Nieuws

Een nieuw elan voor geschiedenis

Tekst Monique Marreveld
Gepubliceerd op 15-03-2017 Gewijzigd op 15-03-2017
Burgerschapsvorming is het nieuwe buzzwoord bij geschiedenis. Maar dat heeft ook wel wat haken en ogen, bleek op het jaarlijkse congres van geschiedenisdocenten in Den Haag. Er werd een manifest aangeboden over de toekomst van het geschiedenisonderwijs.

Aandacht voor burgerschap een modieus verschijnsel? Niks hoor. Thorbecke, vader van de Nederlandse grondwet, schreef in 1848 al een essay, getiteld ‘de staatsburgerlijke eeuw’. Zijn stelling destijds: politiek en bestuur kunnen niet ‘zonder worteling in de natie en betrokkenheid en instemming van de burger’. Dat ligt niet zo heel ver van de agenda van veel hedendaagse burgerschapspleiters. Verschil met 1848? Scholen moeten wettelijk aandacht besteden aan actief burgerschap (lees de betrokkenheid en instemming van Thorbecke) en sociale integratie.

Onlangs nog publiceerde de onderwijsinspectie in opdracht van staatssecretaris Dekker een rapport over de staat van dat burgerschapsonderwijs. Kan beter, was de conclusie, het is nog weinig doelgericht en vaak erg afhankelijk van de individuele leraar. In het po is geen vraag wie dat is: de groepsleerkracht, maar in het vo is de vraag natuurlijk wie de uitdaging aanneemt: de collega geschiedenis, maatschappijleer, misschien zelfs Nederlands of gaan we het vakoverstijgend presenteren? Op het jaarlijkse congres van leraren geschiedenis en maatschappijleer wordt duidelijk dat geschiedenisleraren hier een kans lijken te zien hun vak een nieuwe urgentie te geven. Burgerschapsvorming is absoluut het buzzwoord bij uitstek, deze vrijdag 10 maart 2017 in de Tweede Kamer en bij ProDemos. En gelukkig maar….want aandacht voor burgerschap zou het vak inderdaad een nieuw elan kunnen geven na de jarenlange verlammende discussie over de canon van het Nederlandse geschiedenisonderwijs.

Omgekeerde wereld

In Didactief werd de recente geschiedenis van het vak onlangs gememoreerd door Arie Wilschut in een blog. Broodnodige vernieuwing van het vak – de tien tijdvakken, op basis van het rapport De Rooij uit 2002  – is faliekant mislukt, zo stelde Wilschut, voornamelijk door tegenwerking of onvermogen van examenmaker Cito en de opdrachtgever van de examens, het College voor Toetsen en Examens.

Da's afgezien van de schuldvraag en van de historische inhoud jammer, omdat het curriculum met oriënterende kennis van tien tijdvakken met hun ‘kenmerkende aspecten’ waarvoor de commissie De Rooij pleitte, prima past in de huidige roep om burgerschapsvorming. Het moest immers dienen als achtergrond voor het bespreken van historische en hedendaagse kwesties. Er werd alleen kennis op hoofdlijnen voorgeschreven: geen concrete gebeurtenissen, namen en jaartallen. Eigenlijk ging de Tweede Kamer dus akkoord met een geschiedenisvariant, zou je kunnen zeggen, waar burgerschapsvorming een belangrijke component in vormde.

Maar zoals gezegd, het mocht niet zo zijn. In februari jongstleden liet het CvTE weten dat vier van de tien tijdvakken niet meer in het CE zullen worden bevraagd. De praktijk heeft inmiddels een middenweg gevonden. De afgelopen jaren zijn centraal en schoolexamen steeds meer op elkaar gaan lijken. Leraren gebruiken het vrije deel als het ware om te oefenen voor een centraal examen dat ze als overladen ervaren.

Het vak geschiedenis lijkt er ondertussen niet echt onder te hebben geleden. Het aantal leerlingen dat examen deed in geschiedenis steeg meer (van krap 63.000 in 2002 tot 77.574 in 2016 ) dan het totaal aantal leerlingen in het vo in die periode (dat groeide met 9%) Ook het aantal leraren bleef redelijk stabiel. Op kaartjes die voor vakken als scheikunde en natuurkunde alarmerend rood oplichten, is Nederland knalgeel als het geschiedenisdocenten betreft. Dit is geen tekortvak, sterker nog, veel geschiedenisleraren hebben moeite een baan te vinden.

'Neem burgerschap op
in wettelijke titel
van vak geschiedenis'

Maar de huidige maatschappelijke en politieke onrust en de roep om burgerschapsvorming bieden historici wel een kans op rehabilitatie en kunnen het vak geschiedenis weer sexy maken. Jan Drentje, historicus en rector van het volwassenenonderwijs in Zwolle, pleit dan ook - niet verwonderlijk - voor het opnemen van burgerschap in de wettelijke titel van het vak: geschiedenis, staatsinrichting en burgerschap.

