Onderwijs in feiten en meningen; feit of fictie?

Tekst Amos van Gelderen
Gepubliceerd op 09-11-2017
Amos van Gelderen - Tegenwoordig is er veel opschudding over zogenaamde nepfeiten, zaken die als waar worden voorgesteld maar het niet zijn. Mensen kunnen daardoor op het verkeerde been gezet worden, in samenzweringen gaan geloven, of ten onrechte bevestigd worden in hun vooroordelen over bepaalde bevolkingsgroepen (moslims, buitenlanders, de elite, vluchtelingen, de ‘media’, politici van welke richting dan ook of de regeringen van landen). Dat is dus een slechte zaak. Kan het onderwijs daar iets tegen doen?

Sociale mediaHelaas wordt in de berichtgeving over ‘nepfeiten’ vergeten dat dit helemaal geen nieuw fenomeen is. Al sinds mensenheugenis proberen mensen elkaar het hoofd op hol te brengen door te liegen en te bedriegen. Het enige nieuwe is dat deze leugens door middel van de sociale media een snellere en bredere verspreiding krijgen dan vroeger mogelijk was via mond-op-mond, papier, telegraaf, radio en televisie (in die volgorde ongeveer). Daardoor kan de impact van de leugens veel groter en directer zijn dan vroeger mogelijk was.

In de huidige paniek over deze ontwikkeling worden zogenaamde factcheckers ingezet, die mensen moeten waarschuwen dat berichten van dubieuze herkomst zijn, ongeverifieerd en/of pertinent onwaar. Deze aanpak heeft slechts een beperkt effect, aangezien mensen nu eenmaal graag willen geloven wat in hun straatje te pas komt. Bovendien roept het de vraag op wie de factcheckers checkt. Voor hetzelfde geld zijn de factcheckers trollen die volkomen bonafide waarheden ongeloofwaardig proberen te maken. In de virtuele wereld is immers niemand meer te vertrouwen!

Een alternatieve aanpak is om mensen meer weerbaar te maken tegen nepnieuws. In dat verband wordt gepleit om in het onderwijs (meer) aandacht te geven aan het onderscheid tussen feiten en meningen. 
Leerlingen zouden al zo vroeg mogelijk moeten leren zich kritisch te verhouden tegenover elke bewering die er gedaan wordt in het maatschappelijk verkeer.  (Niet tegen de schoolboekwijsheden uiteraard, want die zijn ‘onweerlegbaar’ – was het maar waar.) Zou dit de oplossing zijn van het probleem van de snelle verspreiding van leugens en nepfeiten?  Dit valt ernstig te betwijfelen. Mensen die pleiten voor onderwijs in feiten en meningen zien een belangrijk probleem over het hoofd. Om dit te verduidelijken, even een kijkje in het hoofd van de voorstanders.

Facebook en TwitterVolgens veel mensen zijn feiten en meningen tegengestelde uitersten van een continuüm. Aan het ene eind staan de feiten, onomstotelijke waarheden waar niemand omheen kan. Aan het andere eind staan de meningen, subjectieve uitingen van mensen die aan discussie onderhevig zijn. Zo ontstond er onlangs grote verontwaardiging over de ‘verwarring’ van feiten en meningen omdat sommigen durfden te beweren dat wetenschappelijke uitspraken ook maar ‘een mening’  waren. 
Begrijpelijkerwijs zijn veel mensen die zich professioneel met wetenschap bezighouden niet blij met een dergelijke diskwalificatie van hun harde werk. Iedereen kent de gang van zaken bij thema’s als klimaatverandering, waarbij de grote meerderheid van wetenschappers het erover eens is dat die te wijten is aan menselijk handelen (CO2 uitstoot), terwijl er toch enkele opponenten blijven (al of niet betaald door de fossiele industrie) die beweren dat het niet waar is. Is de mening van de overgrote meerderheid dan een feit en die van een minderheid een mening?

Iedereen die wel eens iets gelezen heeft over wetenschapsfilosofie weet dat het zo niet zit. Wetenschap is geen democratie waar door het tellen van het aantal stemmen bepaald wordt wie zijn zin krijgt. Sterker nog: in de geschiedenis zijn talloze momenten aan te wijzen waarin de meerderheid van de wetenschappers bakzeil moest halen tegenover de mening van enkele dissidenten. Nog niet eens zo lang geleden geloofde de meerderheid dat de aarde plat was en in het centrum van het heelal stond. Als de meerderheid bepaalt wat een feit is en wat een mening, dan komt de wetenschap nooit een stap vooruit en zouden we nog steeds moeten aanvaarden dat de platte aarde een feit is.

