Onderzoek

Georganiseerd wantrouwen (3): Eindtoets – wie wil ’m hebben?

Tekst Monique Marreveld
Gepubliceerd op 12-11-2019 Gewijzigd op 20-12-2019
Beeld Loek Weijts / Rijksoverheid / Arenda Oomen
Afgelopen zomer heeft minister Slob afscheid genomen van ‘zijn’ Centrale Eindtoets. Deze gaat volgend jaar over in private handen. Didactief blikt terug op de eindtoetssoap. En kijkt vooruit: het advies van de leerkracht blijft leidend, met de eindtoets als verplicht tweede gegeven. Maar hoe nuttig is dat, nu deze vooral een aanjager van schaduwonderwijs lijkt?

Gratis extraatje



Als lezer van Didactief krijg je het eerste hoofdstuk, ‘Grip op het schooladvies’, uit het nieuwe boek Alles op een rij over… Praktische handreikingen uit onderwijsonderzoek voor vo II (vierde deel in de serie, tweede voor vo). Wat zegt dit advies over jouw leerlingen in het vo? Wat is de voorspellende waarde en hoe kun je het benutten? Lees het exclusief hier.


 

Op 1 december start de inschrijving voor de Centrale Eindtoets (formerly known as Cito-toets), de enige die de overheid zelf aanbiedt sinds de eindtoets verplicht werd in 2015. Scholen kunnen ook IEP, Route 8, Dia en AMN kiezen, de overheid betaalt. Totale kosten voor productie, controle, afname en registratie bedragen miljoenen per jaar. Alleen al het College voor Toetsen en Examens (CvTE) besteedde aan de (digitale) Centrale Eindtoets in 2018 ruim 1,2 miljoen euro. Hoeveel subsidie de alternatieve toetsaanbieders krijgen, is niet exact bekend.
Ook de digitale Centrale Eindtoets, waarvan de afname in 2019 plots werd afgelast, is komend jaar weer beschikbaar. Allemaal resulteren ze in een toetsadvies, naast het advies van de leraar, voor het best passende brugklastype. Maar hoe essentieel is dat tweede gegeven eigenlijk?

 

Georganiseerd wantrouwen: 1, 2 en 3
 


Dit artikel is het derde over overheidstoezicht op de onderwijspraktijk. Lees de eerdere delen in de serie ‘Georganiseerd wantrouwen’ (reconstructie rekentoets en een interview met Tjeenk Willink).

 


Toetstraining

Sinds 1970 is de Cito-toets een begrip in Nederland. Het geesteskind van A.D. de Groot wordt voor het eerst afgenomen als Amsterdamse Schooltest in 1966. Het dient om met name arbeiderskinderen gelijke kansen te garanderen. Zij kunnen met hun toetsresultaten in de hand bewijzen meer in hun mars te hebben dan af te lezen is aan hun taalgebruik of kleding.
Anno 2019, als toetsenmaker Cito zijn jubileum net gevierd heeft, is rond de eindtoets een industrie ontstaan met trainingen en oefentoetsen. Squla (dat als onbekende start-up een flink kontje kreeg van Cito BV), Lyceo en anderen doen goede zaken. Vooral hoger opgeleide ouders (met meer middelen) kopen huiswerkbegeleiding en bijles in, blijkt uit recent onderzoek van SEO en Oberon, in de hoop dat trainen helpt om de prestaties van hun grut te verbeteren. Een op de vier leerlingen in groep 8 krijgt bijles, bij 13% van hen betalen de ouders daarvoor. Schaduwonderwijs tiert welig sinds de eindtoets verplicht is. De omzet van de aanbieders steeg in twee jaar met 20 miljoen euro, naar 69 miljoen in 2017. Vraag is natuurlijk of de eindtoets zo nog aan zijn doel beantwoordt. Wat zegt de uitslag eigenlijk, als hij wordt gemanipuleerd met trainingen?
Ook de overheid zelf lijkt te twijfelen aan de grote gelijkmaker: minister Slob stelt in een brief aan de Tweede Kamer in juni 2019 dat de eindtoets (en dan vooral het moment waarop deze wordt afgenomen, maar daarover straks meer) ‘van te weinig invloed (is) om echt het verschil te maken wat betreft kansengelijkheid’. Exit het ideaal van A.D. de Groot. Waarom die eindtoets dan nog verplicht blijft, vragen we OCW? ‘De eindtoets is een van de onderdelen die een effect hebben op kansengelijkheid,’ antwoordt minister Slob half oktober. ‘Het belangrijkste doel van de eindtoets is dienen als een objectief, tweede gegeven bij het schooladvies. Maar,’ geeft hij toe, ‘het is belangrijk om naar meer instrumenten te kijken om kansengelijkheid in het onderwijs te bevorderen.’