Maar pas op, zegt hij tegelijkertijd, geschiedenis is nooit een één op één-les of advies voor het heden. ‘Het fijne van geschiedenis is nou juist dat je een beetje afstand kunt nemen’ van het heden. Waak dus voor foute vergelijkingen. Denk aan Geert Wilders die de Koran vergelijkt met Hitlers Mein Kampf of (een dag na het congres) Erdogan die het heeft over Nederlandse fascisten. ‘Maar laat leerlingen wel zien dat er een historische ervaring is van omgaan met conflicten waar ze van kunnen leren.’ En wees niet bang stelling te nemen. Iets wat Drentje trouwens zelf wel doet, in het examendossier. Laten we voorkomen dat we in toetsmatrijzen terecht komen die de onze niet zijn, zegt hij, en geef de beroepsgroep een rol in de ontwikkeling en examinering van het vak. Het is een oproep die hij al eerder deed, onder andere in Didactief.

Palestina

Zo rond het middaguur is het VGN-congres zo’n beetje halverwege en is het woord burgerschap al talloze malen gevallen. Maar de lezing gaan vooral over geschiedenisinhoud, niet zozeer over hoe je die zou kunnen overdragen aan een klas vol pubers. Naast Drentje (die in zijn lezing van Thorbecke via Johan Huizinga bij de huidige verkiezingen uitkwam) sprak Siep Stuurman over het begrip burgerschap in de Amerikaanse geschiedenis. Alweer zeer inhoudelijk: wie zijn kladblok klaar had liggen kan met de door Stuurman meegeleverde bronnen zo een aardige les in elkaar zetten. Tenminste voor 5 of 6 vwo, want voor een 3vmbo ging de hoogleraar ideeëngeschiedenis aan het Centre for the Humanities van de Universiteit Utrecht wel wat diep misschien.

Foto Marion Post Wolcot, Library of Congress

In het debat met de zaal komen de actualiteit en de praktijk in de klas wat dichterbij. Weliswaar geen woord over leerlingen die met een ISIS-verhaal en ISIS-waarden aankomen. Wel een collega die vertelt over een stagiaire die aanhanger van extreem-rechts lijkt. ‘Ik doceer voor volk en vaderland, zegt hij tegen mij’.

Mag de klas
een politiek
strijdtoneel worden?

Mag de klas een politiek strijdtoneel worden? In een enquête die ter plaatse wordt gehouden, beantwoordt 52% van de aanwezigen deze vraag instemmend: Ja, je mag als leraar voor je politieke kleur uitkomen. Maar dan ook wel expliciet, zegt Drentje: ‘Ik weet nog wel dat mijn leraar op het Christelijk Lyceum in Gouda zei: “Mijn hele geschiedenisverhaal is gekleurd door mijn liberalisme.” Niet propageren, maar er in de ik-vorm over praten. Je moet als leraar natuurlijk meer doen dan je mening rond toeteren, maar we moeten niet te benauwd doen.’

Het is het sleutelwoord waar de voorzitter van de VGN, Ton van der Schans, op gewacht lijkt te hebben. ‘Ook niet over de PVV?, vraagt hij de zaal even later. ‘Ook hier zullen aanhangers van de PVV zitten. Maar ik heb het gevoel dat er meer ondergronds zit, in de lerarenkamer en in de klaslokalen, mensen die wel voor de PVV voelen. Ik ben er voor dat te onthullen. We moeten die onderstroom willen begrijpen.’

Ondanks de geruststellende woorden van Drentje voel je in de zaal dat het gesprek lastiger wordt zodra het verleden dichterbij komt en zich bemoeit met het heden. Niet bang zijn, zegt leraar Franka de Kort tegen de aanwezige leraren: ‘De kans dat je kinderen indoctrineert is vrij klein, maar je hebt wel de kans verschillende meningen voor het voetlicht te brengen en dat is juist goed voor leerlingen.’ Dat is immers een onderdeel van burgerschapsvorming. Tot wat voor discussies dat kan leiden onder historici of in de klas, wordt duidelijk als iemand uit de zaal de VGN verwijt dat Palestina uit het centraal examen vmbo is gehaald en getransporteerd naar het ‘veiliger’ schoolexamen. ‘Aan de VGN was de taak om dit soort dingen niet te ontlopen’, aldus de spreker.

Nederlands Indië

Burgerschap gaat er ook over dat je verschillende perspectieven kunt innemen en begrip kunt opbrengen voor de standpunten van ‘de ander’. Dat blijkt nog wel work in progress even later als Mark van Berkel zijn memo De oorlogen in Nederlands Indië – Indonesië 1942/1949 in het geschiedenisonderwijs aan voormalig Tweede Kamervoorzitter Gerdi Verbeet mag aanbieden. Het is geschreven in opdracht van het Nationaal Comité 4-5 mei en concludeert onder andere dat Indische verhalen minder aandacht krijgen in de Nederlandse klas dan misschien wenselijk is en dat er weinig aandacht is voor meervoudige perspectieven in de methoden  (‘het Indonesische perspectief heb ik niet kunnen vinden,’ aldus Van Berkel met gevoel voor understatement).

