De zin van afscheid

Tekst Gert Biesta
Gepubliceerd op 16-03-2018
Wat houdt de boel bij elkaar? Deze vraag stond centraal bij het afscheid van Luc Stevens als wetenschappelijk directeur van het NIVOZ op 6 maart. Gert Biesta had een prachtig antwoord.

Wie kunst tegenkomt, heeft de neiging om  de vraag te stellen: Wat betekent dit? Wat wil de kunstenaar zeggen?

Maar ik denk dat Joseph Beuysch heeft gezegd: 'Als ik je had kunnen vertellen wat het betekende, had het geen zin gehad om dit kunstwerk te maken.' Kunst benaderen op zijn eigen wijze is de uitdaging. De vraag die daarbij interessant is, is niet: Wat betekent het? Of: hoe kan ik het begrijpen, maar wat vraagt dit van míj?

De vraag ‘Wat houdt de boel bij elkaar’ is uitdagend, want simpel en tegelijk fundamenteel. De pessimisten onder ons zullen misschien focussen op problemen en op wat er niet goed gaat, wat op het punt staat in mekaar te storen of al uit elkaar valt. Maar het is belangrijk om niet te vergeten dat er iedere dag ook heel veel heel goed gaat, in het leven en in onderwijs. Dat er zoveel goed gaat, is opvallend en verdient onze aandacht. Alleen al omdat we zo de stemmen kunnen bestrijden die willen dat we geloven dat alles ten onder gaat en dat er een radicale verandering nodig is om onderwijs en maatschappij te redden van totaal verval.

Tuurlijk, er zijn problemen en  het is belangrijk dat we die zo helder en precies mogelijk identificeren, maar er is ook  voorspoed en geluk (‘prosperity and happiness’) - hoewel niet gelijk verdeeld. En verlegen kinderen en twijfelende adolescenten groeien nog steeds uit tot prachtige jonge mensen en tot zorgzame ouders die er klaar voor zijn om een volgende generatie voor te gaan, de wereld in.

In het onderwijs
kan waarde van
culturen en tradities
worden onderzocht 
 

Veel van wat goed gaat, wordt ondersteund door culturen, tradities en praktijken die mensen hebben  ontwikkeld in een lange geschiedenis. Ze lijken hun werk  relatief onzichtbaar te doen, maar we moeten niet vergeten dat veel van het werk in het onderwijs juist is bedoeld om de volgende generatie in die  bestaande culturen, tradities en praktijken te introduceren, op zo’n manier dat  zij de nieuwe drager kan worden van die tradities en praktijken. 

Hoe culturen, tradities en praktijken werken, komt vaak pas in beeld als er problemen ontstaan, als er disruptie is of als  de volgende generatie ze niet meer wil voortzetten. Soms omdat ze gewoon dwars wil zijn – en dat is prima – soms ook om goede redenen. Het toont aan dat onderwijs een heel belangrijk forum is waar de validiteit van wat bestaat, de waarde van traditie kan worden onderzocht en ontdekt. Het betekent dat onderwijs een plaats heeft in wat Hannah Ahrendt noemt: de plaats tussen  verleden en toekomst.

Rechtsstaat

Naast culturen en praktijken  die relatief zacht van aard zijn, hebben we ook regels en instituties,  nodig om te handhaven en beschermen wat mensen  tot stand hebben gebracht in de afgelopen eeuwen. Denk aan  het instituut ‘democratie’, de rechtsstaat (‘rule of law’), maar ook onderwijs zelf als instituut. Regels en instituten zijn belangrijk, maar we weten ook dat ze problematisch kunnen worden als ze bureaucratisch worden en dat ze zichzelf kunnen tegenwerken; bijvoorbeeld als het principe dat de regel altijd geldt, belangrijker wordt dan het veilig stellen van datgene waar de regel voor bedoeld was. 