Ambitie van ouders

Slob heeft een punt: een eindtoets kan functioneel zijn (lees wat Jaap Scheerens daarover schrijft: Behoud het centraal examen, Didactief, oktober 2019), mits gebruikt zoals oorspronkelijk bedoeld door De Groot. Onderzoekers zijn het er al jaren over eens dat het advies van de leraar de beste voorspeller is voor een schoolloopbaan, maar zij zeggen óók dat een eindtoets als tweede gegeven (en zonder oneerlijke manipulatie door schaduwonderwijs) onbewuste vooroordelen van leraren kan corrigeren.
Socioloog Herman van de Werfhorst is een voorname pleitbezorger van deze redenering. ‘Leraren hebben weliswaar veel data tot hun beschikking,’ zegt hij op Twitter, ‘maar gebruiken die soms selectief om een intuïtief oordeel te staven.’
Ook Hanke Korpershoek, die aan de Rijksuniversiteit Groningen onderzoek heeft gedaan naar de rol van het schooladvies en de eindtoets bij de po/vo-overgang, pleit voor een verplichte eindtoets. Want leraren hebben er verstand van en kennen de leerling het beste, maar ze hebben soms ook last van vooroordelen. En zelfs als ze het beste met een leerling voorhebben, zegt Korpershoek, ‘kan er een veelheid aan redenen zijn waarom leerlingen niet de gelijke kansen krijgen waar ze gezien hun prestaties wel recht op hebben. Een ongunstige werkhouding kan een reden zijn voor een wat lager schooladvies, maar ook de thuissituatie speelt mee, zoals de ondersteuning die ouders bieden bij het maken van huiswerk en hun aspiratieniveau. Met name kinderen van lager opgeleide ouders krijgen daardoor bij gelijke leerprestaties een wat minder hoog schooladvies dan hun klasgenoten uit bevoorrechtere gezinnen, blijkt bijvoorbeeld uit ons onderzoek.’ Dat het schooladvies volgens de wet moet worden heroverwogen als de eindtoets hoger uitvalt, lijkt Korpershoek daarom een belangrijke corrigerende functie.


Outputcontrole

Toch jokt Slob ook een beetje. Of laten we zeggen: hij is zélf selectief met informatie. Want het belangrijkste doel van de eindtoets is niet alleen dat objectieve, tweede gegeven, maar ook: outputcontrole. Hoewel vrijwel alle experts de eindtoets ongeschikt vinden voor collectieve beoordeling van een school, is dat nu precies wat de inspectie de afgelopen jaren gedaan heeft. Dat staat nu eenmaal in de wet op het po: de inspectie gebruikt de eindtoets om de kwaliteit van scholen te beoordelen. Om af te rekenen dus, zeggen schoolleiders en leraren.
Die beleving (terecht of niet) heeft in Nederland hetzelfde effect gehad als in het buitenland: teaching to the test. Scholen richten hun onderwijs in met alle ogen op de (eind)toets gericht, en trainen veelal hun leerlingen voor het maken van die toetsen. Net zoals ouders de resultaten van hun kinderen proberen te manipuleren, trachten scholen ook zo mooi mogelijk op de foto te komen. En de bijlesindustrie is daar in meegegaan. Op de website van Squla bijvoorbeeld kunnen leraren een complete klas aanmelden. Alles voor een hoger cijfer, soms op aandringen van of zelfs betaald door het schoolbestuur. Een voorbeeld in het klein: leraren trainen zelfs kleuters al, voor kleutertoets en leerlingvolgsysteem, omdat ze het oneerlijk vinden dat de kinderen (en zijzelf) getoetst worden over stof die ze niet hebben gehad (zie ook Vertroebelde toetsnormen, Didactief november 2019).


