Nieuws

Nieuwe gewichtenregeling: vloek of zegen?

Tekst Eline Geus
Gepubliceerd op 08-02-2018 Gewijzigd op 08-02-2018
Beeld Tom van Limpt
Jaarlijks de doelgroep actualiseren en meer factoren meetellen dan alleen opleidingsniveau: dat behelst de nieuwe gewichtenregeling. Ook de verdeling gaat op de schop. Grote gemeentes verliezen bakken met geld en kleine gemeentes zien hun budget soms wel verdriedubbeld. Is de nieuwe regeling een vloek of zegen?

Het nieuwe kabinet wil gelijke onderwijskansen voor elk kind en investeert daarom extra in het onderwijsachterstandenbudget (€15 miljoen) en de vve (€170 miljoen). In totaal komt er voor gemeenten €486 miljoen beschikbaar en voor basisscholen €260 miljoen in de lumpsum. Daarvoor gaat de gewichtenregeling op de schop.  

peuterMeer uren vve

Over twee jaar (vanaf 2020) dienen alle gemeenten 16 uur vve per week aan te bieden aan doelgroepkinderen, in plaats van de huidige 10 uur. Hiervoor krijgen ze €170 miljoen extra. Gemeenten mogen zelf de doelgroep van de vve bepalen, maar het geld is wel bedoeld voor doelgroepkinderen, niet voor alle peuters, schrijft minister Slob nadrukkelijk. Hij zet daarnaast in op de inzet van hbo-geschoold personeel in de vve om de kwaliteit te verhogen. Ook dat moet van hetzelfde geld betaald worden.

Nieuwe gewichtenregeling

Naast extra investeringen in de vve en het onderwijsachterstandenbeleid verandert minister Slob de gewichtenregeling. Hij komt met nieuwe criteria en stelt scenario’s voor de verdeling van het geld voor.

Het opleidingsniveau van de ouders bepaalt in de huidige gewichtenregeling of een kind risico loopt op een onderwijsachterstand. In de nieuwe regeling, die ingaat in 2019, wordt daar een aantal criteria bijgevoegd en verandert de rol van de school. Onderzoek ondersteunt het idee dat alleen opleidingsniveau niet genoeg voorspellende waarde voor een onderwijsachterstand heeft. Zo zou bijvoorbeeld land van herkomst ook een rol spelen (Marreveld, 2011; Blok & Driessen, 2017). Om de indicator te verbeteren, lieten de Tweede Kamer en OCW het CBS onderzoek doen naar nieuwe criteria om vast te stellen welke leerlingen risico lopen op een onderwijsachterstand. De criteria in de nieuwe regeling zijn:

  • Het opleidingsniveau van beide ouders. Daarbij hoort ook het gemiddelde opleidingsniveau van alle moeders op school.

  • Herkomstland van de ouders

  • De verblijfsduur van de moeder in Nederland

  • Of het gezin in de schuldsanering zit

Bovendien moeten scholen nu zelf het opleidingsniveau doorgeven, wat hen extra werk vraagt en gevoelig is voor fouten. In de nieuwe regeling zullen alle gegevens automatisch aan het CBS doorgegeven worden.

Wie o wie?

Bij een nieuwe regeling hoort een nieuwe naam, zal minister Slob gedacht hebben. In de nieuwe regeling zullen we het niet meer hebben over gewichten, maar over onderwijsscores. Een groot risico op een onderwijsachterstand levert een lage onderwijsscore op. Hoe lager de onderwijsscore, hoe meer geld scholen en gemeentes ontvangen. Maar het CBS maakt de onderwijsscore van een leerling vanwege de privacy niet openbaar.

Als school(bestuur) weet je straks niet voor welke leerlingen je het geld eigenlijk krijgt. Dat opent de deur naar gebruik van het gewichtengeld voor andere doeleinden dan waarvoor het bedoeld is. Deze nadelen laat minister Slob links liggen. Geert Driessen en Jo Kloprogge negeren het niet en geven in hun blogs hun mening.   

De huidige verdeling van het gewichtengeld is gebaseerd op gegevens uit 2009. Minister Slob is in de nieuwe regeling van plan om jaarlijks te bepalen hoeveel kinderen risico lopen op onderwijsachterstanden en daarzak met geld het geld voor scholen en gemeentes op af te stemmen. Zo blijft de verdeling actueel. De Raad van het openbaar bestuur maakt een kanttekening: beleid moet wel stabiel zijn. Daarom adviseert de raad om de verdeling op een tweejaarlijks gemiddelde af te stemmen.

