Onderzoek

Armoede schaadt leerprestaties

Tekst Winnifred Jelier
Gepubliceerd op 10-12-2019 Gewijzigd op 02-03-2020
DUO en Didactief bevroegen zevenhonderd leraren in het po: bijna een derde vindt dat de school meer kan doen voor leerlingen die opgroeien in armoede. Een goed voorbeeld stelt de gemeente Groningen, waar brugfunctionarissen nauw samenwerken met school en ouders. Onderzoekers zien dat dit zin heeft.

‘Sommigen dragen altijd oude kleding of komen zonder brood op school. Ze gaan zelden op vakantie, als ze al op vakantie gaan. Anderen kunnen hun huiswerk niet maken, omdat ze thuis geen computer hebben,’ zegt Mucahide Temizkan, leerkracht van groep 6 op ibs Ababil in Schiedam. Haar school staat midden in een wijk waar veel gezinnen rond de armoedegrens zweven.

In Nederland groeit ongeveer één op de negen kinderen op in armoede, volgens cijfers van de Kinderombudsvrouw. Hun ouders hebben geen werk of verdienen zo weinig dat ze moeite hebben om rond te komen. Thuis zijn er vaak zo veel zorgen dat kinderen gestrest op school komen en zich niet goed kunnen concentreren.
Al jaren wijst de Kinderombudsvrouw erop dat het armoedebeleid voor deze kinderen tekortschiet. Voorzieningen zijn vaak gericht op (tijdelijke) verbeteringen buitenshuis, terwijl aan de instabiele thuissituatie niets of weinig verandert, schrijft ze in het rapport Alle kinderen kansrijk (2017). Een integrale aanpak is nodig: een intensieve samenwerking tussen gemeente, zorginstanties en het onderwijs. Alleen een subsidie hier en daar voor schoolspullen of zwemles is niet genoeg.
 

Geen verjaardagscadeau

Scholen spelen een belangrijke rol in zo’n integrale aanpak, stelt de Kinderombudsvrouw. Zij horen het vaak als eerste als kinderen problemen ondervinden door het geldgebrek van hun ouders.
Maar opvallend vaak weten scholen eigenlijk niet wat ze moeten doen om deze kinderen te helpen, zegt Annelies Kassenberg, associate lector aan de Hanzehogeschool Groningen. ‘De meeste leraren staan als verlamd als ze voor de eerste keer een jarige leerling horen vertellen dat hij geen cadeau van zijn ouders heeft gekregen. Als je nooit nadenkt over de gevolgen van armoede voor een kind, dan weet je niet wat je moet doen als je ermee te maken krijgt.’

Bewustwording is dan ook een belangrijke stap, merkt ook Temizkan. ‘We zijn er op school steeds meer met elkaar over gaan praten. Dat is uiteindelijk het belangrijkste gebleken om echt iets te verbeteren. Armoede mag geen taboeonderwerp zijn. Het kan ook jou overkomen. Pas als je dat beseft en die kinderen niet zielig gaat maken, kun je iets voor ze betekenen.’

Vage grenzen

Veel leraren vinden dat hun school méér kan doen voor kinderen die opgroeien in een gezin met weinig geld, blijkt uit een enquête die DUO en Didactief uitzetten onder zevenhonderd leerkrachten. Maar liefst 28,4% zegt dat de school te weinig onderneemt.

Maar in hoeverre is het aan de school om deze kinderen te helpen? Hebben zij met hun onderwijstaak, de invoering van passend onderwijs en het maar aanhoudende lerarentekort niet al meer dan genoeg op hun bord? Ja, zeggen de leraren en bestuurders die Didactief sprak voor dit artikel, maar: die grens is niet zo makkelijk te trekken. Armoede beïnvloedt immers de leerprestaties: geen ontbijt, slechte schoolspullen, veel rumoer thuis – dat zijn allemaal factoren waardoor kinderen minder uitgerust en gefocust op school zitten. Ze onthouden lesstof minder goed, hebben meer moeite met plannen en vinden het lastiger om keuzes te maken (zie rapport Alle kinderen kansrijk2017). Dit blijkt ook uit de enquête: de meeste leerkrachten zien dat armoede onder hun leerlingen nadelig uitpakt voor de leerprestaties (54,1%) en sociaal-emotionele ontwikkeling (76,6%).

Goed nieuws is dat ingrijpen leraren nauwelijks extra tijd hoeft te kosten, zegt lector Kassenberg, die samen met Mariëtte Lusse (Hogeschool Rotterdam) onderzocht hoe je als school deze leerlingen kunt helpen. In opdracht van de overheid schreven ze een handreiking die in februari 2020 verschijnt. Kassenberg: ‘Het roer moet bij veel scholen wel om, vooral als armoede een groot deel van je leerlingen treft en je hier weinig mee doet.’
 

