Nieuws

PISA-kansen: vier dompers en een opkikker

Tekst Jo Kloprogge
Gepubliceerd op 19-11-2020 Gewijzigd op 24-11-2020
Jo Kloprogge - Onderwijs weet steeds minder te compenseren voor de effecten van gezinsfactoren. In het meeste recente Pisa-onderzoek dat vandaag gepubliceerd is, scoren Nederlandse kinderen van ouders met een laag opleidingsniveau op leesvaardigheid, wiskunde en natuurwetenschappen op alle meetmomenten het laagst; ze dalen ook nog significant harder dan andere leerlingen, meisjes en jongens.

Vandaag verscheen de derde en laatste publicatie van het Pisa-onderzoek 2019. Na leesvaardigheid en welbevinden is het thema kansenongelijkheid nu aan de beurt voor een verdieping. De gegevens waarop dit rapport is gestoeld, zijn een droom voor iedere onderzoeker. Van een steekproef van 4500 15-jarigen zijn er toetsgegevens op leesvaardigheid, wiskunde en natuurwetenschappen. Het betreft daarbij niet zomaar een momentopname, maar ze beslaan een tijdsperiode van 15 jaar, met zes metingen tussen 2003 en 2018. Van alle leerlingen is op die meetmomenten bekend, waar ze zich bevonden in het voortgezet onderwijs. En het is mogelijk uit te splitsen naar sekse, opleiding van de ouders, en naar migratieachtergrond. En alsof dat nog niet genoeg is, zijn er ook nog gegevens over ouderlijke hulpbronnen. Het gaat dan om educatieve hulpmiddelen, culturele bezittingen en welvaart. Daar word je natuurlijk gewoon blij van.

Minder blij worden we van de (soms complexe) uitkomsten, die door de onderzoekers overigens leesbaar, helder en uitputtend zijn opgeschreven.
 

Harde daling

Allereerst zijn (dat wisten we al uit eerdere publicaties) de scores van Nederlandse leerlingen voor leesvaardigheid, wiskunde en natuurwetenschappen fors gedaald tussen 2003 en 2018. Hoewel soms wordt beweerd dat het wel meevalt met wiskunde en natuurwetenschappen, is dat niet juist. Er is alleen af en toe een breukje in de ontwikkeling. In de media was er tot nu toe vooral veel aandacht voor die 24% van de kinderen, die volgens Pisa onvoldoende geletterd zijn. Sommige commentatoren roepen triomfantelijk dat ze dus niet láággeletterd zijn, maar een trapje hoger. Helaas mensen: je kunt volgens de heersende definities pas laaggeletterd zijn als je zestien jaar bent. De kinderen uit het onderzoek waren 15. De Pisa-onderzoekers spreken daarom van onvoldoende geletterd, met kans op laaggeletterdheid.

Hoe zit het nu met de kinderen van ouders met een laag opleidingsniveau? Wel, hun scores op leesvaardigheid, wiskunde en natuurwetenschappen zijn niet alleen op alle meetmomenten het laagst, ze dalen ook nog significant harder dan die van andere leerlingen. En dat geldt zowel voor meisjes als voor jongens. We moeten dus concluderen dat het onderwijs steeds minder weet te compenseren voor de effecten van gezinsfactoren.

We voeren het drama een beetje op. In het onderzoek is ook gekeken naar de onderwijspositie. En dan blijkt dat de kans om op het havo of vwo te zitten voor meisjes en jongens met middelbaar en hoogopgeleide ouders is toegenomen in de onderzochte periode. Voor meisjes en jongens met ouders die laagopgeleid zijn, is echter juist een afname geconstateerd.
 

Meritocratie

Deze verschillen in onderwijspositie kunnen natuurlijk veroorzaakt worden door de verschillen in toetsscores tussen kinderen met ouders van verschillende opleidingsniveaus. Inderdaad wordt het effect van sociale herkomst dan aanmerkelijk kleiner. Maar als we twee kinderen met dezelfde prestaties, de een met hoog opgeleide en de andere met laagopgeleide ouders, vergelijken, heeft de leerling met laagopgeleide ouders nog altijd een kleinere kans zich in het havo/vwo te bevinden dan de leerling met hoogopgeleide ouders. Het gaat dus niet goed met de strijd voor meritocratie in het onderwijs, waarbij kinderen de schoolloopbaan gegund wordt die past bij hun prestaties.

We gaan nu kijken naar de effecten van de (niet-westerse) migratieachtergrond. Die overlapt natuurlijk deels met het opleidingsniveau, maar heeft volgens de onderzoekers ook eigenstandig invloed. En daarin hebben ze gelijk. Leerlingen met een migratieachtergrond scoren hier lager dan andere leerlingen en de verschillen in toetsscores leesvaardigheid tussen leerlingen met en zonder migratieachtergrond zijn toegenomen tussen 2003 en 2018. Tot zover geldt de wet van continuering van ellende. Bij wiskunde en natuurwetenschappen is er echter een ander patroon. Ook hier zien we dat meisjes en jongens met een migratieachtergrond aanzienlijk lagere toetsscores behalen dan meisjes en jongens zonder migratieachtergrond. En de daling bij jongens is groter dan gemiddeld tussen 2003 en 2018. Maar de daling is bij meisjes met een migratieachtergrond significant kleiner dan gemiddeld.

