De tienerschool en maatwerkdiploma’s zijn niet de oplossing

Tekst Jan Drentje
Gepubliceerd op 28-01-2021
Beeld Shutterstock
Onderwijsorganisaties willen het definitieve schooladvies verlaten naar het derde jaar van de middelbare school. Jan Drentje ziet niets in een stelselwijziging.

De kwaliteit van het onderwijs loopt gevaar. Het Nederlandse onderwijs scoort in vergelijkend internationaal onderzoek niet slecht, maar slechter dan in het verleden. De kansenongelijkheid neemt volgens velen schrikbarend toe. Er is in vrijwel alle sectoren een nijpend lerarentekort.

Hoe mooi zou het zijn als bij toverslag al deze problemen opgelost zouden kunnen worden? Volgens de belangenclubs die vorige week hun zogenoemde onderwijspact presenteerden, kan dat. Ze pleiten ervoor het historisch gegroeide onderwijssysteem los te laten. Dat wil zeggen: ophouden met het selecteren van leerlingen op niveau aan het einde van de basisschool en in plaats daarvan een driejarige basisvorming invoeren. Ze willen de starre indeling in einddiploma’s loslaten en ervoor zorgen dat iedere leerling vakken kan afsluiten op verschillende niveaus. Daardoor zou de leraar waardering voor zijn maatwerk krijgen en de leerling weer plezier in leren, omdat het schoolsysteem zich voegt naar zijn of haar talenten.

Deze plannen beogen stelselwijzing die minstens zo ingrijpend is als die van de Mammoetwet (1968). Je mag dan een gedegen analyse verwachten van wat er in het huidige systeem mis is. Het belang daarvan benadrukte de parlementaire onderzoekscommissie Dijsselbloem in 2008, die onderzoek deed naar drie grote onderwijsvernieuwingen. Een van de conclusies was dat bestuurders leden aan een tunnelvisie. In het vervolg zouden onderwijsvernieuwingen ‘Dijsselbloem-proof’ moeten zijn: eerst onderzoek doen en een probleemanalyse formuleren, dan voorstellen doen waarvoor een wetenschappelijke basis bestaat. Hier ontbreekt het aan bij het onderwijspact.

 

De selectiefabriek

Rond 12 jaar krijgen leerlingen een schooladvies en worden leerlingen van een min of meer vergelijkbaar niveau bij elkaar in de klas gezet. Dit heet vroegselectie. Het voordeel is dat er betrekkelijk homogene klassen ontstaan. Het nadeel is dat dit systeem geen recht doet aan het fenomeen laatbloeier. Leerlingen maken een groeiproces door en rond 12 jaar is nog lang niet duidelijk waar iemand uiteindelijk toe in staat is. Dit systeem zorgt voor kansenongelijkheid, stellen de schrijvers van het onderwijspact (de AVS, VO-raad, MBO Raad, PO-Raad, LAKS, Vereniging Hogescholen, VSNU, JOB MBO, CNV Overheid, CNV Onderwijs, Interstedelijk Studenten Overleg, Landelijke Studentenvakbond en Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang).

Dit is een rare redenering. Dat het met de kansen van leerlingen vanaf de invoering van de Mammoetwet tot in de jaren negentig beter gesteld was, is een terechte constatering. Maar in die achteraf gelukkige jaren was het onderwijssysteem minstens zo verfijnd in niveaus als nu en bestond de vroegselectie al. Dus: dat kan de oorzaak van toename van kansenongelijkheid niet verklaren. Wat er aan de hand is, is dat de mogelijkheden om diploma’s te stapelen de afgelopen jaren zijn afgenomen. Dat was bewust onderwijsbeleid. De Onderwijsinspectie heeft het geven van kansen aan leerlingen afgestraft. Het opbrengstgerichte leren leidde tot een concurrentieslag tussen scholen die allemaal met slagingspercentages van boven de 95 in de krant wilden. Scholen gingen hoge gemiddelde eindcijfers als doorstroomvoorwaarde stellen. Gelukkig oordeelt de inspectie inmiddels anders en heeft de minister cijferdrempels verboden. Het aantal stapelaars stijgt weer. De stagnatie van de doorstroming werd vooral veroorzaakt door de perverse werking van een verkeerd soort rendementsdenken: een bestuurlijk probleem dus.

Bovendien wordt in de beschouwingen over onderwijskansen vaak vergeten dat ons stelsel allerlei mogelijkheden biedt voor echte laatbloeiers. Zo is er een landelijk dekkend netwerk van scholen voor (jong-)volwassenenonderwijs waarvan ruim zestienduizend leerlingen gebruik maken. Daaronder bevinden zich veel laatbloeiers en stapelaars. Wie veel tegenslag heeft gehad, kan bij zowel het hbo als op de universiteit vanaf 21 jaar instromen via toelatingstoetsen. Ook via staatsexamens kwalificeren mensen zich alsnog. Het huidige stelsel kent veel niveaus, maar in potentie zijn er tal van reparatiemogelijkheden. Hierbij is de doorstroom van het mbo naar het hbo uit emancipatie-oogpunt van groot belang. En: via het hbo kan soms al na één jaar de studie aan de universiteit worden voortgezet.