Collectie Tropenmuseum: militaire kolonne tijdens de eerste zogenoemde politionele actie

Ons Indië lijkt in deze zaal in ieder geval een redelijk onbekend hoofdstuk. Bijna iedereen zit er naast als Gerdi Verbeet vraagt hoeveel Nederlanders er iets met Nederlands-Indië te maken hebben (2 miljoen), slechts een paar handen  gaan omhoog als de zaal wordt gevraagd wie het boek De brandende kampongs van generaal Spoor van Remi Limpach kent (over het extreme structurele geweld van de Nederlandse overheid tegen de Indonesische onafhankelijkheidsstrijders). Waar een paar jaar geleden slavernij een hot item was onder historici (deden we er nou wel of niet genoeg aan?), zou dat het komend decennium wel eens Neerlands Indië kunnen worden.

Molukse treinkapers

Heden en verleden verbinden op zoek naar burgerschapsvorming: ‘Het is bloemen plukken langs de rand van het ravijn,’ zoals mijn vader vroeger zei, vertelt Verbeet. Dat wordt ’s middags heel concreet. In een workshop door het Zwijsen College uit Veghel ontstaat een gesprek over de geschiedenis van Nederlands Indië en de RMS, die onder andere leidde tot de Molukse treinkapingen in De Punt en Bovensmilde (waar Frank Westerman onlangs het prachtige Een woord, een woord over schreef). Een leerling van Molukse afkomst blijkt daar heel specifieke gedachten over te hebben. Hij staat te praten met een leraar geschiedenis uit Den Haag wiens oom in de Nederlandse zogenoemde 7 december divisie diende in Indië. Het geeft een extra touch aan deze workshop over design thinking.

'Bloemen plukken
langs de rand
van het ravijn'

Verbinden is ook burgers vormen. Hellen Janssen weet tijdens haar workshop meteen de toon te zetten: ‘Leerlingen bepalen mee wat wij doen op het Zwijsen College. Lesgeven is voor mij letterlijk van plaats wisselen en niet alleen “ik” maar “samen”: wat willen wij nou leren van de geschiedenis?’. Ze heeft drie leerlingen meegenomen. Kern van de methode van Janssen is dat je geschiedenis zo aanbiedt dat leerlingen zich gezien voelen, leren kritisch te redeneren en historisch te redeneren en dat leraar en leerling met elkaar in gesprek leren. En dat kan resulteren in bijvoorbeeld het naspelen van de conferentie van Berlijn uit 1884-1885 waarbij Duitsland zich als relatief nieuwe koloniale mogendheid opwierp.

Leerlingen spelen kolonisatoren, gekoloniseerden en moeten nadenken over wat dat doet met hun identiteit. Hier vindt burgerschapsvorming plaats. Dit design thinking resulteert in ieder geval in Veghel zo op het eerste gezicht in gemotiveerde leerlingen. Vraag is misschien wel hoe de geschiedenisdocent kan bewaken dat er op zoek naar burgerschapsvorming tijdens de geschiedenisles geen les maatschappijleer of antropologie wordt ontworpen. Tijdens de design think-sessie die Janssen begeleidt wordt in een van de deelgroepjes bijvoorbeeld enthousiast voorgesteld leerlingen aan het werk te zetten met traditionele dansen van verschillende inheemse Afrikaanse volkeren: maar hoe historisch is de les dan nog? Aan de andere kant is een van de leerlingen, afkomstig uit Afrika, wel super gemotiveerd en, zegt ze: ‘Veel dansen hebben een historische context’.

De suggestie Afrikaanse dansen te presenteren tijdens de geschiedenisles geeft mijns inziens het dilemma van burgerschapsvorming bij geschiedenis wel goed weer. Hoe bewaak je de grenzen van je vak, wat wil je dat ze leren, wat is acceptabel en wat niet meer?

Foto Pearl Harbour By USN [Public domain], via Wikimedia Commons

Wanneer wordt burgerschapsvorming binnen het vak geschiedenis eigenlijk maatschappijleer en mensenrechtenkunde? Die vraag wordt tijdens de laatste workshop die ik bijwoon, van Gijsbert Oonk van de Erasmus Universiteit Rotterdam, nog eens te meer duidelijk. Hij besteedt uitgebreid aandacht aan de internering van Japanners in de Verenigde Staten na de Japanse aanval op Pearl Harbour in 1942. Een discussie ontstaat over groepsrechten versus individuele rechten, maatschappelijke veiligheid, hedendaags terrorisme. Het verleidt een van de deelnemers (Alderik Visser van SLO) tot de verzuchting dat ‘geschiedenis geen grabbelton voor morele lessen’ moet worden. Zijn dit vragen voor de geschiedenisles? (Voor wie die vraag met ‘ja’ beantwoordt, is er een aardig handboek beschikbaar van de Raad van Europa) Maar helder zal zijn: de scheidslijn tussen geschiedenis en maatschappijleer als je burgerschapsvorming wilt integreren in de eerste is dun. Nog afgezien van de vraag trouwens hoe je burgerschapsvorming zou moeten examineren, als het echt zou worden opgenomen in de wettelijke titel van het vak zoals Jan Drentje bepleitte…. Vraag is of Cito en CvTE daar wel weg mee zouden weten?

Verder lezen

1 Leraar krijgt voet tussen deur bij examens