Jan versus Jan (2)

Tekst Jan Bransen en Jan Tishauser
Gepubliceerd op 15-11-2019
Afgelopen maand wisselden Jan Tishauser en Jan Bransen op deze plek voor het eerst brieven met elkaar uit. De eerste is programmadirecteur van de Nederlandse ResearchED-conferenties en van onderwijsadviesdienst B&T; zijn naamgenoot Jan Bransen is hoogleraar filosofie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en auteur van de blog Pleidooivooranderonderwijs.nl. Aanleiding voor de briefwisseling is de recensie die Tishauser schreef in maart 2019 over Bransens boek Gevormd of vervormd? Vandaag zetten onze Jannen het gesprek voort over de cognitivistische onderwijspsychologie, de zin en de toekomst van het Nederlandse onderwijs.

Hallo Jan,

Bedankt voor je uitgebreide brief, die goed laat zien waar je staat in het onderwijsdebat. Uiteraard zal ik je vragen beantwoorden, maar ik wil eerst ingaan op de inhoud van jouw brief.

Ik heb geen behoefte om het Nederlandse onderwijs te rechtvaardigen. Integendeel, er is een fundamentele herziening van de inrichting (en de inhoud) geboden. Uit jouw brief blijkt dat we dat eens zijn. In mijn eerste brief ben ik ingegaan op de vraag wat de zin is van ons onderwijs. In jouw antwoord werp je de vraag op hoe we dat het best inrichten. Dat hangt naar mijn mening vooral af van het doel dat we met ons onderwijs beogen. Zoals ik al eerder schreef in mijn blog ‘Kenniskapitaal’, is de achterliggende vraag: wat voor maatschappij willen we zijn? Ik hanteer daarvoor zelf twee uitgangspunten:

Wij zijn een democratie en wij willen een maatschappij die mensen gelijke kansen biedt.

Helaas is onze democratische rechtsorde niet langer een algemeen aanvaard uitgangspunt: er is een hang naar ‘sterke mannen’, die gepaard gaat met een cultuur-centristische ideologie. Het laatste heeft zelfs geleid tot het schoolvak ‘burgerschap’, een uiterst verdacht label.

Je stelt dat vrijwel iedereen sinds de Verlichting de afhankelijkheid van jongeren als verklaring ziet voor hun lange weg naar zelfstandigheid. Jouw verwijzing naar liefde en loyaliteit geeft goed weer waar we beiden staan. Ik sta in de traditie van de Verlichting zoals die werd verwoord door Thomas Jefferson (belangrijkste auteur van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring, 1776), die schreef:

‘Als ik moet kiezen voor een overheid zonder kranten of voor kranten zonder overheid, dan kies ik zonder aarzeling voor de laatste, omdat elke burger de kranten moet kunnen lezen en begrijpen. Een burger die geen kranten kan lezen en begrijpen, kan niet effectief deelnemen aan de moderne kenniseconomie die niet alleen vraagt om geletterdheid en gelijkheid van kansen, maar ook aan de deelname aan een kosmopolitische cultuur die universeel respect en beschaving bevordert.’

Jij lijkt, blijkens je woordkeuze, in de traditie van de romantici te staan. Maar wie de Verlichting navolgt, heeft net zo goed lief en een romanticus maakt dagelijks rationele keuzes. Waar we vermoedelijk in verschillen is dat vanuit mijn perspectief liefde en loyaliteit middelen zijn die ons voortbestaan als individu, groep en soort in de hand werken. Zij vormen geen doel op zich.Mensen leren hun leven lang, al dan niet in formeel en geïnstitutionaliseerd verband, dus waarom zou je een school nodig hebben? Het antwoord ligt voor de hand: omdat we als maatschappij richting willen geven aan dat leren. Mondige burgers moeten de krant kunnen begrijpen en de basis van onze belangrijkste wetenschappelijke disciplines beheersen. Minstens zo belangrijk is dat zij zich de procedurele kennis hebben eigengemaakt om te kunnen sporten, musiceren, dansen, tekenen en beeldhouwen (om maar eens een greep te doen).

