Motiveren, gedifferentieerd uitdagen én formatief evalueren

Tekst Fred Janssen
Gepubliceerd op 06-12-2019
Het zou toch mooi zijn als alle leerlingen inhoudelijk worden uitgedaagd op hun eigen niveau met motiverende taken, liefst met regelmatige informatieve feedback over hoe ze zich kunnen verbeteren. Dit ideaal staat al heel lang op het verlanglijstje van zowel onderwijsonderzoekers, schoolleiders als leraren. Maar hoe kun je dit als leraar elke dag weer realiseren met volle klassen, veel leerstof en weinig tijd?

In de praktijk herkennen we in lessen vaak het volgende patroon. Eerst legt de leraar de nieuwe stof uit, waarna leerlingen hiermee gaan oefenen aan de hand van veel kleine opdrachten uit een methode. De leraar komt er dan vaak pas na de toets achter wat leerlingen echt beheersen. 

Biologie en het oor van Van Gogh
Een leraar biologie geeft bijvoorbeeld eerst uitleg over de werking van het oor, waarna leerlingen met opdrachtjes aan het boek aan de slag gaan. Op de toets wordt leerlingen gevraagd te voorspellen en toe te lichten of Vincent van Gogh beter of slechter is gaan horen nadat hij zijn oorschelp heeft afgesneden.
Veel leerlingen maken deze vraag slecht. De leraar is teleurgesteld omdat leerlingen de stof niet toe kunnen passen in complexere situaties. De leerlingen zijn verontwaardigd omdat ze dit nooit hebben geleerd in de les.

Weerbericht in het Engels
Een leraar Engels behandelt in een les met als thema het weer eerst kort de betreffende grammatica en laat leerlingen daarna opdrachtjes maken, zoals invullen van ontbrekende woordjes in een script voor een weerbericht en enkele vocabulaire oefeningen. De projecttaak die in methode staat waarin leerlingen worden uitgenodigd een weerbericht voor te bereiden en te presenteren wordt overgeslagen omdat daar geen tijd voor is. 

Onderwijsonderzoekers- en vernieuwers proberen nu al decennia lang dit klassieke lespatroon te doorbreken of te verbeteren. Ze hebben heel veel voorstellen voor zowel motiveren, differentiëren en formatief evalueren afzonderlijk ontwikkeld en beproefd. Desondanks blijkt de kloof tussen droom en daad heel hardnekkig te zijn. Zijn leraren nu zo recalcitrant of is er iets anders aan de hand? 

Hoe wordt vernieuwing praktisch bruikbaar?

Veel vernieuwingsvoorstellen hebben het karakter van de onmogelijke theepot van de Franse kunstenaar Jacques Carelman waarbij het handvat onder de schenktuit is geplaatst. Ze zijn weliswaar beproefd om het leren van leerlingen te bevorderen (er zit een goede schenktuit aan) maar ze zijn moeilijk hanteerbaar voor de leraar in reguliere klasomstandigheden (het handvat zit verkeerd of ontbreekt geheel). Een vernieuwingsvoorstel wordt door leraren alleen als praktisch bruikbaar ervaren als aan twee voorwaarden is voldaan. 

Allereerst moet de leraar beschikken over procedures waarmee hij of zij in de zeer beperkt beschikbare voorbereidingstijd het betreffende onderwijsideaal kan omzetten in concrete activiteiten en inhouden voor het betreffende onderwerp en doelgroep.
Daarnaast maakt het voorstel alleen kans van slagen om duurzaam te worden ingevoerd als hiermee niet alleen het leren van een individuele leerling wordt bevorderd, maar tegelijkertijd hiermee ook:

(1) de verplichte leerstof tijdig kan worden behandeld;
(2) alle leerlingen taakgericht bezig blijven;
(3) de leraar de hulp aan alle leerlingen kan bieden die ze nodig hebben;
(4) leerlingen op de gebruikelijke toetsen nog goed presteren;
(5) en een ordelijke werkklimaat behouden blijft.

De meeste onderwijsvernieuwingsvoorstellen doorstaan deze praktische bruikbaarheidstest niet, wat hun geringe impact verklaart. 

Omdraaien en selectief weglaten

Dit roept de vraag op hoe de idealen van motiveren, gedifferentieerd uitdagen en formatief evalueren dan wel praktisch door leraren elke dag kunnen worden gerealiseerd.