Armoede komt zelden alleen


Kinderen uit arme gezinnen hebben meer kans op een taalachterstand en leer- en ontwikkelproblemen. De inspectie signaleerde begin 2019 in de Staat van het Onderwijs opnieuw dat op sommige scholen veel van deze kwetsbare leerlingen bij elkaar zitten. Op deze scholen is de werkdruk extra hoog en wordt het lerarentekort vaak als eerste zichtbaar.

 

Woud van regelingen

De gemeente Groningen heeft de aanmoediging van de Kinderombudsvrouw niet in de wind geslagen. Op veertien scholen in de stad zijn brugfunctionarissen aangesteld, betaald door de gemeente. Zij helpen ouders met lage inkomens hun weg te vinden in het woud van subsidieregelingen en dienen aanvragen voor hen in.

Zo ook bij De Kleine Wereld, een christelijke basisschool met twee locaties in wijken met overwegend gezinnen met lage inkomens. Simone Smit begon hier drie jaar geleden als brugfunctionaris naast haar werk als intern begeleider en leerkracht. Het bleek cruciaal dat ze de school van binnenuit kent. ‘Voor dit werk ben je afhankelijk van een goede band met de ouders. Ze moeten je volledig kunnen vertrouwen. Zo’n band bouw je niet van de ene op de andere dag op, daar gaan soms jaren overheen.’ Inmiddels merkt ze dat ouders gemakkelijk op haar af stappen. ‘Ik sta elke ochtend bij de deur van de school. Ik zie alle ouders en groet iedereen. Soms hebben ze hun bankafschriften al in de hand als ze me zien.’


Taalbarrière

De Kleine Wereld heeft goed zicht op de ‘doelgroepgezinnen’, zegt Smit. ‘Aan het begin van elk schooljaar stuurt de gemeente een brief rond over de tegemoetkoming in de ouderbijdrage die ouders bij ons kunnen inleveren. Dan weten we vaak al snel hoe de vlag erbij hangt.’ In alle correspondentie waarin de school om bijdragen vraagt, staat Smit genoemd als contactpersoon. Ouders kunnen immers ook in de loop van het schooljaar in armoede vervallen, doordat ze ineens hun baan verliezen of ziek worden. De meesten komen met specifieke vragen, zoals verzoeken om een vergoeding voor schoolspullen, maar vaak blijkt dat de hulpvraag veel breder is. ‘Sommigen zijn analfabeet en hebben niemand om op terug te vallen. Anderen spreken de taal niet en vinden het al eng om de telefoon op te nemen.’

Elke zes weken overlegt Smit met andere brugfunctionarissen uit de regio over veranderde regelingen en ervaringen. ‘Ons werk gaat verder dan de taak van het onderwijs. Sommige collega’s gaan mee naar de huisarts. We melden kinderen aan voor sportles als een ouder dit zelf niet kan. Het gaat soms heel ver.’

Maar het heeft zin, zien onderzoekers als Kassenberg. ‘Armoede gaat vaak over van ouder naar kind. Wil je die keten doorbreken, dan zijn zulke ingrijpende maatregelen nodig.’

Teamtraining

Leraren zijn een essentiële schakel in dit verhaal: zij kunnen het als eerste signaleren als er problemen zijn. Smit: ‘Heeft een kind nog steeds zomerschoenen aan, terwijl het al weken tegen het vriespunt is, dan is het vaak de leerkracht die dit als eerste merkt.’ Om zulke signalen nog beter op te pikken, gaat haar team binnenkort op training bij de gemeente. ‘Dan krijgen we praktische tips en informatie over feiten en fabels. Dat maakt het hopelijk makkelijker om dit soort kwesties bij de ouders aan te kaarten. Je moet als leerkracht immers snel kunnen navragen wat er speelt zonder dat het ongemakkelijk wordt.’

Signaleren is belangrijk, maar maak het onderwerp ook bespreekbaar in de klas, zegt Kassenberg. ‘Kijk bijvoorbeeld samen eens hoe kinderen in andere landen het hebben en ga vergelijken. Ook al praten jullie dan in algemene zin over armoede, dat verlaagt wel de drempel voor leerlingen om over hun eigen situatie te vertellen.’

Temizkan van ibs Ababil: ‘Tijdens het kringgesprek vraag ik mijn leerlingen weleens waar ze dankbaar voor zijn. Dan zeggen sommigen dat ze blij zijn dat er brood op tafel staat of dat ze naar school kunnen. Armoede is natuurlijk overal.’