Hoe de keuzes die we als maatschappij maken de levens van mensen beïnvloeden, blijkt uit mijn eigen geschiedenis. Toen ik als negenjarige voor het eerst het Nederlandse basisonderwijs betrad, kon ik de tafels van vermenigvuldiging niet opzeggen, waardoor ik onmiddellijk in de problemen kwam. De tijd die ik in Canada had besteed aan sport, toneel, muziek en dans leken weggegooid. Nederland hanteerde andere cognitieve doelen dan de Canada. Mijn Nederlandse familie beoordeelde het Nederlandse onderwijs als ‘beter’.

In een school vinden we inderdaad jongeren en ouderen. Dezelfde groepen bewegen zich ook buiten de school. Zij vormt echter de plaats waar zij zich afzonderen en zich wijden aan het verwerven en overdragen van kennis en vaardigheden, die wij als maatschappij beschrijven in onze onderwijsdoelen. Het Griekse ‘σχολή’, waar het woord school van af is geleid, betekent ‘vrije tijd’. Hoewel we over de inrichting van deze vrijplaats van mening kunnen verschillen, ben ik het deels met je eens dat er soms een nare focus op kennisverwerving en meetbaar rendement ligt. We zijn verzand in de schijnwerkelijkheid dat leren meetbaar is, waardoor er een ziekelijke obsessie met presteren is ontstaan. De school moet juist een plaats blijven waar ouderen en jongeren in rust kunnen werken en leren, ongehinderd door de verwarrende, chaotische maatschappelijke werkelijkheid.

Ivan Illich stelde zich in zijn Ontscholing van de Maatschappij (1976) al een werkelijkheid voor, die jij ook lijkt te beschrijven. Het is er niet van gekomen en het komt er ook niet van. De reden dat ons onderwijs is ingericht zoals het is ingericht, is deels te verklaren door onze eigen bijzondere (cultuur)geschiedenis. Ons onderwijs komt echter in hoofdlijnen overeen met alle andere onderwijsstelsels. Dat is geen toeval. De wal keert niet alleen het schip; de oevers bepalen de koers. Het onderwijs werkt eclectisch op twee niveau’s: in de school doen leraren intuïtief wat werkt en zo richten we ook intuïtief ons systeem van geïnstitutionaliseerd leren in.

De manier waarop wij onze scholen nu inrichten werkt naar mijn mening kansenongelijkheid in de hand om twee redenen:

* Het initiële onderwijs is te kort en overbeladen met randzaken. Het zou verlengd moeten worden naar 11 of 12 jaarklassen, waarin alle leerlingen een goede basis in rekenen, taal (inclusief moderne vreemde talen) en de zogenoemde zaakvakken krijgen aangeboden in een kortere schoolweek met een gelijkwaardige plaats voor het bewegingsonderwijs en de creatieve vakken.

* We zijn op een verkeerde manier aan het differentiëren; voor sommige leerlingen wordt de lat al tijdens het primaire onderwijs op oneigenlijke gronden te laag gelegd. In het begin van het VO neemt dit tamelijk idiote vormen aan met alle laagjes en niveautjes die wij in Nederland weten te scheppen. Zo creëert ons onderwijs nodeloos ongelijkheid.

Mijn school is een inclusieve leergemeenschap voor alle vier- tot en met vijftienjarigen, waar zij zich in rust en vrijheid kunnen voorbereiden op de maatschappelijke werkelijkheid buiten de school.

Ten slotte kom ik op de antwoorden op je vragen. Ik begin met de eenvoudigste: Waarom ik de landbouw en het schrift aanduid als ‘recent’ en mijn mening over het belang van het internet. Ik hanteer een andere schaal: de moderne mens bestaat ongeveer 200.000 jaar, terwijl we pas zo’n 15.000 jaar geleden met landbouw zijn begonnen. Dat is op die schaal zeer recent. Het is nog te vroeg om te overzien wat het internet op termijn voor ons onderwijs gaat betekenen. Voorlopig lijkt het ongeveer dezelfde plaats in te nemen als een lei met een griffel.

Het antwoord op je tweede vraag, in hoeverre het onderscheid in kwalificatie, socialisatie en subjectificatie bruikbaar is bij de inrichting van het onderwijs kan ik kort houden: het is vocabulaire waarvan men zich zeer recent is gaan bedienen. Ik heb het grootste deel van mijn onderwijsleven zonder gekund. Ik beschouw dit onderscheid ook, met name omdat die termen vaak misbruikt worden, als een bedreiging voor de kwaliteit van ons onderwijs: het biedt een dekmantel voor het binnensmokkelen van nog meer randzaken.