Zoals ik hieronder laat zien, kan dat heel eenvoudig door het omdraaien en selectief weglaten van bouwstenen waaruit het reguliere lespatroon bestaat. 

Meteen aan de slag of meer uitleg?
De leraar biologie start nu zijn les met de vraag te voorspellen of Vincent na het afsnijden van zijn oorschelp beter of slechter hoort (omdraaien). Daarna kunnen leerlingen kiezen (selectief weglaten). Ze kunnen meteen deze vraag verder gaan uitzoeken (waarbij ze bepaalde door de leraar geselecteerde begrippen moeten gebruiken) met het schema van het oor uit de methode als hulp. Ze kunnen ook eerst naar de beknopte uitleg van de leraar luisteren over het oor. Als alle leerlingen de Vincent-vraag hebben gemaakt wordt deze klassikaal besproken en leerlingen die er nog moeite mee hebben, maken nog twee andere kleinere opdrachtjes uit het boek. 

Presenteren in groepjes
De leraar Engels begint nu de les met de introductie van weerpresentatie opdracht die normaal wordt overgeslagen (omdraaien). Leerlingen gaan in groepjes van vier een presentatie voorbereiden die aan een aantal criteria moet voldoen. De opdrachtjes uit het werkboek, zoals het invulscript en de vocabulaire oefeningen, zijn daarbij hulp op maat. Leerlingen mogen hiervan gebruik maken maar dat hoeft niet (selectief weglaten). Sommige groepjes starten meteen met het voorbereiden van de presentatie en zoeken bijvoorbeeld woorden op als ze het niet weten. Andere groepjes gaan eerst bijvoorbeeld het script maken om op ideeën te komen. 

Beide voorbeelden laten zien dat door het omdraaien en selectief weglaten van bestaande lesbouwstenen een aantal onderwijsidealen in samenhang kunnen worden gerealiseerd. Regulier onderwijs wordt zo omgebouwd tot onderwijs dat start met een taak die leerlingen kan motiveren en relevante voorkennis kan activeren en betekenis geeft aan overige lesonderdelen.
Vervolgens worden bestaande lesbouwstenen zo ingezet dat leerlingen hierbij hulp op maat krijgen en zo gedifferentieerd worden uitgedaagd. Bovendien zorgt het naar voren halen van een complexe taak ervoor dat leerlingen al heel snel ontdekken wat ze goed kunnen en wat ze nog moeilijk vinden en kunnen ze daarvoor weer de hulp kiezen die ze nodig hebben om verder te leren (formatieve evaluatie).

De voorbeelden laten zien dat leraren telkens terugkerende onderwijsidealen praktisch en in samenhang kunnen realiseren door recombinatie en kleine aanpassingen van bestaande lesbouwstenen. Onderwijs innoveren door recombineren is niet alleen inspirerend voor leerlingen maar ook voor leraren zelf, omdat met een beperkt aantal bouwstenen bijna eindeloos veel verschillende lessen kunnen worden gecreëerd.

Fred Janssen is hoogleraar Didactiek van de natuurwetenschappen en werkzaam bij het Interfacultair Centrum voor Lerarenopleiding, Onderwijsontwikkeling en Nascholing (ICLON) van de Universiteit Leiden. Hij geeft leiding aan een onderzoeksprogramma dat gericht is op het leren van leraren in de context van onderwijsvernieuwingen.

Bronnen:

- Theoretische achtergronden van het praktisch bruikbaar maken van onderwijsvernieuwingen:

Janssen, F. J. J. M., Westbroek, H. B., & Doyle W. (2015). Practicality studies:  How to move from what works in principle to what works in practice. Journal of the Learning Sciences, 24(1), 176-186.

- Achtergronden, voorbeelden en uitwerkingen voor bijna alle schoolvakken (po en vo) van veel varianten van uitdagend gedifferentieerd onderwijs:

Janssen, F. J. J. M., Hulshof, H., & Van Veen, K. (2016). Uitdagend gedifferentieerd vakonderwijs. Praktisch gereedschap om je onderwijsrepertoire te blijven uitbreiden. Leiden/Groningen: UFB.

Verder lezen

1 'Stuur leerlingen het moeras in'

Een ogenblik geduld...
Click here to revoke the Cookie consent