Nieuws

Ticket naar de toekomst

Tekst Monique Marreveld
Gepubliceerd op 26-02-2019 Gewijzigd op 02-07-2019
Beeld Shutterstock
De school- en centrale examens liggen onder vuur. Wat moet er gebeuren om de examenketen te verbeteren? Experts adviseren: verplichte examencommissies, beter toezicht en breder toetsen. Wordt het sturing of meer ruimte, minister Slob?

Donderdag 22 januari 2019 werd Martin Ringenaldus door de Onderwijsraad bekroond met een aanmoedigingsprijs voor beste blog van 2018. Opvallend, want deze leraar Duits stelt kritische vragen over de opzet en inhoud van het centrale eindexamen van zijn vak. Vorig jaar domineerde het faillissement van de schoolexamens bij LVO in Limburg wekenlang de kranten.
Het zijn geen losse incidenten. In december zag een reeks adviezen en rapporten het licht waarin verbetervoorstellen worden gedaan om nieuwe examendrama’s te voorkomen. De dag na Sinterklaas rapporteerde de commissie-Ten Dam, die in opdracht van de VO-Raad de kwaliteit van de schoolexaminering in Nederland onderzocht. Ze concludeerde: ‘In het huidige systeem is de deugdelijkheid van de schoolexamens onvoldoende gegarandeerd.’ Bam! Een week later publiceerde de Onderwijsraad Toets Wijzer. Dit trok de lijn nog wat breder: over de hele breedte van het onderwijsveld is er onvoldoende deskundigheid als het gaat om toetsing en examinering. Een snoeiharde conclusie, verpakt in beleefde zinnen en heel veel wol. Wat is er mis met onze examinering?


Commissie-Ten Dam: schoolexamens

Het verlate Sinterklaascadeautje dat Geert ten Dam de VO-Raad gaf, was een moetje na het LVO-drama: voordat de minister een onderzoek verordonneert, kun je maar beter aan een zelfonderzoek beginnen. Ten Dam schakelde daarvoor onderzoeksbureau Oberon in, dat een vragenlijst afnam onder 159 vmbo-, havo- en vwo-afdelingen en verdiepende casestudies deed op vijftien afdelingen. De programma’s van toetsing en afsluiting (PTA’s) en examenreglementen werden geanalyseerd op 75 vestigingen. De commissie sprak met twee expertpanels en interviewde OCW, de inspectie en het College voor Toetsen en Examens (CvTE). Gelukkig vond de commissie geen aanwijzingen ‘voor grootschalige onregelmatigheden bij de uitvoering van de schoolexamens’, schrijft Ten Dam. Maar er is geen reden tot juichen. ‘Want als de examinering op een school niet goed verloopt, wordt dit onvoldoende gecorrigeerd.’ Met andere woorden, als we niks doen, is het wachten op de volgende ramp.
De commissie signaleert een aantal ‘kwetsbaarheden’. Zo wordt het schoolexamen niet gebruikt waarvoor het is bedoeld en verliest het zijn afsluitende karakter. Het is een generale repetitie voor het centraal schriftelijk geworden in plaats van een afsluiting van het schoolspecifieke deel van het curriculum. Op de meeste scholen is er verder weinig samenhang tussen de verschillende examenprogramma’s en weinig oog voor overlap en herhaling. Het is iedere sectie voor zich. Daarbij komt dat de meeste secties een verzameling tussentoetsen in één schoolexamen stoppen om leerlingen bij de les te houden. Goedbedoeld, maar ook risicovol, want het maakt de registratie complex en gevoelig voor fouten, volgens Ten Dam. Bij nader onderzoek door de inspectie bleek juist het complexe PTA een factor bij het LVO-examendrama. Het beeld dat ontstaat, aldus Ten Dam, is eigenlijk dat iedereen zijn best doet, maar dat het totale plaatje uit beeld is geraakt: scholen beseffen het gewicht van de schoolexamens in het geheel onvoldoende, ze hanteren een ‘te informele werkwijze’.