In het hedendaagse onderwijs zien we dat met name in de cultuur van het meten, de cultuur  die vaak niet meer gaat over het meten van wat we  waardevol achten, maar die is verkeerd in de vreemde situatie dat velen waardevol achten wat we meten. En het feit dat  leraren vaak alleen beoordeeld worden op basis van die metingen,  van die te meten uitkomsten, is een  grof onrecht. Daarom blijft het belangrijk om ruimte te houden tussen regels en wetten aan de ene kant en het idee van rechtvaardigheid aan de andere kant. Opdat regels en wetten bescherming  kunnen bieden tegen onrecht als dat nodig is, maar altijd de mogelijkheid open laten om de  bestaande regels en wetten te bekritiseren als ze niet langer hun functie vervullen.

'Bewaarders'

Dat brengt me op een van de  twee punten die ik vandaag wil benadrukken. Dat is ten eerste dat we zoveel culturen en praktijken, regels, wetten  en tradities kunnen hebben als we willen, maar als niemand om ze geeft, als er niemand  bereid is voor ze op te staan en voor ze te spreken, voor de waarde die ze proberen veilig te stellen, dan zullen ze heel snel de kracht die ze kunnen hebben verliezen. Zonder mensen die als ‘bewaarders’ optreden, zullen  culturen en tradities, regels en wetten niets meer zijn abstracte ideeën die geen kracht van zichzelf hebben. Daarom kan de vraag ‘wat houdt alles bij mekaar’ maar één antwoord hebben en dat is de  tegenvraag: ‘Wie houdt alles bij mekaar?’ En het antwoord op die vraag hangt af van het werk van individuen of van groepen, maar als het er echt om gaat, kan het ook allemaal afhangen van één individu, een mens.

Het tweede punt dat ik wil maken is dat er twee manieren zijn waarop mensen proberen de boel bij mekaar te houden. Een is gebaseerd op het principe van angst, het andere op het principe van vrijheid of soevereiniteit. We weten allemaal dat angst een slechte raadgever is, en toch  duikt angst steeds weer op in situaties waarin mensen  proberen  hun samenleving te organiseren. En weer denk ik dat het hedendaagse onderwijs daar onder lijdt, net als de huidige academische cultuur. Een belangrijke vorm van angst die we tegenwoordig zien, is de angst  om achter gelaten te worden: de angst om bijvoorbeeld achter te lopen in internationale ranglijstjes of om niet mee te kunnen komen in de voortdurende druk om te presteren en te produceren, inclusief de ongezonde publicatiecultuur  van ‘publiceer  of ga ten onder’. De cultuur van het meten die we overal in het onderwijs zien, draagt hier ook aan bij, niet  in de laatste plaats omdat – hoewel het zichzelf presenteert als objectief en transparant - het  eigenlijk vrije smalle definities biedt van wat telt, vaak juist van wat geteld kan worden.

Kritische vragen

Zij die kritische vragen stellen, inclusief de vraag of de keizer eigenlijk wel kleren aanheeft, maar ook de vraag of de top van de  ranglijst eigenlijk wel een positie is die je zou moeten willen nastreven, of dat de  waarden waarop de ranglijstjes zijn gebaseerd wel waarden zijn die ons gedrag zouden moeten leiden, degenen die kritische vragen stellen, worden vaak afgedaan als zwak of als losers. Dit gebeurde  bijvoorbeeld met Liverpool Hope University in Engeland, toen zij weigerde mee te doen aan universitaire ranglijstjes. Mensen zeiden: logisch, want als ze wel zouden meedoen, zouden ze toch onderaan de ranglijst staan. Dit is ook wat er met pesten gebeurt, waar de pesters diegenen  kiezen die niet willen meedoen en ze afschilderen als zwak en als losers.

Om in zo’n situatie niet met de  flow mee te gaan, maar een mate van soevereiniteit te bewaren is niet makkelijk. Het  vergt waarschijnlijk een interessante combinatie van moed en koppigheid en ik weet niet welke van de twee het meest. Maar het is precies dat vertoon van koppige moed of moedige koppigheid waar we het verschil kunnen vinden tussen handelen uit angst en handelen vanuit vrijheid. En dat is precies waar Luc Stevens wat mij betreft in beeld komt.