Blijft je laatste vraag over: of mijn biologische uitgangspunt voldoende grond biedt om een fundamenteel onderscheid te maken tussen enerzijds kwalificatie als een cultureel, niet-natuurlijk proces, en anderzijds socialisatie en subjectificatie als natuurlijke processen?Hier communiceren we zo dicht mogelijk langs elkaar heen. Ik beschouw inderdaad socialisatie en kwalificatie als natuurlijke processen. Dat geldt echter ook voor cultuur- en kennisoverdracht. Het is een vanuit evolutionair oogpunt noodzakelijk en dus natuurlijk proces. De noodzaak om het te institutionaliseren is pas ontstaan toen de hoeveelheid secundaire kennis enorm toenam. Niemand leert bijvoorbeeld vanzelf schrijven en de meest efficiënte manier om ervoor te zorgen dat kinderen het wel leren is door ze dit groepsgewijs aan te leren.

Tenslotte mijn vraag aan jou: Zal jouw naar buiten gestuurde school, het model van een lerende samenleving, leiden tot gelijke kansen voor iedereen?

Jan Tishauser

 

 

-------------------- 

 

 

Beste Jan,

Wat een genot om te lezen hoe wij ‘zo dicht langs elkaar heen communiceren’, zoals jij dat noemt. Mooi gezegd. We proberen, zoals ik dat noem, ons wederzijds onbegrip echt te delen. Daarin doen we iets anders dan wat we eerder op Twitter deden: in scherpe woorden oppositie voeren. Zo’n Twitter-debat heeft overigens ook wel iets. Het is vooral vermakelijk voor het meelezende publiek, omdat zij er als de derde hond met het bot vandoor gaan. Als vechtende honden ontgaat ons dan immers het overstijgende inzicht.

Maar nu, in deze correspondentie, maken we het onze lezers een stuk moeilijker, omdat wij elkaar nu oprecht proberen te begrijpen. Daardoor komt de verwarring van onze tekortschietende woorden ongegeneerd op straat te liggen.

Tja.

Zo is dat nu eenmaal: onbegrip delen is pijnlijk en gênant. Maar het is de enige manier die we als mensen hebben om onze pluraliteit te organiseren, zoals Herman van Gunsteren dat zo mooi noemt.

Laat ik beginnen met het vieren van onze overeenkomsten. We willen beiden het onderwijs in Nederland fundamenteel herzien. We zijn beide de ziekelijke obsessie met presteren zat. Je bent het zelfs met mij eens dat er een nare focus op kennisverwerving ligt. En we vinden beiden dat ons onderwijs ongelijkheid creëert door op de verkeerde manier te differentiëren. Mooi dat we elkaar hierin kunnen vinden.

Daar ligt vervolgens wel een heleboel onenigheid onder en daar wil ik een paar punten van noemen. Op de eerste plaats valt mij iets op aan jouw houding ten opzichte van de democratie die wij beiden een warm hart toedragen en die we willen versterken. Jij citeert in dat verband Jefferson. Maar er gebeurt iets wonderlijks in jouw citaat. Want hoewel de eerste zin wel van Jefferson is, is de tweede zin dat niet. Jefferson zegt wel dat iedereen de krant moet kunnen lezen, maar daarmee bedoelt hij natuurlijk niet dat mensen het technisch lezen onder de knie moeten zien te krijgen. Hij bedoelt slechts dat iedereen toegang moet hebben tot de informatie die relevant is om verstandige keuzes te kunnen maken. Omdat je mij vertelde dat je via E.D. Hirsch dit citaat van Jefferson gevonden had, denk ik dat de tweede zin van Hirsch is.

Jefferson schreef zijn woorden in Parijs, in 1789, vlak voor het uitbreken van de Franse Revolutie. De keuze die hij voor zich ziet, is die tussen een dictatuur (‘overheid zonder kranten’) en een anarchie waarin er sprake is van goed geïnformeerde individuen (‘kranten zonder overheid’). Als dát de keuze is, dan weet hij het wel, want alleen in dat laatste geval zal er sprake kunnen zijn van een democratie, van een volk dat zichzelf zal kunnen regeren.

