Onderzoek

Slachtofferrol domineert in onderwijs over holocaust

Tekst Eline Geus
Gepubliceerd op 29-09-2017 Gewijzigd op 29-09-2017
Hoe behandelt jouw geschiedenismethode de holocaust en de Tweede Wereldoorlog? Meestal wordt de collaboratie van veel Nederlanders vermeden. Dat concludeert lerarenopleider geschiedenis Marc van Berkel in zijn proefschrift.

Sinds 2010 is het in Nederland en Duitsland verplicht om de holocaust en het nationaal socialisme in de geschiedenisles te behandelen. Maar op welke manier gebeurt dat en hoe werden deze onderwerpen ‘vroeger’ behandeld? Dat zocht Marc van Berkel uit. Hij analyseerde 32 Nederlandse en Duitse (uit deelstaat Noordrijn-Westfalen) schoolboeken voor het geschiedenisonderwijs uit de periode tussen 1960 en 2010. Hij turfde bijvoorbeeld hoe vaak begrippen genoemd werden, op hoeveel pagina’s een thema werd besproken, maar keek ook naar de inbedding van gebeurtenissen in ontwikkelingen door de tijd heen.

Tot 1961 werd er in Nederland en  Duitsland weinig gesproken over de holocaust. Dit veranderde met het Eichmann-proces (1961), de Auschwitz-processen (1963) en later met documentaires en films als Sjoah en Schindler´s List. De holocaust werd daarna vooral belicht vanuit de gedachte aan trauma en lijden. Onderzoek ging tot de jaren 90 vooral over hoe de holocaust kon gebeuren, daarna volgde ook onderzoek naar wat er precies gebeurd was. In de loop der jaren groeide ook de aandacht voor de verschillende groepen slachtoffers, zoals Roma- en Sinti-zigeuners en gehandicapten. In Nederlandse publicaties werd er nog vaak over  joden als passieve slachtoffers geschreven.

In de klas was het niet anders. De holocaust kwam voor 1960 nauwelijks voor in Duitse en Nederlandse schoolboeken, maar dit veranderde daarna. Van Berkel constateert echter dat er wel veel fouten in de boeken slopen. Er was weinig aandacht voor de complexe situaties in de Tweede Wereldoorlog, en joods leven daarvoor en daarna ontbreekt helemaal. De nadruk ligt in de schoolboeken op de daders, de holocaust wordt vaak als ‘bijproduct’ van de Tweede Wereldoorlog weggezet.

Verantwoordelijkheid voor wereldoorlog en holocaust ontbreekt in de schoolboeken uit beide landen, steun van de bevolking voor de nazi’s komt niet in het verhaal voor.

In Duitsland lag de nadruk juist op de opbouw van de nieuwe staat na de oorlog, waar verhalen over verzet en slachtofferschap van de ‘gewone’ Duitser beter bij pasten dan de holocaust. Ook in de Nederlandse schoolboeken lag de nadruk op de wederopbouw, het verzet en Nederland als slachtoffer. De medewerking van veel holocaust monumentNederlanders aan de holocaust en het lot van joden worden nauwelijks beschreven. 

Dat verandert tussen 1980 en 2010: er kwam in de schoolboeken meer aandacht voor de holocaust. Het werd niet meer gezien als een losstaand gebeuren, maar ingebed in de ontwikkelingen voor en tijdens de oorlog. Toch ontbreken de slachtoffers nog steeds relatief vaak in de lesboeken.
In Duitse lesboeken worden nu wel meerdere dader- en slachtoffergroepen genoemd. In het verhaal over de holocaust ligt de focus op Auschwitz, andere dodenkampen in Oost-Europa blijven veelal ongenoemd. Van Berkel beschrijft dat de Duitse boeken wel een verantwoordelijkheid benadrukken om het verleden juist voor te stellen.

In Nederlandse lesboeken blijft de holocaust een te simpel verhaal. De beschrijving is niet nauwkeurig genoeg, vindt Van Berkel. Er is te weinig historische context, bijvoorbeeld over het leven van joden voor en na de oorlog. Bovendien gaat het nog steeds uit van het dadersperspectief. Antisemitisme wordt benaderd als iets Duits, zonder te kijken naar de rol van Nederland(ers) in de jodenvervolging, en het gaat te weinig over de lokale omstandigheden. Net als in Duitsland gaat het in Nederland ook nauwelijks over andere Oost-Europese kampen dan Auschwitz. En dat terwijl bijvoorbeeld juist in Sobibor ook veel Nederlandse joden vermoord zijn. Al met al staat het geschiedonderwijs ver af van de academische debatten, schrijft Van Berkel.
En dat is niet alleen kwalijk, vindt hij. Hij waarschuwt ook. Opmerkelijk genoeg, schrijft Van Berkel, wordt veel nazi-propaganda in de geschiedenisboeken zonder kritische en historische beschrijving weergegeven. Hiermee riskeren we dat leerlingen onbewust deze stereotype en discrimineren de beelden overnemen. De slachtoffers krijgen verder nauwelijks een gezicht, de daders wel, zo concludeert Van Berkel. Al is dan de aandacht voor Nederlandse medeplichtigheid weer te gering. Ook na 1980 wordt het beeld gehandhaafd in de schoolboeken dat Nederland vooral slachtoffer was van de onderdrukking en de Holocaust, waarbij de Nederlandse betrokkenheid bij de jodenvervolging nauwelijks aan bod komt.

Kortom, Nederland kan wat leren van de Duitse schoolboeken, zo concludeert Van Berkel. Hij doet drie aanbevelingen om onze geschiedenisboeken te verbeteren. Bij het schrijven van de geschiedenislesboeken zouden auteurs, uitgevers en onderzoekers beter moeten samenwerken. Daarnaast pleit hij ervoor om leerlingen meerdere perspectieven en meningen voor te leggen en om meer onderzoek te doen naar het geschiedenisonderwijs over dit soort omstreden onderwerpen.

 

Marc van Berkel, Verhalen van slachtofferschap, de holocaust in Duitse en Nederlandse geschiedenisschoolboeken, 1960-2010. Proefschrift Erasmus Universiteit, 2017.

Bronvermelding

1 Lees hier het proefschrift van Van Berkel