 

Hoe gaat het met je leerling?

  • Stel je leerlingen vragen: hebben ze het goed thuis? Kunnen ze hun huiswerk maken als dat nodig is? Bespreek problemen met de ouders.

  • Kijk bij leer- of gedragsproblemen of ze herleidbaar zijn tot armoede. Vermoeidheid of gebrek aan concentratie kan ontstaan door geldzorgen thuis.

  • Praat met leerlingen over hoe geld je leven kan beïnvloeden. Laat ze nadenken over de situatie in andere landen en deze met hun eigen situatie vergelijken.

  • Bedenk waar gevoeligheden kunnen liggen voor kinderen die opgroeien in een gezin met weinig geld: in plaats van te vragen naar welk land ze op vakantie zijn geweest, kun je ze beter vragen wat ze gedaan hebben toen ze vrij waren.

  • Grijp altijd in bij pesten, dus ook als kinderen niet in de laatste mode lopen of nooit brood mee hebben.

 

    Kanaleneiland

    Op sommige scholen is armoede onder leerlingen zo aan de orde van de dag dat het nauwelijks nog opvalt, zoals bij obs De Panda in Utrecht. Directeur Els Haak: ‘Wij staan midden in Kanaleneiland, een wijk met de hoogste werkloosheidscijfers van de stad.’ Meer dan drie kwart van haar leerlingen komt uit gezinnen die moeite hebben om rond te komen.

    Tijdens huisbezoeken schrikken haar leerkrachten soms van wat ze aantreffen. ‘Nauwelijks meubels, gedeelde slaapkamers, geen computer.’ De school houdt de ouderbijdrage bewust laag. Ook komt elke maand het buurtteam langs om ouders te helpen met vergoedingen aanvragen en de school maakt gebruik van diverse fondsen. ‘Zo hebben we dankzij het Jeugdeducatiefonds nieuwe muziekinstrumenten kunnen aanschaffen en een laboratorium waar kinderen proefjes kunnen doen. Met de ABN AMRO Foundation hebben we schoolreisjes naar Enkhuizen en Scheveningen georganiseerd. Zonder die initiatieven hadden we dat allemaal nooit kunnen doen. Zo simpel is het.’

    ‘Onze missie is dat armoede nooit een struikelblok is. We zoeken altijd een weg om iedereen te betrekken,’ zegt Sarina Vergunst, die als leerkracht van groep 3 en onderbouwcoördinator op De Panda werkt: ‘De gemeente helpt. Zo was het dankzij de gemeente enkele jaren geleden mogelijk dat leerlingen en hun ouders de Dom konden bezoeken. Iedereen de kerktoren op en af. Dat was geweldig.’

    Vergunst is blij dat tijdens zulke activiteiten iedereen welkom is en ze dus niet hoeft te vragen naar de financiële situatie. ‘Wat moet ik dan zeggen? “Heeft u misschien geldproblemen?” Nee, dat vraag ik liever niet.’


    Schaamte in rijke buurten

    De leerlingen op De Panda pesten elkaar volgens Haak en Vergunst nooit om hun geldgebrek. Haak: ‘Leerlingen herkennen elkaars situatie. Ze zitten in hetzelfde schuitje.’ Wel zal de overgang naar de middelbare school sommigen nog hard gaan vallen, denkt Haak. ‘Nu zijn ze allemaal nog hetzelfde, maar dan springen de verschillen in het oog.’

    Juist daarom is het goed om het onderwerp op de agenda te houden, stelt onderzoeker Kassenberg. ‘Blijf er met elkaar over praten. Je kunt als leraar de geldproblemen van ouders niet oplossen, maar je kunt wel helpen door armoede uit de taboesfeer te houden en goed door te verwijzen.’

    Dat advies geldt ook voor scholen in welvarende buurten. Kassenberg: ‘Ook daar heb je leerlingen die opgroeien in een gezin met een laag inkomen, ook al zie je het niet direct. Juist deze leerlingen en hun ouders doen vaak hun best om hun armoede te verbergen. De schaamte kan groot zijn. Let dus goed op en geef informatie over subsidieregelingen aan alle ouders, zodat je stigmatisering voorkomt. Ouders zetten soms alles opzij om de school voor hun kind te kunnen betalen. Extra hulp kunnen ze vaak goed gebruiken.’

    Te veel hulp?