Publiceer
of ga ten onder  

Ik ontmoette  Luc in de jaren negentig voor het eerst aan de Universiteit Utrecht waar ik werkte toen hij er hoogleraar was; het was in de tijd dat de  cultuur van ‘publiceer of ga ten onder’ snel terrein won. Niet alleen als ‘publiceer of ga ten onder’ maar nog gekker als ‘publiceer in de tijdschriften die volgens  een bepaald systeem er toe lijken te doen, of anders  ziet het er niet best uit voor je’.

Of  wat in al die tijdschriften werd gepubliceerd, verschil maakte voor de humanisering of opvoeding en onderwijs, om maar een  ambitie te noemen, deed er niet toe. Er was maar weinig debat over de smalle kijk  op wat telde als  onderzoek en wetenschap. Luc  ging niet mee met het tij, maar kwam altijd terug bij de vraag: Wat doet er toe? Dit maakte een  buitenstaander van hem, een loser misschien, en ik  gaf al aan wat er met die mensen kan gebeuren, in een situatie waar angst het  heersende principe is.

Maar wat ik zag gebeuren in Luc was opmerkelijk. Ik noem het soevereiniteit maar misschien was het een rare combinatie van moed en koppigheid, de kunst om vrij te manoeuvreren. En dat was  niet omdat Luc gewoon koppig wilde zijn, of vanwege zijn eigen belangen en zeker niet vanwege zijn eigen ego, maar omdat hij probeerde zich te blijven richten op wat telt, wat er op het spel stond en voor wie.

Soevereine plek

De impuls die ik in Luc  zag, is een impuls die ik ook herken in het werk van het Nivoz. Het Nivoz probeert een soevereine plek te creëren en te handhaven, een soeverein gesprek waarin het mogelijk blijft te focussen op vragen naar wat telt in onderwijs en voor wie, vanuit de overtuiging dat onderwijs een menselijke, humaan en idealiter humaniserend praktijk is, voor leraren én voor de kinderen en jonge mensen die er van moeten profiteren. Ik vind het  opmerkelijk en mooi dat ik de kwaliteiten die ik in Luc zag als individu ook in het werk van het NIVOZ tegenkom, in het groot. We kunnen zeggen dat die persoonlijke kwaliteit van Luc langzaam tot cultuur, traditie en praktijk is geworden. Lucs impuls is  ‘werelds’ geworden met andere woorden, het heeft een wereldse kwaliteit  gekregen en is ‘in de wereld’ geland, op dezelfde manier als waarop onze kinderen het huis uit moeten en de wereld in, om hun eigen zelfstandige levens te leven, om hun  eigen projecten te vervullen. 

We weten als onderwijzenden en als ouders dat het uiterst belangrijk is dat we onze kinderen de vrijheid geven om hun eigen weg te gaan. Dat is het moment dat we geconfronteerd worden met de betekenis van ‘laten gaan’; als we onze kinderen niet laten gaan, zullen ze nooit in de wereld komen, zullen ze nooit hun weg kunnen vinden, hun eigen lot. Het is precies hier, dat we de educatieve betekenis vinden van laten gaan, de pedagogische betekenis van afscheid, de pedagogische ‘zin’ van afscheid, of we daar nu ‘zin’ in hebben of niet.

Een ogenblik geduld...

Gert Biesta

Prof. dr. Gert Biesta is als hoogleraar verbonden aan de Brunel University London en als bezoekend hoogleraar aan het NLA University College in Bergen (Noorwegen). Hij bezet de NIVOZ leerstoel voor de pedagogische dimensies van onderwijs, opleiding en vorming aan de Universiteit voor Humanistiek. Biesta is geassocieerd lid van de Onderwijsraad.

Gerelateerde artikelen
Dossier

Maand van de Geschiedenis 2018

12-09-2018
Ontdek gisteren, begrijp vandaag: oktober is Maand van de Geschiedenis en daarom publiceren we extra veel artikelen over geschiedenisonderwijs.

Nieuws

Alan Turingschool: De schoolfotograaf

17-12-2018
Fotodocumentaire - Martijn van de Griendt fotografeert een jaar lang maandelijks op de Amsterdamse Alan Turingschool.

Interview

In de biotoop van Trudie van de Kant

08-07-2015
De vrouw van de talen, zo mogen we Trudie van de Kant (53) wel noemen.

Click here to revoke the Cookie consent