Meer of minder geld?

Hoe het geld precies verdeeld zal worden, dat staat nog niet vast. De nieuwe criteria voor de indicator van onderwijsachterstanden zijn ontwikkeld, maar er zijn nog veel open eindjes die samen met de Tweede Kamer rondgebreid moeten worden. De minister werkte vijf scenario’s uit, afhankelijk van de keuze voor de doelgroep en een eventuele drempel.

De doelgroep van het onderwijsachterstandenbeleid kan heel smal gekozen worden, gefocust op de ernstigste achterstanden, of heel breed, waarbij zowel kinderen met een groot als klein risico meetellen. Met een drempel kan men bepalen hoeveel kinderen binnen de doelgroep er op een school of gemeente moeten zijn voordat zij het geld krijgen. Bij een drempel van bijvoorbeeld 12% krijgt een school pas onderwijsachterstandengeld als minstens 12% van de schoolpopulatie uit doelgroepkinderen bestaat.

Daarnaast kan er extra budget toegekend worden aan bepaalde gemeenten. Momenteel ontvangen de grote gemeenten uit de G37 meer geld per risicoleerling dan de kleinere gemeentes, maar in de meeste scenario’s die minister Slob voorstelt, krijgen de grote gemeenten straks veel minder geld dan ze nu ontvangen. Zo’n extra budget kan hen helpen de klap op te vangen.
Omdat elke gemeente wel in staat moet zijn om vve te organiseren, wil minister Slob voor elke gemeente met risicokinderen een minimumbedrag van €64.000 beschikbaar stellen.

Met de mogelijkheden rondom drempels, doelgroep en extra budget, stelt minister Slob vijf verschillende scenario’s voor, zie afbeelding.

  • Grote nadruk op kinderen met de grootste risico’s

  • Nadruk op de grootste risico’s

  • Bredere doelgroep

  • Meer aandacht voor problematiek van de grootste gemeenten

  • Lichte risico’s tellen ook mee

scenario's onderwijsachterstandenbeleid

In het figuur hierboven zie je in de rij van doelgroep een percentage staan. Dit vertelt voor welke kinderen de school en gemeente budget ontvangen. In het eerste scenario ontvangen zij budget voor de kinderen met het 10% hoogste risico op onderwijsachterstanden. Dit is te zien in onderstaand figuur. In de andere scenario’s vallen er meer kinderen binnen de doelgroep.

De scenario’s worden uitgebreid toegelicht in de kamerbrief.

doelgroep

Juichen of huilen?

Hoeveel budget je als gemeente krijgt, hangt af van welk scenario gekozen zal worden. In sommige varianten gaan kleine gemeentes er flink op vooruit, terwijl grote gemeentes hun budget zien kelderen. Zo ziet bijvoorbeeld Wassenaar (een gemeente met een hoog gemiddeld inkomen en niet bekend om zijn percentage achterstandskinderen o.i.d.) zijn budget in variant vijf maar liefst vervijfvoudigen! Sommige gemeentes krijgen momenteel niks en zullen in de nieuwe regeling minstens het minimum van €64.000 ontvangen. Gemeente Utrecht gaat er echter op achteruit in alle scenario’s, maar moet er wel extra inspanningen voor leveren. Bedenk immers dat uit dit budget nu ook zes uur vve extra bekostigd moeten worden (16 uur in totaal in plaats van de huidige 10 uur), zo benadrukt minister Slob.
Om de benadeelde gemeentes tijd te geven om hun beleid aan de nieuwe situatie aan te passen, stellen de minister en de Raad voor het openbaar bestuur voor om vanaf 2019 een overgangsregeling van drie jaar te nemen.

Op 14 februari zal de Tweede Kamer over de scenario’s in overleg gaan met minister Slob.

budgetten gemeentes

Ben je benieuwd hoeveel geld jouw schoolbestuur en gemeente zullen ontvangen in de nieuwe scenario’s? Je leest het hier.

Minister Slob, Kamerbrief: investeren in onderwijskansen. Januari 2018.

Verder lezen

1 Zo doorgaan met het onderwijsachterstandenbeleid?
2 ‘Kat in het bakkie’ of….. Welke indicator te kiezen voor onderwijsachterstanden?
3 Herziening gewichtenregeling
4 CBS ontwerpt nieuwe gewichtenregeling
5 Herkomst telt mee in prestaties
6 Doorgaan met de gewichtenregeling?