De eenvoudige tegenstelling tussen feit en mening berust op een illusie van het ‘gezonde verstand’.  Er zijn maar erg weinig feiten die we kunnen beschouwen als vaststaande waarheden waar ieLikedereen als vanzelfsprekend vanuit gaat. Ook wetenschappelijke ‘zekerheden’ zoals klimaatverandering, de evolutie, de geologische geschiedenis van de aarde en het ontstaan van de kosmos zijn bepaald niet onomstreden, zelfs niet binnen de kringen van wetenschappers. Bovendien zijn meningen in de openbare ruimte ook een soort feiten.
Ga maar na. Opiniepeilingen worden gehouden om te weten hoe mensen denken over de politiek. Dat zijn dus tot feit verklaarde meningen! Alles wat machtige politici verklaren als hun voornemen om te doen (of als rechtvaardiging daarvoor) wordt in de media (vooral de oude) gepresenteerd als belangwekkende en actuele feiten, terwijl het gaat om iets wat iemand (met veel macht uiteraard) vindt. Ook de meningen van de man en vrouw in de straat zijn een soort feiten. Als mensen zich onveilig voelen in hun buurt omdat ze denken dat de criminaliteit toeneemt, is dat een feit op zich, ook al vertellen de statistieken een heel ander verhaal. Sterker nog: het merendeel van wat media (ook de oude!) construeren als feitelijke informatie komt uit de mond van burgers die iets vinden. Hun meningen zijn tot feit gemaakt door de media.

Hoe moeten leerlingen in (bijvoorbeeld) de basisschool nu het onderscheid leren tussen feiten en meningen? Het risico is groot dat dit onderwijs ertoe gaat leiden dat kinderen denken dat meningen waardeloos zijn en dat alleen de feiten ertoe doen. Maar hebben we dan iets waardevols bereikt? Nee, natuurlijk niet. We hebben dan alleen bereikt dat ze een illusoire tegenstelling in hun hoofd hebben over de betekenis van de woorden ‘feit’ en ‘mening’.  Hun kwetsbaarheid voor manipulatie door onfrisse individuen wordt daardoor niet minder. Integendeel, die onfrisse jongens hoeven alleen maar het woord ‘feit’ op hun boodschap te plakken of ze worden al onvoorwaardelijk geloofd. Weg is de mooie intentie om leerlingen kritisch te maken tegenover beweringen van dubieus allooi.

Als we iets moeten leren over feiten en meningen, is het dat ze vaak dichterbij elkaar staan dan we denken. Laten we terugkeren naar de wetenschapsfilosofie waarin al honderden jaren wordt nagedacht over de vraag wat de status van wetenschappelijke kennis is. Daaruit is in de 20ste eeuw een heel bescheiden opvatting naar voren gekomen over de onomstotelijkheid van die kennis. Sterker nog, wetenschappelijke kennis is in principe juist veranderlijk. Wat we nu beschouwen als feitelijk, kan in luttele jaren plotseling fout blijken. De zogenaamde vaststaande feiten zijn in werkelijkheid theoretische constructen die bij een veranderde wetenschappelijke consensus waardeloos kunnen worden, of sterk gerelativeerd. In plaats van tegenover elkaar te staan, gaan meningen en feiten naadloos in elkaar over. Meningen in feiten, omdat de sociale wetenschappen en de media ze zo behandelen; feiten in meningen omdat feiten bestaan bij de gratie van aannames die we voor waar houden. Niet alleen de ‘gewone’ mens wil graag zijn vooroordelen bevestigd zien, ook de journalist en de wetenschapper willen dat. Als we dat maar vaak genoeg doen, gaan we onze aannames tot feit bombarderen, totdat we wakker geschud worden door een volgende ontwikkeling.

Is er dan geen manier om nepfeiten te ontmaskeren? Jawel, door je zo veelzijdig mogelijk te informeren over de geclaimde feiten en door de bronnen kritisch te evalueren. Wie heeft er belang bij dat we dit geloven? En waarom? Ik ken wel enkele bronnen waar je bij voorbaat van kunt zeggen dat ze onbetrouwbaar zijn. In het Engels: The medium is the message. (McLuhan, 1964). Dat betekent niet dat alles wat op facebook of twitter staat een nepfeit is. Maar wel dat we goed moeten kijken naar wie dat medium gebruikt en waarvoor. In het onderwijs zouden we leerlingen moeten leren hoe ze onbetrouwbare bronnen kunnen herkennen aan uiterlijke kenmerken, vergelijkbaar met de herkenningspunten van spam. Wie heeft het verzonden? Wat weten we over die persoon? Hoe krakkemikkig is het taalgebruik? Wat zou het motief kunnen zijn? Dat bespaart een hoop tijd. Naar bruikbaar lesmateriaal hoeven we niet lang te zoeken. Uw mailbox, facebook of twitteraccount zit er vol mee. Maar laten we de oude media niet vergeten, ook al lezen jongeren die nauwelijks meer.

Amos van Gelderen is onderzoeker aan het Kohnstamm Instituut.

Deze column is eerder hier verschenen.

Een ogenblik geduld...