Onderzoek

Passend onderwijs: niet voor alle oogappeltjes

Tekst Jelle van der Meer
Gepubliceerd op 16-06-2017 Gewijzigd op 03-11-2017
Beeld Shutterstock & Human Touch Photography
Passend onderwijs betekent maatwerk, maar het onderwijs is een collectieve activiteit. Er zit een grens aan individuele ondersteuning.

In 2016 trok ik langs basis- en middelbare scholen en sprak daar met leraren en ouders van ‘zorgleerlingen’, om te ontdekken of zij passend onderwijs hebben omarmd. Vijf jaar geleden, in maart 2012, zat de Amsterdamse Arena vol met 50 duizend leraren die luid ‘boe’ riepen tegen de Wet passend onderwijs en de bezuiniging van 300 miljoen euro die daaraan gekoppeld was. De demonstratie was de culminatie van jarenlang verzet tegen een wet die als doel heeft dat meer zorgleerlingen regulier onderwijs gaan volgen in plaats van speciaal onderwijs. Twee maanden na de manifestatie werd de bezuiniging geschrapt, en alle opwinding was op slag voorbij. Geruisloos ging de wet in, op 1 augustus 2014. En hoe zit het nu? Onderzoek, enquêtes en mediareportages tonen één constante: leraren hebben te weinig tijd, ze voelen een hoge werkdruk en passend onderwijs is de hoofdschuldige. Maar dat is niet het hele verhaal. Echt principieel tegen het idee van passend onderwijs zijn leraren nooit geweest; de weerstand zat en zit in de uitvoering. Passend onderwijs is onderdeel van een ontwikkeling binnen het onderwijs naar maatwerk en individualisering. En dat wringt, omdat onderwijs collectief is.

Alle vlekjes in beeld

De hoofdpijn van leraren begint bij de aantallen. Leraren zien steeds meer zorgleerlingen in de klas en wijten dat aan passend onderwijs, ‘want ze mogen niet meer naar de speciale school’. Maar uit cijfers blijkt dat het aantal leerlingen in het speciaal onderwijs niet of slechts beperkt is gedaald. Er is iets anders aan de hand. De ‘zorgleerlingen’ over wie leraren spreken, zijn niet alleen de kinderen met de klassieke stoornissen. Passend onderwijs verschuift de aandacht van gediagnosticeerde ‘zorgleerlingen’ naar elk kind waar je je zorgen over kan maken. Meer kennis, betere signalering vanwege de nadruk op preventie, en de introductie van volgsystemen brengen alle ‘vlekjes’ scherp in beeld. Deze kinderen zaten altijd al in de klas, maar moeten nu gezien, ondersteund, gecorrigeerd en gecompenseerd worden.

Passend onderwijs staat niet op zichzelf. Het sluit aan bij het opbrengstgericht werken, waarmee elke leerling systematisch gevolgd wordt op leerprestaties, opdat onmiddellijk kan worden ingegrepen en bijgestuurd. Die prestaties zijn niet snel goed genoeg: de ouders kijken mee, de onderwijsinspectie en de media ook. Opbrengstgericht werken vraagt om maatwerk op niveauverschillen, waar passend onderwijs om maatwerk vraagt op ondersteuningsverschillen; in de praktijk lopen deze twee in elkaar over. Het is geïndividualiseerd onderwijs, uit te voeren in een klassikale context.

Klassikale opgaveHet antwoord heet: differentiëren. Om in het basisonderwijs, met de grote niveauverschillen – hier zitten immers alle leerlingen nog bij elkaar – in aandacht en aanbod te differentiëren naar cognitie, gedrag, tempo, leerstijl, concentratievermogen in een klas van 25 tot 30 leerlingen vraagt veel organisatietalent. In onderwijsjargon heet dat klassenmanagement. Tijd is de bottleneck: basisschoolleerkrachten hebben een chronisch gevoel tekort te schieten, omdat ze weleens een kind uit het oog verliezen. In het voortgezet onderwijs worstelen leraren met de omslag van vakdocent naar ‘leerlingdocent’, die verschillen ziet en daarop inspeelt. Het klassieke leerstofjaargroepensysteem is een sta-in-de-weg: in een ritme van zes tot zeven keer per dag in 45 tot 50 minuten steeds dertig leerlingen voorbij zien komen – alsof het een lopende band is – maakt het niet makkelijk om vanuit de behoeftes van leerlingen te denken.

