Zombies

Tekst Jacques Vriens
Gepubliceerd op 11-07-2014
Jacques Vriens - Vorige week zag ik het weer, toen ik even stopte bij een benzinepomp langs de A2. Naast mij stond een auto met twee jonge kinderen achterin die als zombies naar een schermpje staarden. Ze keken naar Knabbel en Babbel.

Zo langzamerhand is er dus geen plek meer te vinden waar géén scherm, laptop, i-pad of computer is.

Natuurlijk weet ik dat kinderen veel kunnen opsteken van deze media. Mijn oudste kleinzoon is een groot vissenkenner geworden dankzij de tv-zender National Geographic. Maar gelukkig worden hij en zijn zusje nog altijd voorgelezen. Dat kan ook niet anders, want hun vader is door zíjn ouders ook geïndoctrineerd met boeken.

Uit onderzoek blijkt dat kinderen die van jóngs af aan worden voorgelezen over circa vierduizend woorden beschikken (actief en passief) als ze in groep 1 komen. Jonge kinderen die niet of weinig zijn voorgelezen hebben op dat moment een woordenschat van ongeveer duizend (!) woorden en beginnen dus met een grote achterstand.

Voorlezen is verbeelding, fantasie, empathie, letters en woorden leren kennen en ontdekken dat verhalen een structuur hebben.

Mijn ouders lazen mij en mijn broer bijna nooit voor, want als hoteleigenaren hadden ze het altijd druk. Daarom ben ik de 'broeders', bij wie ik in de jaren vijftig in Brabant op school zat, nog steeds dankbaar. Bij hen was voorlezen een dagelijks ritueel.

Meestal ging het over de brave katholieke cowboy Arendsoog of de twee 'Roomsche' kabouters Puk en Muk. Het irriteerde mij wel dat de broeders op spannende momenten stopten, dus besloot ik op een dag naar de bieb te gaan en de boeken zelf te gaan lezen.

In de bieb zette juffrouw Van Boxtel mij op het spoor van andere verhalen die meer diepgang hadden dan Arendsoog; waarin échte kinderen en volwassenen voorkwamen. Maar ik werd wel een lezer dankzij Arendsoog en Puk en Muk.

Paul Vierboom, de helaas te vroeg overleden enthousiaste boekenman van de Oscar Romeroschool in Rotterdam, zei ooit tegen mij: 'Er zijn nog té veel kinderen die thuis maar één boek hebben: het telefoonboek. Daarom zou elke juf of meester minstens drie keer per week moeten voorlezen. Als je dat acht jaar lang doet, leren kinderen toch heel wat boeken kennen.'

Laatst was ik op een school en daar had een juf het nog anders opgelost. Zij vertelde mij dat ze moeite had met voorlezen. Daarom deed ze de gordijnen dicht, stak een paar waxinelichtjes aan en zette een luisterboek op. De kinderen vonden het heerlijk. En de juf ook.

Er zijn tegenwoordig volop luisterboeken beschikbaar (ook van mijn boeken, zei de schrijver bescheiden). Oók voor de ouders van die twee zombies op de achterbank.

Jacques Vriens, kinderboekenschrijver en eerste kinderboekenambassadeur.

Een ogenblik geduld...

Vriend en vijand

Click here to revoke the Cookie consent