Nieuws

Leraar krijgt voet tussen deur bij examens

Tekst Monique Marreveld
Gepubliceerd op 23-01-2017 Gewijzigd op 10-02-2017
Beeld Human Touch Photography
Leraren is meer betrokkenheid beloofd bij de curriculumherziening, ook wel Onderwijs2032. Nu lijkt de beroepsgroep ook bij de eindexamens een voet tussen de deur te krijgen. Het CvTE zegt de rol van leraren te willen versterken, maar er moet nog wel wat gebeuren voordat de deur echt opengaat.

Het broeit bij het College voor Toetsen en Examens (CvTE). Het lijkt zich de groeiende kritiek op de kwaliteit van de centrale eindexamens aan te trekken. Niet vanzelf trouwens. Er was wel wat druk van de Tweede Kamer en de staatssecretaris voor nodig – vooral op 17 augustus 2016, tijdens het overleg van de vaste Kamercommissie. Moe van de slechte pers moedigde Sander Dekker het college aan snel te komen tot een inhoudelijke reactie aan de criticasters. Er ligt nu een memo, Ieders examen de denkrichting (verschenen eind november): nog wat defensief, maar er is een opening.

Wat is de kritiek?

Economieleraar en lid van de Onderwijsraad Ferry Haan schreef onlangs op didactiefonline.nl kritisch over het centraal examen economie. Dat zou modernisering van het vak hinderen. Relevante kritiek nu er sprake is van een curriculumherziening, denk aan Onderwijs2032. Immers, in de bovenbouw bepalen de examens grotendeels het programma. Hoe succesvol kan een curriculumherziening worden als de examens niet of onvoldoende mee veranderen?

Wat is er aan de hand? In 2005 trachtte de commissie-Teulings het vak economie te moderniseren. Maar, schrijft Haan, ‘Cito is een conservatieve kracht geweest in deze vernieuwing. (…) De Cito-examens zien er weer precies hetzelfde uit als voor de vernieuwing. (…) Er zijn nieuwe onderwerpen bijgekomen en sommige onderwerpen zijn weg. Aan de vraagstelling is echter niets veranderd.’

Wetgever omzeild

Bij ons is precies hetzelfde gebeurd, reageerde eind december spontaan Arie Wilschut, lid van de commissie-De Rooy die in 2007 werd ingesteld om het vak geschiedenis te moderniseren, met onder meer de tien tijdvakken als resultaat. Wilschut is lector Didactiek van de maatschappijvakken aan de Hogeschool van Amsterdam. Hij spreekt van ‘een langdurig proces waarin een op vernieuwing van het geschiedenisonderwijs gericht examenprogramma zodanig is uitgekleed, dat er vrijwel niets meer van over is’ (zie column pagina 13 en didactiefonline.nl).

Het vanaf 2018 geldende examen is volgens hem ongeveer het omgekeerde van wat het eindexamenprogramma beoogt. Wilschut noemt het ‘merkwaardig dat via aanvullende regels, neergelegd in syllabi van het CvTE, een examenprogramma in zijn tegendeel kan worden veranderd. Van een curriculum gebaseerd op ‘oriënterende kennis’ van tien tijdvakken met hun ‘kenmerkende aspecten’ naar reproductieve leerstof vol concrete gebeurtenissen, namen en jaartallen. De wetgever wordt hiermee handig omzeild.’

Speelruimte

Wilschut trekt de vraag breder: hoe groot is de speelruimte van het CvTE en Cito eigenlijk bij examens? Het CvTE is een zelfstandig bestuursorgaan, onder meer verantwoordelijk voor de centrale examens. Het voert een publieke taak uit voor de overheid. Wettelijk verplicht is de samenwerking met ketenpartner Cito voor het ‘productiewerk’. De Onderwijsinspectie controleert de afname van de examens. Maar wie controleert de inhoud en kwaliteit van de examens? En aan wie leggen het CvTE en Cito verantwoording af als die kwaliteit onder de maat is?

inspraak bij eindexamenDe meeste toetsen worden in Nederland vooraf beoordeeld door de Commissie Testaangelegenheden Nederland (COTAN, zie ook didactiefonline.nl), vooral op psychometrische kwaliteit. Maar bij high stakes-testen als de centrale examens ontbreekt een externe, onafhankelijke kwaliteitstoets. Ervaren leraren zijn wel betrokken bij de totstandkoming, laat Cito weten: een aantal maakt deel uit van de zogenoemde constructiegroepen, vaststellingscommissies, syllabus- en toetswijzercommissies van het CvTE. Na afname van de examens beoordeelt een andere groep vakleraren de vragen in een zogenoemde examenbespreking met Cito en het CvTE. Cito maakt een correctiemodel en stelt de N-term vast, de weging van de puntentelling.

Goed geregeld, toch? Dat lijkt zo, maar probleem is dat de inbreng van leraren geen formele status heeft: leraren worden wel geconsulteerd, maar met hun oordeel hoeven het CvTE en Cito geen rekening te houden en leraren kunnen er geen rechten aan ontlenen. Wat er met hun input wordt gedaan, is aan Cito en het CvTE.