Waslijst

Het basis- en voortgezet onderwijs staan voor een nieuwe opdracht die uitgevoerd moet worden in ‘oude’ omstandigheden: met grote groepen en weinig assistentie, in lokalen en schoolgebouwen die nauwelijks ruimte bieden voor maatwerk. Door deze ontbrekende voorzieningen voelen leraren zich overvraagd. Passend onderwijs is daarbij kop van Jut.
Toch zullen leraren zelf ook aan de bak moeten. Intern begeleiders en zorgcoördinatoren wijzen erop dat het leraarsvak verandert en komen met een waslijst aan nieuwe vaardigheden, niet alleen differentiëren en klassenmanagement, maar ook zaken als signaleren, reflecteren, evalueren, werken met handelingsplannen en samenwerken. Het besef groeit dat leraren van elkaar kunnen en moeten leren. Het leraarschap als ‘baas in eigen klas’ gaat op de helling. Om leerlingen met al hun individuele verschillen te laten presteren, is veel coördinatie en afstemming nodig, van het bijhouden van volgsystemen tot afspraken over een gezamenlijke pedagogische en didactische aanpak. Lesgeven wordt steeds meer teamwerk. Individualisering van het onderwijs leidt tot verlies aan autonomie van de leraar.

Assertief

Een van de nieuwe vaardigheden is het afleggen van verantwoording. Leraren zuchten onder administratielast die voor henzelf maar beperkt nuttig is. Ze smeken om een beetje meer vertrouwen. Een andere vaardigheid is samenwerken met ouders. De houding van leraren tegenover ouders is tweeslachtig. Leraren weten dat ouders partner zijn, maar ze ervaren hen vaak als obstakel – of vanwege hun afwezigheid, of juist door een te actieve bemoeienis met hun werk als leraar. Passend onderwijs maakt die bemoeienis nog wat intensiever. De ouderbetrokkenheid in goede banen leiden, vraagt vaardigheid en kost tijd. En tijd is voor de leraar toch al schaars. Ouders voelen dit haarfijn aan. Ouders van kinderen met ondersteuningsbehoeftes klagen over de defensieve houding van leraren en scholen. Een assertieve houding is nodig, aldus ouders, want scholen zien de specifieke behoeftes van kinderen over het hoofd. Ouders komen op voor het belang van hun eigen kind, de ‘belofte’ van passend onderwijs stimuleert dat en beloont dat, maar het kan heel goed zijn dat ze te veel vragen. Niet alleen strijd met school ligt op de loer, maar ook concurrentie tussen ouders onderling: extra aandacht en steun wil elke ouder wel voor zijn kind. En het ene oogappeltje kan het andere in de weg zitten.
Het is, bij alle individualisering en maatwerk, goed om eraan te herinneren dat het onderwijs een collectieve zaak is. Het is altijd het kind én de klas (en de school). Om conflict en concurrentie te beperken, zou het gesprek tussen ouders en school vaker met alle ouders gezamenlijk gevoerd kunnen worden. Zodat ouders oog krijgen voor de groep. Aan de individualisering van het onderwijs zitten grenzen.



Jelle van der Meer is journalistiek onderzoeker. Dit artikel verscheen in iets andere vorm op de website van Sociale Vraagstukken en in het rapport De bomen en het bos. Leraren en ouders over passend onderwijs, geschreven in opdracht van NRO en te downloaden op evaluatiepassendonderwijs.nl.

Op 19 juni worden veel nieuwe onderzoeken naar passend onderwijs openbaar gemaakt. Didactief zal er online uitgebreid aandacht aan besteden.

Dit artikel verscheen in Didactief, juni 2017.
 

Bronvermelding

1 NRO-projectpagina