Onderzoek

Passend onderwijs zit nog niet lekker

Tekst Monique Marreveld
Gepubliceerd op 08-09-2017 Gewijzigd op 19-09-2017
Beeld Shutterstock en Human Touch Photography
Leraren willen meer tijd en de opleidingen voelen zich nauwelijks toegerust om studenten op de praktijk voor te bereiden. In de derde evaluatie van passend onderwijs zijn onderzoekers kritisch, maar geven ze ook tips. Vraag als leraar bijvoorbeeld zelf om hulp.

Het blijft spannend hoe de praktijk omgaat met passend onderwijs. Drie jaar na deze onderwijsvernieuwing zijn de effecten nog niet uitgekristalliseerd, blijkt uit de nieuwste stand van zaken die onderzoekers onder leiding van Guuske Ledoux (Kohnstamm Instituut) op 19 juni openbaar maakten. Basisschoolleraren associëren ‘passend onderwijs’ met inclusief onderwijs en met verregaand individueel (‘passend’) maatwerk. Hun werk krijgt daardoor een grenzeloos karakter: ze hebben het gevoel dat ze alles moeten kunnen en leggen zichzelf hoge normen op. Ze zijn verantwoordelijk voor de groep, maar voelen zich ook verplicht alle individuele leerlingen recht te doen. In een klas van dertig leerlingen is dat natuurlijk een mission impossible.

Etiketten

Het doel van passend onderwijs is om minder kinderen te labelen met een etiket, zoals adhd of dyslexie. Maar dat is nog lang niet bereikt: labelen is allerminst verdwenen. Leraren hebben daarnaast nog steeds het gevoel dat de werkdruk toeneemt en dat ze voortdurend tekortschieten. Ze beoordelen hun eigen vaardigheden over het algemeen als ruim voldoende. Als ze toch niet weten wat ze met een kind moeten beginnen, vinden ze het moeilijk dat toe te geven, vooral in het po.

In het vo speelt dit minder en vinden sommige docenten dat passend onderwijs eigenlijk nog steeds niet tot hun taak behoort. Dat is niet zo gek, vinden de onderzoekers, gezien de structuur en organisatie in het vo. Wie per week tweehonderd leerlingen ziet, zijn lesmethodes wil doorwerken en moet lesgeven in standaardlokalen en volgens een strikt rooster, kan onmogelijk alle individuele leerbehoeften onderkennen, laat staan honoreren. De onderzoekers concluderen dat er nog veel te winnen valt door organisatorische aanpassingen. Vo-docenten zijn nu geneigd om de problemen de les, de klas of zelfs de school uit te duwen. De scholen maken dit mogelijk met time-outplekken, trajectklassen, een special class in school, of een ‘pluspunt’ buiten de school, waar professionals de leerlingen opvangen.

Samenwerkingsverbanden
Directeuren van samenwerkingsverbanden in po en vo zijn redelijk tevreden over hun voortgang en resultaten, al vinden ze dat de invoering van passend onderwijs nog niet voltooid is. Dat blijkt uit een monitor van Oberon. De meeste directeuren zijn tevreden over het onderlinge vertrouwen en de consensus tussen schoolbesturen, en over de werking van zorgplicht. De plaatsing van leerlingen met een ondersteuningsbehoefte zoals jeugdhulp of cluster 4-leerlingen kan volgens hen beter, net als de kwaliteit van de ondersteuning in het po. / EG
Aarsen, E. van, Weijers, S., Walraven, M.,& Bomhof, M. (2017). Monitor samenwerkingsverbanden 2016: De voortgang van passend onderwijs volgens swv-directeuren. Utrecht: Oberon.

Stem van leerlingen
Helpt de extra ondersteuning die passend onderwijs geeft de leerlingen om hun prestaties en welbevinden op school te verbeteren? In een praktijkgericht onderzoek heeft de Rijksuniversiteit Groningen 75 leerlingen in po, vo en mbo geïnterviewd. Meestal vindt de ondersteuning, individueel en in groepsverband, buiten de klas plaats. Over het algemeen vinden leerlingen deze ondersteuning prettig en effectief, maar sommigen twijfelen over het nut ervan, bijvoorbeeld omdat de ondersteuning niet aansluit bij wat ze nodig hebben. Doordat veel ondersteuning buiten de klas plaatsvindt, kan dat bovendien ten koste gaan van de omgang en contacten met klasgenoten. / BR

Eigen boontjes doppen

In het po hebben leraren die luxe niet. Zij moeten hun eigen boontjes doppen, en dat doen ze volgens de onderzoekers trouwens graag. Zelfs leerlingen met complexe problemen willen ze het liefst zo lang mogelijk (en soms te lang) zelf helpen. Hun inschatting is niet altijd realistisch. Als een situatie toch escaleert, voelen ze dat vaak als persoonlijk falen. De meeste leraren zijn positief over de steun van intern begeleiders of zorgcoördinatoren. Minder te spreken zijn ze over adviezen van externe ondersteuners: deze zijn te algemeen en te weinig op de praktijk in de klas gericht. Po en vo zijn het hierover eens, al hebben docenten in het vo minder zicht op de ondersteuning die er voor hen beschikbaar is.