Slechtere prestaties

Het effect van de outputcontrole middels een verplichte eindtoets – en de toetsen die bij het eveneens sinds 2015 verplichte leerlingvolgsysteem horen – is dat het onderwijs de afgelopen jaren is verschraald (zie kader 'Waarschuwing Raad van State genegeerd'). Begin 2018 sprak zelfs het CvTE (verantwoordelijk voor de Centrale Eindtoets) bij monde van projectleider Jacob Raap van ‘een terugslageffect van de eindtoets’. Met andere woorden, de eindtoets beïnvloedt het onderwijsproces en de leerstof die scholen aanbieden: minder breed, meer toetsgericht. En dat is trouwens niet alles. Minder leerlingen presteren goed op de kernvakken taal en rekenen, aldus de inspectie in de meest recente Staat van het onderwijs, en de laaggeletterdheid neemt toe. Over de resultaten voor rekenen verschillen de gegevens; de Centrale Eindtoets en IEP wezen in 2017 op betere rekenprestaties, maar het internationale rekenonderzoek TIMSS toonde in hetzelfde jaar een daling.
De inspanningen van de overheid om kwantitatief meetbare uitkomsten van beleid in beeld te brengen lijken mede oorzaak van legio problemen rond de eindtoets in de afgelopen jaren: gedonder over het vergelijkbaar maken van de verschillende eindtoetsen, vermeende eenzijdigheid van de Centrale Eindtoets, fouten in de dataverwerking van een aantal toetsen die ertoe leiden dat de inspectie geen zicht meer had op de behaalde referentieniveaus in 2018. Het is een mechanisme waarop Herman Tjeenk Willink eerder al wees in zijn boek Groter denken, kleiner doen (zie het interview Georganiseerd wantrouwen (2)). Ook goedbedoeld beleid kan ongewenste effecten hebben.

 


Waarschuwing Raad van State genegeerd


Je zou het bijna vergeten, maar eindtoets en leerlingvolgsysteem zijn niet altijd verplicht geweest. En toen er sprake was van invoering, en OCW advies vroeg aan haar belangrijkste raadgevers, klonk er al kritiek. De Raad van State voorspelde in 2011 verschraling van het onderwijs en teaching to the test als resultaat (een waarschuwing die de Raad in 2014 herhaalde). Toen al, acht jaar geleden, constateerde de Raad dat de overheid in haar plannen onvoldoende rekening hield met kritische geluiden vanuit praktijk en wetenschap. Als een soort Cassandra voorspelde hij dat scholen hun onderwijs voortaan zouden afstemmen op de toetsen en er meer onderwijstijd aan zouden besteden, ook in de vrije ruimte. ‘De inrichtingsvrijheid’, in deftige termen, zou zo worden beperkt – in gewoon Nederlands: de organisatie en inhoud van het onderwijs zouden de facto te sterk van buitenaf worden gestuurd door het ministerie.
De Raad van State vond medestanders in de PO-Raad en de Onderwijsraad. Beide pleitten er in 2011 voor te waken voor te veel toetsen: liever niet een verplicht lvs én een eindtoets, beperk sturing tot een eindtoets. De Onderwijsraad waarschuwde dat de randvoorwaarden van het onderwijs steeds gedetailleerder werden ingevuld. De bestuurlijke en professionele ruimte van scholen zou daarmee steeds kleiner worden. Met andere woorden, scholen ‘moeten’ steeds meer en kunnen steeds minder zelf bepalen. In 2013 (Een smalle kijk op onderwijskwaliteit) en in 2016 (De volle breedte van onderwijskwaliteit), tijdens de ambtstermijn van staatssecretaris Sander Dekker, herhaalde de Onderwijsraad zijn pleidooi voor brede onderwijskwaliteit.
De Raad van State betrok internationale onderzoekers bij zijn advies om te staven dat verschraling op lange termijn schadelijk is voor de kerndoelen die de overheid het onderwijs heeft gesteld. De Raad verwees naar de Cambridge Primary Review (CPR), die stelt dat juist een breed onderwijsaanbod en goede interactie tussen leraar en leerlingen helpt basisvaardigheden te verhogen. Het uitbreiden van het aantal lesuren voor taal en rekenen (een verwacht gevolg van teaching to the test, maar niet te verifiëren omdat niemand dit bijhoudt) is niet de beste manier. De nieuwste Staat van het Onderwijs (inspectie, 2019) lijkt het gelijk van de CPR en de Raad van State te bevestigen: minder leerlingen presteren goed op de kernvakken po.

