Over tieners, onderwijs en de voorwaarden voor ontwikkeling
In gesprek met Jelle Jolles n.a.v. Het tienerbrein – een ander perspectief
Jongeren lijken kwetsbaarder dan voorheen. Leraren en ouders signaleren concentratieproblemen, een verminderd welbevinden en onzekerheid over verwachtingen en toekomst. De neiging is groot om die zorgen bij jongeren zelf neer te leggen. Jolles draait dat perspectief in zijn nieuwe publicatie om. Niet de jongere is het probleem, maar de mismatch tussen wat wij vragen en de neuropsychologische vaardigheden die jongeren tot dan toe hebben opgedaan.
De adolescentie is geen korte overgangsfase, maar een lange ontwikkelingsperiode die ruwweg loopt van tien tot vijfentwintig jaar. In die jaren rijpen hersengebieden die cruciaal zijn voor plannen, zelfinzicht, zelfregulatie, het overzien van consequenties en het omgaan met de intenties en emoties van anderen. Jongeren zijn dus volop in ontwikkeling. Toch behandelen we hen vaak alsof ze al ‘af’ zijn, stelt de emeritus-hoogleraar neuropsychologie.
Dat leidt tot verwachtingen die zij nog niet kunnen waarmaken. We vragen zelfstandigheid, overzicht en eigenaarschap, terwijl de basisvaardigheden daarvoor nog in opbouw zijn. Gedrag dat in het onderwijs wordt gezien als onwil, is volgens Jolles vaak onvermogen. Die misinterpretatie vergroot onzekerheid en een matig welbevinden bij jongeren, en frustratie bij volwassenen.
Een hardnekkig idee in het onderwijs is dat jongeren zelf de regie over hun leerproces kunnen voeren. Autonomie wordt gezien als voorwaarde voor motivatie. Neuropsychologisch gezien is dat een overschatting. De meeste tieners missen nog het taalvermogen, het zelfinzicht en het toekomstbesef om werkelijk regie te voeren en bovendien hebben ze nog onvoldoende inzicht in ‘de wereld’ om goede keuzen voor hun eigen toekomst te maken.
Vrijheid zonder duidelijke kaders en met onvoldoende zicht op ‘wat voor mogelijkheden zijn er eigenlijk; werkt dan niet bevrijdend, maar verwarrend. Jongeren hebben richting nodig, aldus Jolles: uitleg, feedback en voorbeeldgedrag. Dat vraagt niet om minder onderwijsvernieuwing, maar om betere vragen: sluiten onze onderwijsconcepten aan bij de ontwikkelingsfase en de zich ontwikkelende vaardigheden van leerlingen? En bieden wij hun voldoende begeleiding?
Wat Jolles bepleit, is een herwaardering van pedagogiek in de dagelijkse onderwijspraktijk. Niet als abstract begrip, maar als concreet handelen: nabijheid, vertrouwen, interesse in de leerling als persoon en in het inhoudelijk inspireren en actief begeleiden van het leerproces.
De leraar speelt daarin een sleutelrol. Niet als kennisoverdrager alleen, maar als degene die voorwaarden schept waardoor leerlingen ‘aan’ gaan staan. Dat vraagt om tijd, ruimte en professionele ondersteuning. Pedagogisch handelen is geen extra taak, maar de kern van goed onderwijs.
Een terugkerend thema in Jolles’ werk is het belang van mondelinge taalvaardigheid. Taal is meer dan communicatie: het is het instrument waarmee jongeren leren denken, plannen, reflecteren en emoties begrijpen maar ook inzicht krijgen in de wereld en wat daarin gebeurt. Zonder woorden blijft de innerlijke wereld beperkt. ‘Woorden zijn het voertuig van het denken’, aldus Jolles.
Veel jongeren beschikken over een beperkt vocabulaire, vooral als het gaat om emoties, morele dilemma’s en abstracte begrippen. Dat maakt het moeilijk om ervaringen te duiden, conflicten te begrijpen of empathie te ontwikkelen. Scholen kunnen hier veel betekenen, niet door extra vakken toe te voegen, maar door ruimte te maken voor gesprek, interactie en betekenisvolle dialoog.
In het onderwijs wordt vaak gesproken over executieve functies zoals werkgeheugen, taakplanning en impulsregulatie. Jolles benadrukt juist het belang van de zogenoemde ‘warme’ executieve functies zoals zelfinzicht, empathie, actieplanning en projectplanning, moreel redeneren en het kunnen overzien van sociale consequenties.
Deze vaardigheden ontwikkelen zich niet via strikte methodes of werkprogramma’s, maar in interactie met anderen: de leraar, medeleerlingen, ouders, de sportcoach. Door gesprekken, door begeleiding, door voorbeelden. School is een van de weinige plekken waar die ontwikkeling systematisch kan worden ondersteund. Dat maakt de sociale functie van school minstens zo belangrijk als de cognitieve volgens Jolles.
De leefwereld van jongeren is sterk gedigitaliseerd. Volgens Jolles kent die digitale omgeving drie risico’s: ze is vluchtig, verslavend en zowel sociaal als cognitief arm. Communicatie verloopt vaak in fragmenten, zonder nuance of emotionele diepgang. Jongeren zien elkaar vooral als beelden of korte reacties, niet als volledige personen. Daarbij zijn de prikkels uit de sociale media vooral schraal terwijl het sociale brein van de tiener sterk openstaat voor vele en rijke prikkels.
Het probleem is niet digitalisering op zich, maar het gebrek aan tegenwicht. Jongeren hebben een rijke fysieke wereld nodig waarin echte ontmoetingen plaatsvinden. Scholen kunnen daarin een cruciale rol spelen door sociale interactie actief te organiseren en de ‘3D-wereld’ aantrekkelijker te maken dan de digitale tweedimensionale omgeving. Beide zijn belangrijk.
Een ander urgent vraagstuk is de groeiende kansenongelijkheid. Niet omdat ouders minder betrokken zouden zijn, maar omdat omstandigheden verschillen. Kinderen die opgroeien in een taalrijke, stabiele omgeving die veel mogelijkheden biedt om ervaringen op te doen, krijgen vanzelf meer ontwikkelkansen dan kinderen van ouders die worden overvraagd door werk, geldzorgen of stress.
Juist hier kan school het verschil maken, mits zij zich ziet als partner van ouders. Niet met klassieke ouderavonden, maar met structurele ondersteuning: oudernetwerken, gezamenlijke taalontwikkeling en gedeelde verantwoordelijkheid. Kansarme scholen verdienen bovendien de meest ervaren en deskundige leraren, merkt Jolles op.
Leraren zijn de motor van ontwikkeling, maar ze kunnen het niet alleen. Goed onderwijs vraagt om samenwerking tussen scholen, ouders, gedragswetenschappers, beleidsmakers en jeugdhulp. Kennis over jongeren is verspreid over vele disciplines. Duurzame verandering ontstaat pas als die kennis wordt verbonden.
Uitzoomend stelt Jolles: er staat te veel op het spel om vast te houden aan aannames die niet kloppen. Jongeren beschikken over enorme potentie, maar die komt alleen tot ontplooiing als volwassenen (leraren, ouders, coaches en andere opvoeders) bereid zijn hun verwachtingen, begeleidingsaanpak en verantwoordelijkheden opnieuw te doordenken.
Bron: Jelle Jolles. Het tienerbrein: een ander perspectief. Gids voor ouders, leraren en andere opvoeders. NeuroPsych Publishers 2025. ISBN 9789075579857, €24,00
En blijf op de hoogte van onderwijsnieuws en de nieuwste wetenschappelijke ontwikkelingen!
Inschrijven