Jammer, vinden ib’ers, dat leraren zo weinig hulp zoeken. Zij signaleren dat problemen van leerlingen soms bij de ene leerkracht wel, en bij de andere niet optreden. Als leraren wat meer zouden openstaan voor feedback en hulp zouden durven vragen, zouden alle partijen daar vermoedelijk van profiteren. De inspectie ondersteunt deze observatie: ook zij vindt dat leraren niet altijd een goed inzicht hebben in hun eigen competenties. De consensus is dat leraren weliswaar deelnemen aan scholing (bijna alle leraren in het onderzoek hadden de afgelopen twee jaar professionaliseringsactiviteiten ondernomen), maar daarna niet altijd beter handelen.

Leraren zelf, met name in het po, zien de oplossing niet zozeer in meer expertise, maar in meer handen in de klas en meer tijd. Waar ib’ers de leraren willen versterken, zodat die de kinderen met specifieke behoeften in de klas kunnen helpen, willen leraren zelf juist ontlast worden, en dat is een cruciaal verschil. Tot nu toe is er in het po nauwelijks ondersteuning: klasse-assistenten zijn er maar op heel weinig scholen.

Toekomstige leraar

Voor de toekomst van passend onderwijs is het essentieel dat de lerarenopleidingen hun studenten goed voorbereiden op wat er van hen verwacht wordt. En dat blijkt tegen te vallen. Alleen de masters Special Educational Needs zijn voldoende toegerust voor passend onderwijs. Verontrustend noemen de onderzoekers het dat volgens alle opleidingen zelf gemiddeld slechts 17% van de vakdocenten en vakdidactici voldoende is toegerust om studenten voor te bereiden op passend onderwijs. Op bijna de helft van de opleidingen is zelfs minder dan een derde hier voldoende klaar voor.

Leraren in opleiding zouden alvast kunnen leren een ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) voor leerlingen met ondersteuningsbehoeften te maken. Hoe scholen deze verplichting van passend onderwijs invullen, loopt nogal uiteen: van een compleet leerlingdossier tot een compact format, waar steeds meer scholen voor kiezen. Leraren zijn er ambivalent over. Zeker, het OPP geeft overzicht en houvast, maar het is een behoorlijke administratieve last.

Meer bureaucratie
De bureaucratie terugdringen was een van de doelen van passend onderwijs. Maar in de praktijk ervaren scholen juist meer bureaucratie wanneer ze onderwijsondersteuning voor leerlingen aanvragen, blijkt uit onderzoek van het Kohnstamm Instituut. In het po vindt 55% dat er meer bureaucratie is door passend onderwijs, tegenover 48% in het vo. In het mbo is dit 40% en in het so maar liefst 65%. De klachten gaan vooral over lange formulieren, veel administratieve taken, en het gevoel dat het dossier centraal staat in plaats van de leerling. Toch vinden scholen over het algemeen passend onderwijs beter dan de leerlinggebonden financiering. / EG
Heim, M., Wellner, H., & Elshof, D. (2017). Passend onderwijs bureaucratisch? Tweede vervolgmeting ervaren bureaucratie in de school. Amsterdam: Kohnstamm Instituut.

Mbo-studenten
Sinds 2014 kent ook het mbo passend onderwijs. Het Kohnstamm Instituut peilde de tevredenheid hierover onder ruim tweeduizend mbo-studenten met extra ondersteuningsbehoeften. Ongeveer de helft kreeg daadwerkelijk extra ondersteuning, en gemiddeld is deze groep daarover redelijk te spreken. De studenten voelen zich welkom op de opleiding en weten goed bij wie ze terecht kunnen met vragen of bij problemen. Wel zeiden ze vaak dat ze zich soms alleen voelen op de opleiding, en dat de opleiding klachten niet altijd serieus neemt. / BR
A.L.C. van Loon-Dikkers, A.M.H. Heurter & G. Ledoux (2017), Tevredenheid van mbo-studenten over passend onderwijs. Amsterdam, Kohnstamm Instituut.

Bureaucratie blijft sowieso een veel genoemde klacht. De onderzoekers concluderen dat leraren ook administratieve verplichtingen van het bestuur of de inspectie steeds vaker aan passend onderwijs toeschrijven. Ten onrechte dus, en schadelijk voor het beeld van passend onderwijs.

Communicatie met ouders

Net als leraren blijven veel ouders hangen aan het woord ‘passend’ en hebben daar hoge verwachtingen van: hun voorkeurschool moet en zal onderwijs op maat bieden. Opvallend is wel dat het schoolondersteuningsprofiel, het document over ondersteuning die een school kan bieden, bij ouders onbekend is; de meesten hebben er nog nooit van gehoord. Uiteindelijk zoeken ze niet per se een school met de juiste deskundigheid, maar mensen die het met hun kind willen proberen. Communiceer open, adviseren de onderzoekers, want dat haalt de kou uit de lucht. Leg uit hoe het komt als een kind tijdelijk niet geholpen kan worden, bijvoorbeeld bij (langdurige) ziekte in het team.