 


Nieuw resultatenmodel

Extreme uitwassen lijken in Nederland tot nu toe uit te blijven. Maar in het buitenland wordt steeds duidelijker dat verplichte toetsen die dienen voor outputcontrole, perverse effecten hebben. De Engelse pers kopte half oktober nog op basis van onderzoek door het gerenommeerde Education Policy Institute dat scholen een op de tien leerlingen buiten een standaardtoets houden om zo betere schoolprestaties te faken. Gelauwerd onderzoeker Stephen Heppell en Geoff Barton van de Engelse vereniging van schoolleiders onderstreepten maar weer eens dat scholen beter niet beoordeeld kunnen worden op de resultaten die individuele leerlingen halen op gestandaardiseerde toetsen.
De Nederlandse onderwijsinspectie lijkt deze les inmiddels geleerd te hebben en heeft de wet nu geherinterpreteerd. Vanaf komende zomer leidt een lage gemiddelde score op de eindtoets niet meer automatisch tot het oordeel ‘onvoldoende’ voor een school. In het nieuwe onderwijsresultatenmodel dat dan van kracht wordt, kijkt de inspectie naar de referentieniveaus taal en rekenen en neemt ze de resultaten van de eindtoets mee in haar beoordeling over een termijn van drie jaar, met uitleg.
Het soortelijk gewicht van de eindtoets is dus als het ware gedaald, volgens de inspectie. Dat maakt de vraag nog urgenter: wat is eigenlijk het belang van die verplichte eindtoets? Hij kost een hoop geld, maar het onderwijs wordt er niet aantoonbaar beter van.


Zwabberbeleid

Aangenomen dat een eindtoets inderdaad objectief kan zijn (niet gemanipuleerd met schaduwonderwijs) en het verschil kan maken voor een achtergestelde groep kinderen, zoals Korpershoek en Van de Werfhorst bepleiten: goed idee om die verplicht te stellen, zou je zeggen. Maar dan moet hij wel op tijd worden afgenomen. En uitgerekend in de planning van het hele schooladvies-/eindtoetstraject wreekt zich een gebrek aan visie en praktijkkennis van de Tweede Kamer en OCW. Het leidt tot zwabberbeleid waar scholen en leerlingen last van hebben.
De afgelopen twee jaar is herhaaldelijk met het moment van schooladvies en eindtoets geschoven, in een typisch Nederlandse poging te polderen: vinden tegenstanders van de eindtoets dat deze te veel invloed heeft op het schooladvies? Schuif de toets naar achteren, in april of mei, dan doet hij er minder toe. Maar dan hebben scholen te weinig tijd om het advies te heroverwegen! Schuif de toets dan maar weer naar voren: ongeveer half maart, is het plan vanaf schooljaar 2021/2022.


Heroverwegen

En er is meer. De sinds 2018 verplichte heroverweging als de eindtoets hoger uitvalt dan het schooladvies, ervaren veel basisscholen als een groot knelpunt (alleen overtroffen door druk van de ouders), zo blijkt uit de evaluatie van de eindtoets door Oberon. Landelijk gebeurt die heroverweging bij 20% van de leerlingen. Bij een op de vijf heroverwegingen leidt het tot bijstelling van het schooladvies. En dat veroorzaakt weer een ander knelpunt dat veel scholen noemen: de beschikbaarheid van plaatsen op de vo-scholen.
Uit de landelijke evaluatie van Oberon blijkt: hoe stedelijker het gebied, hoe meer bijstellingen. Een mogelijke verklaring is volgens Oberon-onderzoeker Eelco van Aarsen de nabijheid van vo-scholen en hun profiel (in stedelijk gebied zijn scholen vaker ‘smal’, zoals een stedelijk gymnasium of een zelfstandig vmbo). Leiden al die heroverwegingen nu tot meer gelijke kansen? Dat is de vraag. In Den Haag, volgens de inspectie de meest gesegregeerde stad van Nederland, wordt ongeveer de helft van de heroverwegingen bijgesteld.  Maar dat zijn lang niet alleen kinderen van laagopgeleide ouders die een hoger advies krijgen. Van Aarsen:  ‘Een hypothese zou kunnen zijn dat de oorzaak van de bijstelling verschilt: dat kinderen van laagopgeleide ouders een bijstelling krijgen omdat ze vooraf te laag waren ingeschat, en kinderen van hoogopgeleide ouders omdat ze door schaduwonderwijs of toetstraining kunstmatig pieken bij de eindtoets.’ Toch weer schaduwonderwijs dus dat de toetsresultaten vervuilt. Brede scholengemeenschappen zouden misschien een beter idee zijn: een bijstelling heeft alleen waarde voor een leerling als je er een plekje op een hoger schoolniveau mee kunt afdwingen.