Leerling helpen bij herexamen

Een onderzoek van de Vrije Universiteit dat half januari het licht zag, ondersteunt deze conclusie. Leraren blijken hun beoordelingsruimte met name bij het herexamen te benutten om leerlingen te helpen. Omdat ze dan, na de eerste ronde, weten wat de normering is én wat een leerling nodig heeft om alsnog te slagen, maken sommigen optimaal gebruik van de cijfergrenzen. Een tiende punt kan immers het verschil maken. Om dit gat te dichten, heeft Slob Cito en CvTE gevraagd of het mogelijk is een aparte normering in te stellen voor de herkansing.
Zorgwekkend, volgens Ten Dam, is ook dat de keten die de kwaliteit moet bewaken – directeuren, schoolbesturen en onderwijsinspectie – te weinig corrigeert bij problemen (lees ook wat experts in november 2018 in Didactief zeiden over deze ketenverantwoordelijkheid). En OCW kan weinig doen. In de kamerbrief die minister Slob half december 2018 verstuurde, stelt hij onomwonden dat het ‘beschikbare instrumentarium eigenlijk niet geschikt is’. Hij waarschuwt: er kunnen situaties zijn, waarin ‘autonomie en vertrouwen in schoolbesturen niet houdbaar’ zijn.


Wetswijziging

Hoe kan het beter? Ten Dams aanbeveling is opvallend. Op pad gestuurd door de VO-Raad, die meestal mínder regelgeving wenst, pleit zij voor méér sturing vanuit de overheid: er moeten examencommissies komen in scholen, hun taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden moeten wettelijk vastgelegd in het Examenbesluit VO. De examensecretaris en -commissies moeten (bij)geschoold worden, de eerste zelfs gecertificeerd door het CvTE. Voorwaarden voor certificering: voldoende tijd, aantoonbare professionaliteit (bij- en nascholing), en deelname aan collegiale consultatie en peer review (gefaciliteerd door school).
Elke vaksectie heeft ook een eigen examenexpert nodig, aldus Ten Dam, en als de sectie te klein is of te onervaren, zou ze liefst niet zelf schoolexamens mogen maken, maar moeten samenwerken met andere scholen. De onderwijsinspectie zou periodiek moeten rapporteren over de kwaliteit van de schoolexamens. Op dit moment is er geen enkel inhoudelijk toezicht op de kwaliteit van de schoolexamens.

 

Tips: schoolexamen

Voor de korte termijn heeft de commissie-Van Dam concrete tips om het schoolexamen te verbeteren en minder in de schaduw te stellen van het centraal examen:

1. Beperk schoolexamens zo veel mogelijk tot het laatste jaar.
2. Wees terughoudend met het aantal toetsen door de secties heen.
3. Zorg dat schoolexamens echt bedoeld zijn om de lesstof af te sluiten.
4. Wees transparant: zorg voor een duidelijk PTA voor leerlingen en ouders.



Inspectie en bestuur

De commissie-Ten Dam pleit voor een standaard format voor examenreglement en PTA, onder verantwoordelijkheid van de directeur en vastgesteld door het bevoegd gezag. Niet door de overheid dus, maar door het schoolbestuur. Slob reageert in zijn kamerbrief van december niet direct op deze suggesties, maar hint op ‘aanvullende instrumenten van tijdelijke aard’. Hij belooft de kamer voor de zomer hierover te informeren. Een formele afronding van het schoolexamen met ouders en leerlingen lijkt hem al wel een goed idee (‘Twee examenfeestjes!’ zal menig ouder kreunen) en hij geeft besturen een schot voor de boeg: we gaan onze juridische instrumenten kritisch onder de loep leggen. Om de positie van de examensecretaris te versterken, heeft Slob hoge verwachtingen van het platform examensecretarissen (PLEXS); voor vmbo-leraren zal OCW bijscholing subsidiëren.
Ook wijst de minister alvast naar de inspectie. Het toezicht moet voortaan meer rekening houden met de omvang van een schoolbestuur en de daarmee samenhangende mogelijke afstand van bestuur tot de scholen. Slob vraagt inspecteurs extra alert te zijn. ‘Goed toezicht houden,’ schrijft hij vermanend, ‘is meer dan alleen de regels handhaven. Het betekent ook sensitief handelen’ en rekening houden met ‘regionale context en lokale ontwikkelingen’. Crisiscommunicatie zal een expliciet aandachtspunt zijn van OCW in de maatregelen die worden voorbereid.