Wat helemaal niet past in het beeld van de toenemende kansenongelijkheid, is het feit dat het percentage hoger opgeleiden in Nederland nog steeds stijgt. Alleen in de groep niet-westerse allochtonen blijven de cijfers achter, maar is er inmiddels wel sprake van een inhaalslag. Deze cijfers zijn dus beslist niet slecht en kunnen niet als motivatie dienen voor een grote stelselwijziging.

Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt wel dat in landen waar pas op vijftienjarige leeftijd wordt geselecteerd, sociale en etnische herkomst minder bepalend is voor de schoolloopbaan dan bij ons. Vaak wordt Finland of een ander Scandinavisch land als voorbeeld genoemd, maar dit soort vergelijkingen is lastig. In Finland is de samenstelling van de bevolking homogener en zijn ALLE leraren academisch opgeleid, terwijl dit percentage in Nederland al jaren daalt.

 

Het maatwerkdiploma

De onderwijsorganisaties willen dat leerlingen bijvoorbeeld wiskunde op vmbo- en Engels op vwo-niveau kunnen afsluiten. Dit is een variant op het Angelsaksische systeem van A, B, en C-levels. Klinkt sympathiek: het systeem voegt zich naar de capaciteiten en talenten. Maar hier is pas een kritisch rapport over verschenen van de Onderwijsraad. Bij samengestelde diploma’s, schrijft de raad, wordt onduidelijk wat iemand precies weet. Dat is lastig is voor vervolgopleidingen. Die kunnen instroomeisen gaan stellen en zelf toelatingsexamens afnemen. Dan komt de leerling van de regen in de drup aangezien het maar de vraag is of het specifieke keuzepakket wel voldoende voorbereidt voor deze examens.

Bovendien: leerlingen maken in de hun schooltijd van alles mee. Ze sporten, willen een baantje, ouders gaan scheiden, de woonsituatie verandert. Het is verleidelijk bij tegenslagen vakken op een lager niveau af te sluiten. De weg van de minste weerstand is snel gevonden. Ook dan diplomeren we leerlingen niet op het niveau dat ze werkelijk aankunnen. Nu prikkelt het systeem om het niveau vast te houden. Afsluiten van vakken op een hoger niveau is al toegestaan. Dat werkt uitdagend.

Bij de ontwikkeling van persoonlijke leerwegen nemen bovendien de kosten voor begeleiding en monitoring sterk toe. Wat per saldo ten koste zal gaan van het aantal klassikale lessen. Meer zelfstandig studeren onder toeziend oog van een leraar-coach gaat ten koste van directe instructie en onder vakkundige begeleiding oefenen. Uit leerpsychologisch onderzoek blijkt nu juist dat ‘gewone’ lessen waarin de stof wordt uitgelegd, teruggekoppeld en geoefend het meeste resultaat hebben.

 

De gelukkige leraar

Veel van de problemen in het onderwijs zijn goed beschouwd uitvoeringsproblemen. Die los je niet op met een stelselwijziging, maar met maatwerk, gebaseerd op kennis van zaken. Problemen worden vooral geagendeerd door onderwijslobby’s en politici en daarmee is onderwijsbeleid te veel een zaak van een netwerk van organisaties die één kenmerk gemeenschappelijk hebben: ze staan ver af van de dagelijkse werkelijkheid van leraren. Die hebben steeds minder zin om uit te voeren wat voor hen bedacht is.

Het lerarentekort heeft oorzaken die niets te maken hebben met de hoofdpunten van het onderwijspact. En het lerarentekort is het meest acute probleem waarvan het lot van leerlingen sterk afhangt. Want zonder vakinhoudelijk en didactisch geschoolde, gemotiveerde leraren voor de klas zijn de zwakkere leerlingen altijd de dupe, in welk stelsel ook. Het onderwijspact had dan ook beter kunnen bestaan uit voorstellen die de positie van de leraar versterken. In dit verband geeft het te denken dat de VO Raad de aangekondigde staking op 30 en 31 januari niet actief steunt en zelfs adviseert het loon van stakers in te houden. Alles voor het onderwijs – maar zonder de leraar te steunen.

 

 

Jan Drentje is rector voor een school voor volwassenonderwijs en docent geschiedenis aan de Rijksuniversiteit van Groningen. 

Dit artikel werd eerder hier gepubliceerd. 

Een ogenblik geduld...
Click here to revoke the Cookie consent