Extra werk, dure grap

De heroverwegingen betekenen voor scholen extra werk, de bijstellingen blijken voor grote organisatorische problemen te zorgen. Tweede Kamer noch OCW hebben stilgestaan bij het tijdpad waar scholen mee te maken hebben. Er moeten immers klassen geformeerd worden. Twee derde van de vo-scholen vindt late afname geen goed idee, staat in de evaluatie eindtoets van Oberon.
Mattanja Kats van BOVO Haaglanden, verantwoordelijk voor de overstap van basis- naar voortgezet onderwijs op 55 vo-locaties in de regio Den Haag: ‘In de praktijk zien wij dat vo-scholen op basis van de aanmeldingen een formatieplan maken. Maar net als ze rond de meivakantie denken klaar te zijn, komt er nog een hausse regioverkeer: ouders van kinderen die een toelatingsaanbod hebben ontvangen in meerdere regio’s beslissen voor welke school – en dus welke regio – zij kiezen. Dit kan weer leiden tot open plekken, die opgevuld kunnen worden. Daarna komen er nog verschuivingen door kinderen met aangepaste schooladviezen die in een andere brugklas of op een andere school geplaatst worden. Uiteindelijk kan je formatieplan dan achterhaald blijken. Maar als je personeel moet aannemen of ontslaan heb je minstens drie maanden nodig.’ Scholen die pech hebben, zitten langer aan personeel vast dat ze niet nodig hebben. En dat is een dure grap.


Passend onderwijs

De heroverweging kan ten slotte ook nog eens forse onzekerheid veroorzaken bij individuele leerlingen. Als het aan OCW ligt, melden leerlingen zich straks uiterlijk op 1 mei aan op een vo-school. Kats: ‘Het tijdpad van eindtoets en schooladvies naar een nieuwe school is dan voor “reguliere” leerlingen al krap. Maar leerlingen die een toelaatbaarheidsverklaring voor passend onderwijs nodig hebben, komen dan tijd te kort. De behandeltijd is minstens zes weken, met een uitloop naar wel tien. En lukt het niet in één keer om een passende school te vinden, dan zijn ze weer weken verder. Juist die kwetsbare kinderen gaan straks misschien de zomer in zonder te weten waar ze na de vakantie starten.’
De eindtoets die OCW zo graag wilde, lijkt door onkunde en zwabberbeleid te veranderen in een spelbreker. Het dossier wordt er niet gemakkelijker op. De toets is niet meer nodig voor het afrekenen van scholen en draagt relatief weinig bij aan het bestrijden van kansenongelijkheid, terwijl het afnamemoment en de verplichte heroverweging scholen vooral complicaties bezorgen. Vraag is wie er nog mee gediend is?

Cito en de eindtoets

De Centrale Eindtoets wordt in de toekomst weer geprivatiseerd. Desgevraagd laat Cito BV weten te overwegen een eindtoets te maken, als de wettelijk geregelde centrale eindtoets wegvalt.

 

Dit artikel verscheen in Didactief, november 2019.
 

Verder lezen

1 Georganiseerd wantrouwen (1): Reconstructie rekentoets
2 Georganiseerd wantrouwen (2): Tjeenk Willink over Groter denken, kleiner doen

Click here to revoke the Cookie consent