Civiel effect

Slob zal ter voorbereiding van zijn nieuwe gereedschapskist het advies van de Onderwijsraad ook goed lezen. De raad werd al in 2015 gevraagd om advies over toetsing en examinering en publiceerde dat uiteindelijk afgelopen december in Toets Wijzer. Daarin komt de raad tot eenzelfde conclusie over het schoolexamen als Ten Dam: te veel een generale repetitie voor het CE. Het advies is wel veel breder. Bottomline: over de hele breedte van het onderwijsveld (sic! Leraren, management en uitvoeringsorganen van de overheid; po en vo) is er onvoldoende deskundigheid inzake toetsing en examinering.
Natuurlijk is in het advies van de Onderwijsraad – net als in het rapport-Ten Dam – het civiel effect van de examens een belangrijk aandachtspunt. Wat we ook beslissen in Nederland om het examenproces te veranderen en hopelijk verbeteren: we moeten zorgen dat de maatschappij vertrouwen behoudt in de eindexamens. Niemand wil straks eerst allerlei toelatingsexamens doen voor vervolgonderwijs, omdat een havo- of vwo-diploma niets meer waard is of wisselt per regio. Een voldoende afgesloten eindexamen moet een ticket naar de toekomst blijven. Het is een geluid dat ook pleitbezorgers van anders examineren (zie kader onderaan) laten horen. Pas op dat we niet het kind met het badwater weggooien.


Formatief en decentraal

Het hoeft niet radicaal anders, aldus de Onderwijsraad, maar er kan wel veel beter. Toetsing en examinering is nu te vaak beslissend (het centraal schriftelijk is te dominant, het geheel aan toetsen en examens is te weinig formatief), te vaak centraal (en te weinig op niveau van school en klas), en te vaak gericht op kwantitatieve meting van onderwijsopbrengsten (in plaats van kwalitatief).
Dat het anders kan, aldus de raad, bewijst het centraal schriftelijk en praktisch examen in het vmbo bijvoorbeeld, met centraal vormgegeven praktijkopdrachten. Examinering hoeft dus niet per se gestandaardiseerd en schriftelijk, zoals in de traditionele centrale examens voor de avo-vakken. Ook digitale adaptieve toetsen bewijzen dat centrale, gestandaardiseerde, kwantitatieve toetsen niet per se summatief hoeven te zijn, maar prima passen in formatief leren. Laten we ons dus niet verliezen in het zoeken naar een focus op het een of het ander, aldus de raad, maar proberen een balans te vinden tussen verschillende soorten toetsing en examinering.


Toetsmakers

Het argument van toetsmakers dat standaardisatie en kwantitatieve toetsing nodig zijn om tot betrouwbare en objectieve informatie over leeropbrengsten te komen, veegt de Onderwijsraad van tafel: ‘Een recenter inzicht is dat betrouwbaarheid (…) vooral het resultaat is van het combineren van verschillende toetsen, bij voorkeur met gevarieerde methoden. (…) Objectiviteit (kan) ook worden bereikt door verschillende beoordelaars in te zetten, studenten onderling elkaars werk te laten vergelijken, trainingen te geven, of producten van leerlingen/studenten paarsgewijs te vergelijken.’ Didactief schreef eerder over dit comparatief beoordelen (Bekwaam beoordelen, december 2017).
De raad breekt ook een lans voor meer kwalitatieve toetsen om bijvoorbeeld complexere vaardigheden te toetsen, zoals spreekvaardigheid in het vo. Het is een pleidooi dat in lijn ligt met eerdere adviezen van de Onderwijsraad voor een breder curriculum. De raad laat nu weten: wie a zegt, moet ook b zeggen: een breder curriculum vraagt ook om bredere vormen van toetsing en examinering. Het is alvast een boodschap voor de examenmakers die straks met de bouwstenen van Curriculum.nu aan de slag moeten: ‘kan niet’ is geen antwoord.
Nu is ook de Onderwijsraad zich wel degelijk bewust van de behoefte van de overheid aan geaggregeerde data waarmee scholen en grote groepen leerlingen met elkaar kunnen worden vergeleken. Dat gaat prima met bepaalde kwantitatieve toetsen: makkelijk en relatief goedkoop, maar dan liefst wel in de praktijk gecombineerd met toetsen waar leerlingen en studenten ook iets van leren.
Net als de commissie-Ten Dam wil de Onderwijsraad dus meer aandacht voor formatieve toetsing. In plaats van de vele kleine toetsen voor een cijfer die nu samen een schoolexamen maken, zouden er meer formatieve toetsen kunnen komen met één of twee afsluitende summatieve toetsen. Het schoolexamen wordt dan steeds minder een oefening voor het centraal eindexamen en het curriculum zal langzaamaan weer verbreden. Docenten zullen zich ook weer meer eigenaar gaan voelen van hun eigen onderwijs. De raad vraagt docenten daarbij ook kritisch naar hun eigen handelen te kijken: in hoeverre is het (examen)cijfer van een leerling het resultaat van alleen zijn inzet of ook van het handelen door de docent? Met andere woorden: kan de les misschien beter?