Dan moeten we nog naar het effect van etnische herkomst op de onderwijspositie kijken. Etnische herkomst heeft op zich een negatieve invloed op de onderwijspositie. Kinderen met een migratieachtergrond komen minder vaak terecht op havo/vwo. Maar de meisjes met een migratieachtergrond zijn hier bezig met een inhaalslag. Het verschil met meisjes zonder migratieachtergrond wordt in de loop der jaren kleiner. Voor jongens gaat dit echter niet op. Zij blijven in hun schoolloopbaan steeds verder achter op jongens zonder migratieachtergrond.
 

Migrantenkinderen

Een opmerkelijk patroon ontvouwt zich ten slotte als we kijken naar de onderwijspositie, rekening houdend met de toetsscores. Migrantenleerlingen, zowel jongens als meisjes bevinden zich, vergeleken met leerlingen zonder migratieachtergrond, gemiddeld genomen vaker in het havo of vwo dan op basis van hun toetsprestaties mag worden verwacht. Dit effect wordt wel iets minder in de loop der jaren. Het is een resultaat dat nogal afwijkt van eerder onderzoek, waarbij vaak het tegenovergestelde patroon naar voren kwam.

De onderzoekers zien hier twee mogelijke verklaringen. Het kan zijn dat migrantenleerlingen (en hun ouders) een hoger ambitieniveau hebben dan leerlingen zonder migratieachtergrond. Het is ook mogelijk dat docenten aan leerlingen met een migratieachtergrond het voordeel van de twijfel gunnen wanneer hun toetsprestaties wat tegenvallen. En natuurlijk kan het ook zijn dat beide verklaringen kloppen.

Niet zo merkwaardig is dat de verschillen naar opleidingsniveau en migratieachtergrond kleiner worden, als gekeken wordt naar de educatieve hulpmiddelen, culturele bezittingen en welvaart van de ouders. Dat komt in alle analyses naar voren. Dit gegeven grijpen de onderzoekers aan bij het formuleren van beleidsaanbevelingen. Een belangrijke sleutel tot succes als het gaat om het verminderen van kansenongelijkheid is naar hun mening om ervoor te zorgen dat educatieve hulpmiddelen, culturele bezittingen en welvaart gelijker verdeeld raken over leerlingen, ongeacht hun sociale en etnische herkomst, en uiteindelijk zelfs toegankelijk zijn voor iedereen. En waar dit niet het geval is, moet gekeken worden naar compensatie via de scholen. Bijvoorbeeld via huiswerkbegeleiding en bijlessen.

Omdat dit rapport verschijnt binnen het schootsbereik van de Tweede Kamer-verkiezingen, zou het wellicht een wake up call voor onderwijsbeleidsmakers kunnen zijn. We willen toch niet qua onderwijs de zieke man in Europa worden, lijkt me. Ik vat daarom nog even alles in een paar puntjes samen:

  • De scores van 15 jarige leerlingen in het voortgezet onderwijs op leesvaardigheid, wiskunde en natuurwetenschappen zakken (ongeacht hun thuissituatie)  steeds verder weg in de periode 2003 -2018;

  • Kinderen van laagopgeleide ouders blijven in die periode steeds verder achter bij kinderen van hoog opgeleide ouders op alle drie de genoemde domeinen;

  • Zelfs bij gelijke prestaties als kinderen van hoger opgeleide ouders, komen ze minder  vaak terecht in de bovenkant van het voortgezet onderwijs, dus op havo/vwo;

  • Kinderen uit migrantengezinnen blijven ook steeds verder achter en dat geldt met name voor jongens;

  • Meisjes uit migrantengezinnen slagen er op een aantal punten in hun achterstand te verkleinen.

Inmiddels weten we dat door de gevolgen van de corona maatregelen de achterstanden van kinderen van laag opgeleide ouders extra zijn toegenomen, boven op wat we in het Pisa-onderzoek zien. De hierboven gepresenteerde informatie onderschat dus nog de omvang van de groeiende onderwijskloof tussen kinderen uit verschillende sociale milieus. We zijn hard op weg naar een tweedeling in ons onderwijsbestel, met de kinderen van laag opgeleide ouders en de migrantenjongens als de grote verliezers.

Ik rond daarom af met de misschien wat gewaagde stelling dat een leesoffensief niet voldoende zal zijn om de hier geschetste ontwikkeling te keren.
 

Aalders, P., van Langen, A.M.L., Smits, K., van den Tillaart, D., & Wolbers, M.H.J. (2020). PISA-2018 De verdieping: Kansenongelijkheid in het voortgezet onderwijs. Nijmegen: KBA Nijmegen.

https://www.pisa-nederland.nl/

Click here to revoke the Cookie consent