Jouw idee van democratie lijkt een andere te zijn. Dat leid ik af uit sommige woorden die je gebruikt: ‘cultuur-centristische ideologie’, ‘het verdachte label “burgerschap”’ en ‘overladen met randzaken’. Die woorden suggereren het beeld van een bezorgde burger, een burger die zich vooral een onderdaan voelt, die geregeerd wordt en die zich geen raad weet met die andere taak die in een democratie op het bordje van iedere burger ligt: regeren. Je bent een onderdaan die met argwaan naar de overheid kijkt, geen democratische burger die beseft dat hij principieel zelf deel uitmaakt van die overheid.

Ik voel je benauwdheid voor een overheid die het schoolvak ‘burgerschap’ verplicht voorschrijft, omdat je maar nooit weet of die overheid dan niet stiekem een ‘cultuur-centristische ideologie’ aanhangt. Vandaar dat je liever een smalle opvatting hebt over het onderwijs dat alle leerlingen een goede basis moet verschaffen, zodat ze voorbereid zijn op de maatschappelijke werkelijkheid. Randzaken moeten niet binnengesmokkeld worden, waarschuw je, zeker niet onder een dekmantel die pas sinds kort het onderwijs is binnengedrongen.

Over die randzaken heb ik een vraag, of misschien preciezer over hoe wij kunnen bepalen welke zaken randzaken zijn? Ik kan me daar geen helder beeld van vormen als ik in het licht van jouw immigratie-ervaring je opmerkingen lees over ‘een gelijkwaardige plaats voor het bewegingsonderwijs en de creatieve vakken’. Wat bedoel je met de stelling dat ‘we als maatschappij richting willen geven aan dat leren’ dat mensen heel hun leven doen? Wie bedoel je als je het over ‘we als maatschappij’ hebt? Ook verderop gebruik je deze term nog een keer en ik vermoed dat hetzelfde vage beeld tussen de regels door schijnt als je het over ‘onze eigen bijzondere (cultuur)geschiedenis hebt’. De ‘oevers bepalen de koers,’ schrijf je. Maar wat bedoel je daarmee? Gaat het om ons, om jij en ik, onze ouders, kinderen, vrienden, collega’s, buren, bekenden, enzovoort, kortom om alle inwoners van Nederland die samen met elkaar een ‘inclusieve leergemeenschap’ vormen? Of gaat het om iets anoniems: om ‘de maatschappij’, de geformaliseerde en geïnstitutionaliseerde oevers?

Misschien kunnen we elkaar op dit punt vinden, maar als ik in mijn vorige brief hamer op het belang van liefde dan heb ik het over ons, mensen van vlees en bloed, zoals dat dan heet, concrete personen die je aan kunt spreken, en dan wil ik het onderwijs weghouden van abstracte en anonieme structuren die ons zogenaamd vertegenwoordigen maar waarin het nooit om mensen gaat maar om functionarissen.

Kun je mij meer vertellen over die ‘wij’ waar jij het over hebt en over hoe die probeert te bepalen wat de hoofd- en wat de bijzaken zijn? Want als ik dat beter begrijp, zal ik misschien antwoord kunnen geven op jouw vraag over de gelijke kansen. Ik vind dat namelijk een onmogelijke vraag, een vraag die heel helder lijkt, maar in feite verward en troebel is. Ik schreef daar een lange blog over in het kader van mijn worsteling met De Staat van het Onderwijs dat in april 2019 door de Onderwijsinspectie werd gepubliceerd. Ik verwijs jou en de lezers van Didactiefonline naar deze blog  als antwoord op jouw vraag. Dat vind ik zelf ook een enigszins onbevredigende reactie, maar anders wordt deze brief te lang. Jouw vraag stelt wel een buitengewoon interessante kwestie aan de orde: hoe kunnen wij in het onderwijs goed omgaan met ongelijkheid? Daar wil ik de komende brieven graag dieper op ingaan. Dan helpt het mij – hoop ik – als jij antwoord zou kunnen geven op de vraag die ik hierboven stelde:

Over wie heb je het als je het over ‘wij als maatschappij’ hebt?

Hartelijke groeten,

Jan Bransen

Verder lezen

1 Jan versus Jan (1)

Een ogenblik geduld...
Click here to revoke the Cookie consent