Oliemannetje

Behoorlijk kritisch is de raad over de rol van de overheid in het ontstaan van de huidige toets- en examenpraktijk: ze heeft zich een onbetrouwbare partner getoond, door haar standpunten telkens te wijzigen, zoals met de rekentoets. Ook moet zij scherper blijven op de kwaliteit van de centrale schriftelijke examens. De raad roept het CvTE, als oliemannetje van OCW als het gaat om examens, daarbij op om incidenten te voorkomen en waar die zich voordoen ‘er open over te zijn, ervan te leren en ze in perspectief te plaatsen’.
Dit is een opmerkelijke zinsnede in het rapport, mede gezien de bekroning van de kritische blog van Ringenaldus door diezelfde raad. De raad constateert tevreden dat de procedures van het CvTE (bijvoorbeeld rond correctievoorschriften van de eindexamens) zijn verbeterd, maar moedigt het ook aan om het nieuwe beleid verder aan te scherpen. Dat is waarschijnlijk muziek in de oren van Ringenaldus en andere critici die eerder in Didactief klaagden dat het CvTE maling heeft aan docenten (zie kader Project Ieders Examen op didactiefonline.nl).
Pikant is in dit verband dat Slob in zijn kamerbrief van half januari er melding van maakt dat een grote groep leerlingen voor de centraal examens Frans en Duits structureel lagere cijfers haalt dan voor andere vakken. Ietwat vaag staat er in de brief ‘elk jaar’. Het is aan het CvTE, stelt Slob, om te onderzoeken wat hier aan de hand is. Hij verwacht de eerste resultaten in de tweede helft van 2019 (na de examens dus).


Keurt slager eigen vlees?

Slob is minder kritisch over het CvTE dan de Onderwijsraad. Hij stelt bijvoorbeeld tevreden vast dat onderzoek van het Research Center voor Examinering en Certificering naar de centrale examens wiskunde vmbo-gl en -tl 2017 en Engels vwo 2017 aantoont dat de inhoudsvaliditeit voldoende was. Vraag is natuurlijk of dit alleen een psychometrische exercitie was, of dat het ook iets zegt over de inhoudelijke kwaliteit van het examen. Wel weten we dat de examenmaker een dikke vinger in de pap heeft in het Research Center. Met andere woorden, het lijkt erop dat de slager zijn eigen vlees keurt.
Hoewel de Onderwijsraad het CvTE uitnodigt het nieuwe beleid verder aan te scherpen, lijkt de raad aan de andere kant blij met de terughoudendheid van de overheid om na incidenten zoals in Limburg niet in de risico-regelreflex te schieten. Probeer op je handen te zitten, overheid: scholen moeten de ruimte hebben om het schoolexamen zelf in te vullen. De raad sluit zich wel aan bij het pleidooi van de commissie-Ten Dam voor verplichte examencommissies (de raad wil zelfs toetscommissies op het po). Maar ook – misschien nog veel belangrijker – pleit hij om toetsing op te nemen in de beroepsstandaarden van leraren(opleiders) en schoolleiders, voor betere bekwaamheidseisen en richtlijnen. Er is werk aan de winkel, voor iedereen.

Dit artikel verscheen in de rubriek Onderzoek/actueel in Didactief, maart 2019. 

Lees meer over examens in Examenkwaliteit: wettelijk verankeren? en Het curriculum volgens Dylan Wiliam uit hetzelfde nummer van Didactief. 

