onze volksvertegenwoordigers niet meer voor hun verantwoordelijkheid weg kunnen lopen en unaniem zullen moeten pleiten voor een onderwijsminister die met visie en daadkracht tijdens de volgende kabinetsperiode een stelselwijziging doorvoert. Ook ik zou graag een brede middelbare school zien waarin kinderen en jongeren tot hun zestiende bij elkaar kunnen blijven. Ook voor mij hoeft dat helemaal niet ingewikkeld te zijn. Ik ga zelfs nog iets verder met je meebuigen dan ik op eigen houtje zou doen en stem in met jouw constatering dat we scholen hebben ingericht om kinderen datgene te leren wat niet vanzelf gaat. Voor mij betekent dat dan overigens niet vanzelfsprekend dat we moeten beginnen met het opstellen van een curriculum. Het betekent daarentegen wel – en gelukkig ben jij ook dat met mij eens – dat scholen kinderen keuzes zullen moeten bieden naast of bovenop wat jij het vaste curriculum noemt.

Voor de toekomst van ons onderwijs is onze eensgezindheid behoorlijk hoopvol. Veertien brieven geleden stonden wij lijnrecht tegenover elkaar. Nu kunnen we elkaar de hand geven. Wat een vooruitgang! Natuurlijk is dit slechts N=2, maar toch… Als wij dit kunnen, dan moeten anderen zeker kunnen volgen.

Overigens zijn er ongetwijfeld punten waarop wij wel degelijk van mening verschillen. Ik noem er drie. Hopelijk kunnen we ook op die punten nog naar elkaar toe groeien.

Ten eerste verwacht ik verschillen als we dieper doordenken over jouw fundamentele voorwaarde voor het bestaan van scholen: namelijk om kinderen datgene te leren wat niet vanzelf gaat. Ik denk dat we daarover niet zinvol op populatieniveau kunnen spreken, maar dat er differentiatie nodig is op basis van individuele verschillen. De variatie zal groot zijn, zowel wat onderwerp betreft (voor wiskunde heb ik veel meer uitleg nodig dan voor aardrijkskunde), wat leeftijd betreft (mijn dochter heeft zichzelf fietsen geleerd toen ze net drie jaar oud was) als wat duur betreft (als je mij lang genoeg laat prutsen, bouw ik zelf een website). Niemand is op iedere leeftijd in ieder domein autodidact, maar jouw voorwaarde staat toe dat we docenten aanmoedigen om hun leerlingen vooral ook ruimte te geven om zelf te ontdekken wat niet vanzelf gaat.

Dat sluit aan op een tweede punt waarover we wellicht van mening verschillen. Voor mij omvat onderwijs meer dan schools leren. Onderwijs is, om het zo te zeggen, voor een groot deel ook buitenschoolse opvang. Over die ‘opvang’ in brede kindcentra – zoals we wat mij betreft onze schoolgebouwen beter zouden kunnen noemen – zou ik graag dieper doordenken. Omdat dit al het leren en ontwikkelen betreft dat op de een of andere manier wél vanzelf gaat – waarvoor althans geen schoolse setting nodig is – zou ik liever een ander woord gebruiken dan ‘opvang’. Opvang doet mij te veel aan de ouderwetse papadag denken. Of aan de oppas. Liever zie ik juist in deze domeinen docenten met een sterke pedagogische inslag leerlingen stevig uitdagen om zich in onvermoede richtingen te ontwikkelen. Zonder curriculum, zonder monitoring, zonder leerdoelen, zonder oordelende toetsing. Niet op een benauwende, stressvolle ambitieuze manier, maar vol enthousiasme, als op een lentedag waarop iedereen de ruimte voelt om een sprong voorwaarts te maken. Van deze ruimte – die er in het onderwijs voor mij echt bij hoort – word ik blij. Of dat voor jou ook geldt, weet ik niet. Ik hoop het.

Een derde punt van verschil. Wat doen we met het curriculum? Kinderen moeten leren lezen, rekenen en schrijven. Akkoord. Daar zijn heldere doorlopende leerlijnen voor op te stellen waarbij ik zelfs het nut inzie van formatief handelen, dat wat mij betreft het uit de klauw gelopen summatieve toetsen snel mag vervangen. Kinderen hebben daarnaast ook een stevige wereldoriëntatie nodig. Natuurlijk. Oriëntatie vind ik daarbij belangrijk. Kinderen hebben perspectief nodig, ook een lonkend perspectief. Op de wereld, hun wereld, jouw wereld, mijn wereld. Onze wereld. Dat is een spannende uitdaging. Daar besteed ik graag een volgende brief aan. Want ik zie nog niet hoe we die wereldoriëntatie aan de hand van doorlopende leerlijnen zouden kunnen organiseren. Ik geloof niet dat we in dit domein duidelijke kennisdoelen kunnen formuleren, laat staan dat we de wereldoriëntatie van onze jongeren goed zullen kunnen toetsen. Op dit punt is er wellicht een verschil van mening tussen ons, omdat ik het vermoeden heb dat jij wel weet – of denkt te weten – hoe we die wereldoriëntatie in een curriculum kunnen vangen.

Maar verder… ja, laten we alsjeblieft een volksvertegenwoordiging kiezen die met visie en daadkracht een stelselwijziging onontkoombaar maakt. Want ons huidige stelsel – ik schreef het twee jaar geleden al – is failliet.

Groeten – Jan Bransen

 

Meer Didactief-artikelen lezen? Neem een abonnement en ontvang 10 nummers per jaar en online toegang tot alle artikelen vanaf 2003. 

Verder lezen

1 Jan versus Jan (1)
2 Jan versus Jan (2)
3 Jan versus Jan (3)
4 Jan versus Jan (4)
5 Jan versus Jan (5)
6 Jan versus Jan (6)
7 Jan versus Jan (7)
8 Jan versus Jan (8)
9 Jan versus Jan (9)
10 Jan versus Jan (10)
11 Jan versus Jan (11)
12 Jan versus Jan (12)
13 Jan versus Jan (13)
14 Jan versus Jan (15)
15 Jan versus Jan (16)
16 Jan versus Jan (17)
17 Jan versus Jan (18)

Een ogenblik geduld...
Click here to revoke the Cookie consent