    Maar soms wringt er iets bij leraren, merkte Kassenberg tijdens gesprekken voor haar onderzoek. ‘Sommige leerkrachten storen zich aan ouders die de hulp vanzelfsprekend vinden en zelf geen moeite lijken te doen om hun situatie te veranderen. Dan zien ze tijdens een schoolontbijt ouders zonder gêne in de bakken graaien, en dat steekt.’ Maar uiteindelijk ben je er als leerkracht dan ook niet voor de ouders. Kassenberg: ‘Laat de kinderen zien dat het anders kan, ook als ouders die indruk niet bevestigen. Belangrijk is dat kinderen gaan beseffen dat de situatie waar ze in zitten, niet altijd zo hoeft te blijven.’

    ‘Niemand kiest dit,’ reageert leerkracht Temizkan. ‘De meeste ouders die we hulp aanbieden, willen eerst zelf proberen hun problemen op te lossen. Soms komen ze eruit, maar als het ze niet lukt, is het goed te weten dat ze ergens op kunnen terugvallen. Dat geeft ze rust.’
     

    In een ideale wereld

    Maar is het uiteindelijk allemaal genoeg? De Alliantie Kinderarmoede, een landelijk initiatief dat begin dit jaar werd gelanceerd, beoogt dat armoede onder kinderen in Nederland in 2030 zal zijn uitgebannen. Kunnen gemeenten helpen door scholen tot een lagere ouderbijdrage te dwingen, zoals Amsterdam onlangs deed?

    Al jaren wijzen hoogleraren als Herman van de Werfhorst en Guuske Ledoux erop dat segregatie in het onderwijs juist enkel toeneemt: verschillen tussen leerlingen worden groter. Welvarende ouders sturen hun kinderen naar scholen met kinderen van andere welvarende ouders en huren commerciële huiswerkbureaus in om ervoor te zorgen dat hun kind uiteindelijk een goede vervolgopleiding kan krijgen. ‘Goedbedoelende clubs’ proberen tegengas te bieden, ziet Haak. ‘We worden bedolven onder aanbiedingen van vrijwilligers die onze leerlingen willen helpen. Geweldig natuurlijk, maar de kwaliteit laat soms te wensen over of het gaat om eenmalige initiatieven.’ Het is uiteindelijk misschien een achterhoedegevecht, zoals de gefrustreerde schooldirecteur Eric van ’t Zelfde in april 2016 liet blijken tijdens het jaarlijkse congres van de onderwijsinspectie: ‘Dit gaat niet lang meer goed, mensen.’
    Maar weinig gevechten zijn belangrijker. Temizkan: ‘Als we horen dat een gezin uit huis dreigt te worden gezet, houden we een inzamelingsactie. We doneren tweedehands meubels aan families die zelf niets hebben. Dat hoeven we niet te doen, nee. Maar we doen het toch. Waarom? Omdat we elkaars medemensen zijn.’

     

    Betaalbaar uitje

    • Werk als school aan een integrale aanpak, waarbij je nauw samenwerkt met de gemeente en zorginstanties.

    • Wijs een vast aanspreekpunt aan in de school waar ouders en leerkrachten terechtkunnen met vragen over subsidieregelingen en voorzieningen.

    • Geef alle ouders dezelfde informatie om stigmatisering te voorkomen. Ouders kunnen ook gedurende de schoolloopbaan van hun kind in armoede vervallen.

    • Maak de ouderbijdrage zo laag mogelijk. Houd schooluitstapjes betaalbaar en zorg dat iedereen mee kan.

    • Help leraren om aan een goede band met de ouders te werken, zodat ouders het eerder zeggen als ze in de financiële problemen raken. Rooster genoeg tijd in voor oudergesprekken en organiseer koffie- of themabijeenkomsten waar ouders informeel met leraren en elkaar kunnen praten.

    • Wees duidelijk tot waar de verantwoordelijkheid van leraren reikt: belangrijkste is dat ze goed doorverwijzen (bijvoorbeeld naar Stichting Leergeld of het Jeugdsportfonds). Ze hoeven niet de geldproblemen van ouders op te lossen.

    • Bied kinderen de mogelijkheid om op school huiswerk te maken, voor het geval ze thuis geen goede werkplek hebben.

    • Ook als je school in een welvarende buurt staat, is er kans dat je leerlingen hebt die opgroeien in een gezin met een laag inkomen. Let goed op, want juist deze leerlingen en hun ouders doen er vaak alles aan om hun armoede te verbergen.

     

    Toolkit “Kinderen in Armoede Zien” ​

    Deze toolkit biedt diverse invalshoeken om aan de slag te gaan met opgroeien en opvoeden in armoede. Er worden vier thema's uitgewerkt: armoede signaleren, schaarste en (zelf)redzaamheid, veerkracht versterken / executieve functies, en geld en geweld. 

     

    Dit artikel verscheen in Didactief, december 2019.

    Click here to revoke the Cookie consent