Cito en het CvTE opereren, laten we zeggen, ‘autonoom’, zo ontdekten wiskundeleraar Harry Schutjes en rector en tevens docent geschiedenis en filosofie Jan Drentje van het Deltion Sprint Lyceym (VAVO) in Zwolle. Schutjes diende samen met zijn acht collega’s uit het land na de centrale examenbespreking van het vwo wiskunde A- en C-examen in 2012 een unanieme klacht in bij het CvTE over de kwaliteit van het examen. Het CvTE heeft hier vier jaar lang niets mee gedaan (zie kader).

Eén curriculum- en toetsinstituut

Leraren moeten meer invloed op het examenproces krijgen, vindt een groeiende groep. Zij kregen een stem, afgelopen zomer, in een blog van Jelmer Evers, geschiedenisleraar aan UNiC, en Dick van der Wateren, leraar natuurkunde en natuur, leven en technologie (NLT) aan het Eerste Christelijk Lyceum in Haarlem. Zij verzamelden klachten van collega’s over de kwaliteit van de examens (‘serieuze vraagtekens bij de validiteit en betrouwbaarheid’), over problemen met de correctie en de antwoordmodellen, en over een gebrek aan transparantie bij digitale examens en normering.

Evers en Van der Wateren schreven: ‘Vragen van leraren over de examens of de normering worden steevast omzeild of onvoldoende beantwoord, en klachten worden op elkaar afgeschoven. Docenten die in voorgaande jaren klaagden bij Cito of het CvTE, melden dat ze werden afgescheept.’ Het tweetal deed alvast een online voorstel voor verbetering: nauwere samenwerking met de praktijk, meer invloed van vakverenigingen op het curriculumontwerp en het ontwikkelen van examens, en meer inspraak van en afstemming met lerarenorganisaties (‘en niet met kleine comités die niet met elkaar overleggen’).

Ze pleiten voor één nieuw curriculum- en toetsinstituut waarin leraren een formele rol krijgen en waarin het CvTE, Cito en SLO opgaan. Geen schotten meer tussen de verschillende domeinen, maar één geheel van curriculum- en toetsontwerp. In de toekomst zouden ze bovendien graag zien dat de verhouding tussen het centraal eindexamen (CE) en het schoolexamen verandert, zodat leraren minder strikt gebonden zijn aan het CE in de bovenbouw.

Van der Wateren is inmiddels in overleg met het CvTE over een pilot met gecertificeerde schoolexamens op tien scholen, in ruil voor een minder zwaar CE.

Geen formele rol voor leraren

Schutjes en zijn vakcollega’s hadden minder succes bij het CvTE met hun klacht en alarmeerden ten einde raad de Tweede Kamer met een petitie. Moties van Straus (VVD) en Van Meenen (D66) volgden, en een debat half augustus, alles om meer openheid bij het CvTE te vragen en een grotere rol voor leraren. Half november kwam het CvTE met een reactie.

Eén curriculum- en toetsinstituut is in de memo Ieders examen nog niet terug te vinden. Allereerst bagatelliseert het CvTE de kritiek op de examens: ‘Overheidsbeleid in z’n algemeenheid is niet meer automatisch geaccepteerd, zo ook het examineren niet. Individualisering, consumentengedrag en juridificering hebben hun invloed.’ Het is geen formulering die duidt op twijfel aan eigen kunnen. Er is sprake van ‘een nieuwe communicatieve werkelijkheid’, staat in de memo, en het CvTE refereert meermaals met ontzag aan sociale media, die samen met de pers als het ware de schuld krijgen. Toch, dat er iets moet gebeuren, lijkt wel duidelijk geworden in de Muntstraat in Utrecht, waar het CvTE zetelt.

Daar staat tegenover dat veel maatregelen in de memo nogal gratuit zijn: workshops op het Lerarencongres en voor de VO-raad, en meer rechtstreeks contact met docenten. Ook stelt de memo een docentenolympiade voor, waarin leraren per vak na een korte training worden uitgenodigd om vragen en antwoorden te ontwerpen die daadwerkelijk gebruikt kunnen worden in een centraal examen.

Wat ontbreekt in de memo is melding van een formele rol voor leraren. Weliswaar stelt het CvTE voor om wiskundeleraren een vorm van inzage vooraf te gunnen bij het examen havo wiskunde A, eerste tijdvak. En leraren scheikunde zouden eenzelfde preferred partner-rol krijgen. Maar, ‘de opgaven zijn dan al gedrukt’. Bottomline: de leraar wikt, maar het CvTE en Cito beslist. Opmerkelijk overigens, dat alleen de vakken wiskunde en scheikunde worden genoemd. Toch laat Cito weten dat er, samen met het CvTE, wordt gezocht naar een ‘verdere intensivering (...) van de betrokkenheid van scholen en docenten bij examenconstructie’.

Anders wordt het, indien er problemen rijzen bij de examenbespreking, zoals met Schutjes gebeurde. Het CvTE stelt een correctiecommissie voor, waarin onafhankelijke deskundigen zitten die bij onenigheid tussen het CvTE en docent een bindende uitspraak kunnen doen. Het CvTE lijkt dus wel enigszins tegemoet te komen aan de critici. Cito laat weten dat ‘de roep uit het veld om grotere betrokkenheid bij de examens ‘niet aan ons voorbijgaat’. Deze maand wordt een reactie van Dekker verwacht. Hij heeft al laten weten een pragmatische oplossing te wensen, ