Onderzoek

Minder kinderen straks dyslectisch?

Tekst Angelique Suárez
Gepubliceerd op 08-07-2014 Gewijzigd op 30-01-2017
Zijn we de laatste jaren anders gaan aankijken tegen leesproblemen en dyslexie? We vragen het Peter de Jong, hoogleraar Onderwijskunde, en Chris Struiksma, bestuurslid Kwaliteitsinstituut Dyslexie.   

Zijn we de laatste jaren anders gaan aankijken tegen leesproblemen en dyslexie?
De Jong: 'Absoluut. We wachten nu niet meer met hulp bieden tot een kind uitvalt in groep 5 of 6. We weten nu dat het belangrijk is om kinderen al op jonge leeftijd te volgen en te kijken of ze profiteren van instructie. Zo niet, dan gelijk hulp bieden. Dit kan al eind groep 2 zijn en in groep 3, wanneer een kind klanken en letters krijgt aangeboden.' Struiksma, net vijf weken met pensioen, knikt.
De Jong: 'En we zijn de afgelopen jaren meer gaan kijken naar de erfelijke component. Kinderen van wie minstens een van de ouders dyslectisch is en van wie meer familieleden de leesstoornis hebben, zijn zogenaamde "familiar-risico-kinderen". Zij hebben een veel grotere kans om ook dyslectisch te zijn.'
Struiksma: 'Maar voor de hulpverlening is erfelijkheid eigenlijk niet zo belangrijk. Want wat doe je ermee?'

Scholen doen vaak al heel veel om dyslectische kinderen te helpen. Kunt u aangeven wat werkt en waar scholen beter mee kunnen stoppen?
De Jong: 'Wat níet werkt is: een speciaal lettertype - groter en duidelijker - voor dyslectische kinderen. Veel scholen schaffen dit aan, maar het blijkt dat dit helemaal niet helpt. Er was van tevoren ook nooit onderzoek naar gedaan.'
Struiksma: 'Het ouderwetse niveaulezen kunnen scholen ook beter laten. Omdat kinderen juist veel leren van meelezen met een betere lezer. Wat daarom wel goed werkt, is tutorlezen: een beginnende lezer leest met een leerling uit groep 7. En kies dan vooral de zwakkere lezers uit groep 7 als tutor, want voor hen is het ook leerzaam: zo kunnen ze gelegitimeerd met eenvoudige teksten bezig zijn.'dyslectisch

Het onderzoek van Aryan van der Leij klinkt veelbelovend: het aantal kinderen dat leesproblemen ontwikkelt kan drastisch omlaag door vroegtijdige interventie met een ict-programma als 'Bouw!' Maar dyslexie is toch een aangeboren defect van de hersenen?
De Jong: 'Het is niet zo dat iemand die dyslectisch is één gen mist. Zo zwart-wit is het niet. Er is een samenspel van genen. Bij de een zijn er meer genen die niet optimaal werken dan bij de ander. Maar ook omgevingsfactoren spelen een rol: heeft een kind bijvoorbeeld slecht onderwijs gehad, of is het vaak ziek geweest. Met een goed onderzocht interventieprogramma als Bouw! weet je als school zeker dat het kind optimale instructie krijgt. Kinderen die erfelijk erg belast zijn, zullen nooit heel goede lezers worden, maar het zal wel een stuk beter gaan. En kinderen bij wie de omgevingsfactoren een overheersende rol spelen, die dus in mindere mate dyslectisch zijn, hoeven niet meer doorverwezen te worden voor dyslexie-onderzoek en behandeling, en blijven onder de grens van wat we dyslectisch noemen. Nu wordt een aanzienlijk deel van de kinderen onterecht doorverwezen.'
Struiksma: 'Het aantal leerlingen dat onterecht wordt doorverwezen is per school heel verschillend. Een goede school met goede leraren zal minder kinderen onnodig doorverwijzen. Kijk, de leesmethodes van nu voldoen allemaal. Het hangt of staat met de kwaliteit van de leraar. Als deze goede instructie geeft, de kinderen nauwlettend volgt en pas verder gaat met de volgende stap als een kind de vorige beheerst, is een methode als Bouw! in principe niet nodig. Maar natuurlijk, zwakke lezers hebben meer instructie en oefening nodig. En zo'n programma kun je daar prima voor gebruiken. Terugkomend op je vraag: nee, hardnekkige dyslexie, die voornamelijk door erfelijke factoren wordt beïnvloed, kun je niet verhelpen met deze methode.'

De kwaliteit van de leraar is doorslaggevend, stelt u. Kunt u een voorbeeld geven van goede didactische vaardigheden?
Struiksma: 'De manier van feedback geven. Sommige leraren vinden het vervelend om te zeggen dat een kind fouten maakt met lezen. Zij zeggen dan: "Je hebt goed je best gedaan". Maar daar leert een kind niets van. Of ze herhalen de leerling met een vragende intonatie: "Zeggen we 'hoede'? Beter is om het kind het woord nog eens te laten lezen of het voor te zeggen: "Er staat hoed". Als de leerling het daarna goed doet, krijgt het een succeservaring en heeft het iets geleerd.'

De resultaten van het onderzoek van Van der Leij zijn vertaald naar het interventieprogramma. Werkt dit ict-programma beter dan andere leesprogramma's?
De Jong: 'Ja, het is bewezen dat het werkt. Het is gebaseerd op grootschalig onderzoek. Dat is vrij uniek. En het is de combinatie van een intensief computerprogramma met een gestructureerde methode waarin stap voor stap de letters worden aangeleerd en een tutor die motiveert, die goed werkt.'
Struiksma: 'De tutor is tegelijk ook de valkuil van de methode. Want deze kan een kind maken of breken. Denk aan een kind uit groep 8 dat negatief of niet inlevend reageert. Of een ouder die te veel pusht. De tutoren zouden eigenlijk gecoacht moeten worden.'

Denkt u dat het aantal kinderen bij wie dyslexie wordt vastgesteld in de toekomst drastisch zal afnemen?
Struiksma: 'Als je de instructie en leertijd intensiveert in groep 3, is dat zeker mogelijk. Maar de scholen moeten de methode wel goed implementeren en ik blijf hameren op de didactische vaardigheden van de leraar. Als die niet goed zijn, zal een interventieprogramma ook niet goed gebruikt worden.'
De Jong: 'Uit het tweejarig onderzoek van Van der Leij bleek dat van de niet getrainde kinderen met een familiair risico de helft dyslectisch werd. Van de getrainde familiair-risicokinderen, kreeg slechts een kwart dit stempel. Dat is dus een reductie van 50%.
Toch is míjn antwoord op je vraag: nee. We moeten eerst afwachten of scholen dit programma massaal gaan invoeren. En of het in de dagelijkse praktijk even effectief is, als scholen het zelf gaan uitvoeren, zonder hulp van de onderzoekers. Om dit na te gaan is vervolgonderzoek nodig.'
 

 

Dit artikel is verschenen in de Didactief-special Leesproblemen (juni 2014). Deze special is gemaakt in opdracht en met financiële bijdrage van de Universiteit van Amsterdam, Lexima en expertisecentrum Het ABC.

Click here to revoke the Cookie consent