Voor voorlichting wijzen de onderzoekers ook naar samenwerkingsverbanden en schoolbesturen. Wat ouders én scholen bijvoorbeeld verwarrend vinden, is de vraag welke hulp sinds de invoering van passend onderwijs wel en niet meer wordt gefinancierd. Scholen weten niet altijd welke middelen ze structureel krijgen vanuit het samenwerkingsverband en wat ze nog meer kunnen aanvragen. Al met al valt er de komende jaren dus nog genoeg te verbeteren.

Als het complex wordt
Soms vinden scholen het moeilijk om voor een passend aanbod te zorgen. Onderzoekers van het Kohnstamm Instituut en de CED-Groep brachten bij complexe gevallen in po, vo en mbo de knelpunten in beeld. Zo waren er veel leerlingen met een ongunstige thuissituatie. Leraren vinden het moeilijk om te erkennen dat ze niet goed weten wat ze moeten doen. Dit leidt tot onnodige vertraging, waardoor het zomaar een half jaar kan duren voordat een leerling de ondersteuning krijgt die hij nodig heeft. Medewerkers in het vo en mbo vragen zich soms af of hun ondersteuning en begeleiding juist te ver gaat. Ze zijn bang dat ze leerlingen te veel pamperen en vinden dat zij zich uiteindelijk toch zelf moeten kunnen redden. / BR
Corien van der Linden, Heleen van der Stege & José van der Hoeven (2017), Past elke leerling in Passend onderwijs? Een case-studie naar passend aanbod en het ontwikkelingsperspectief. Rotterdam, Kohnstamm Instituut/CED-Groep.

Mondige ouders
Hebben ouders van kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte wat te kiezen? Nee, de helft van de ouders niet, is de conclusie van Oberon. Onderzoekers interviewden zes ondersteunende organisaties en ouders van dertig leerlingen uit het po en vo. Vaak bleek er geen of maar één school geschikt, of viel de school niet te kiezen. Dat kwam bijvoorbeeld door de problematiek van het kind, de financiering of afwijzingen van scholen. Maar mondige ouders die doorzetten, bleken meer keuze te hebben. De informatievoorziening, communicatie en voortgang van het proces kunnen beter, vonden ouders. Sommigen voelden zich bovendien niet welkom, of vonden dat scholen hen niet serieus namen. / EG
Eck, P. van (Oberon),& Rietdijk, S. (CED-groep) (2017). Keuzevrijheid van ouders van kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte binnen passend onderwijs. Utrecht: Oberon.


Guuske Ledoux, Stand van zaken Evaluatie Passend Onderwijs. Deel 3: Wat betekent passend onderwijs tot nu toe voor leraren en ouders? Kohnstamm Instituut, 2017.
Dit rapport is onderdeel van de Evaluatie Passend Onderwijs door het NRO: https://www.nro.nl/evaluatie-passend-onderwijs-onderzoeksresultaten-juni-2017/ 

Dit artikel verscheen in Didactief, september 2017.

Verder lezen

Aarsen, E. van, Weijers, S., Walraven, M.,& Bomhof, M. (2017). Monitor samenwerkingsverbanden 2016: De voortgang van passend onderwijs volgens swv-directeuren. Utrecht: Oberon.

A.L.C. van Loon-Dikkers, A.M.H. Heurter & G. Ledoux (2017), Tevredenheid van mbo-studenten over passend onderwijs. Amsterdam, Kohnstamm Instituut.

Corien van der Linden, Heleen van der Stege & José van der Hoeven (2017), Past elke leerling in Passend onderwijs? Een case-studie naar passend aanbod en het ontwikkelingsperspectief. Rotterdam, Kohnstamm Instituut/CED-Groep.

Eck, P. van (Oberon),& Rietdijk, S. (CED-groep) (2017). Keuzevrijheid van ouders van kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte binnen passend onderwijs. Utrecht: Oberon

Heim, M., Wellner, H., & Elshof, D. (2017). Passend onderwijs bureaucratisch? Tweede vervolgmeting ervaren bureaucratie in de school. Amsterdam: Kohnstamm Instituut.

Meer, van der J. (2016). De bomen en het bos. Leraren en ouders over passend onderwijs. Amsterdam: Kohnstamm Instituut.

Verder lezen

1 Grenzen aan Passend onderwijs. Een casuïstisch onderzoek
2 Bureaucratie nog niet minder door Passend onderwijs
3 Samenwerkingsverbanden tevreden met voortgang passend onderwijs
4 Passend onderwijs op de werkvloer?
5 Passend onderwijs: niet voor alle oogappeltjes
6 Mbo’er tevreden over Passend onderwijs