 

Hoogleraren voor een ander examen

Jan van Tartwijk, hoogleraar Onderwijswetenschappen aan de Universiteit Utrecht, en Cees van der Vleuten, zijn collega aan de Universiteit Maastricht, pleiten samen voor anders examineren. ‘Begrijp ons goed,’ zegt Van der Vleuten, ‘we hoeven niet naar een radicaal ander systeem. Gestandaardiseerde toetsing in een centraal eindexamen is verstandig omdat het informatie biedt die ik wil meewegen in een totaaloordeel.’
‘Het is prima om zo basiskennis te toetsen maar alléén zo’n toets heeft beperkingen,’ vult Van Tartwijk aan. ‘Het huidige CE is een prima voorspeller voor de kennistoetsen in het vervolgonderwijs, maar minder voor de onderzoeksopdrachten. Daarom is het goed om breder te kijken naar het hele PTA en naar toetsinstrumenten voor het hele spectrum van zaken die je wilt bereiken met leerlingen. Door breder te toetsen kun je ook meer differentiëren tussen leerlingen. Dat is handig voor het vervolgonderwijs.’
Van der Vleuten ontwikkelde zogenoemd programmatisch toetsen, een model voor een nieuw PTA waarin zij een veelheid aan toetsmethoden (gestandaardiseerde en ongestandaardiseerde toetsen) combineren om tot een betrouwbaar oordeel te komen over alle competenties (dus niet alleen kennis, maar ook bijvoorbeeld praktische toepassing en soft skills). Het geheim? Van der Vleuten: ‘Vele onafhankelijke subjectieve oordelen maken een betrouwbaar oordeel. Het oordeel is hierbij niet afhankelijk van een of twee docenten, maar van een groep. En toetsing is op lange termijn betekenisvol en geen momentopname. Formatief toetsen (dus toetsen om te weten wat een leerling nog moet leren, niet per se voor een afsluitend cijfer maar gericht op feedback, red.) is een onderdeel, maar ook assessmentgesprekken en portfolio’s. Het gaat om de doorgaande lijn en om de veelheid aan informatie, of “datapunten” zoals wij ze noemen.’ Het pleidooi van Van Tartwijk en Van der Vleuten past waarschijnlijk mooi in het straatje van de VO-Raad, dat eerder ook vroeg om meer flexibiliteit en meer data.
Toetsing wordt functioneler en alomvattender, legt Van Tartwijk uit. ‘Nu zie ik in examinering dat probleemoplossend vermogen en kritisch denken moeilijk te toetsen zijn in gestandaardiseerde toetsen. Daarom komen die zaken in de eindexamens nauwelijks terug, met als gevolg dat ze ook in ons onderwijs weinig aandacht krijgen. Leraren hebben immers sterk de neiging om naar dat eindexamen te kijken.’

 

‘Kijk meer naar hoe
leerling zich ontwikkelt’


Zelfsturend

Van Vleuten: ‘De klassieke toetspraktijk is volledig modulair; als je alle modules gedaan hebt, dan ben je klaar. Een leerling heeft allemaal losse brokjes kennis en vaardigheden, maar heeft er onvoldoende zicht op hoe al die verschillende brokjes in een langere leerlijn zitten. In programmatisch toetsen kijk je veel meer naar de totale leerlijn en naar hoe een leerling zich ontwikkelt. Zelfsturend vermogen wordt belangrijker.’ Fundamentele vraag natuurlijk: in hoeverre zijn leerlingen in staat zelf te sturen? ‘Zelfsturend leren betekent niet: zoek het maar uit,’ preciseert Van Vleuten, ‘je moet leerlingen helpen. Maar ze kunnen het al op de basisschool, dus waarom niet op de middelbare school? Niekee en Agora hier in Limburg doen dat goed.’
Het vraagt wel andere vaardigheden van leraren, zegt Van Tartwijk. ‘Je hebt meer dan routine en dus ervaring nodig om gedifferentieerd naar leerlingen te kunnen kijken in een relatief grote klas. Leraren ontwikkelen dat over het algemeen pas wat later in hun loopbaan. De eerste jaren kom je daar vaak niet aan toe. Maar je moet er wel gericht op investeren om te zorgen dat je dat leert.’
Programmatisch toetsen is aan de Universiteit Maastricht bij bijvoorbeeld de opleiding geneeskunde ingevoerd.

 

Verder lezen

1 Examenkwaliteit: wettelijk verankeren?
2 Het curriculum volgens Dylan Wiliam
3 Gaat ophaalbrug open bij CvTE?

Click here to revoke the Cookie consent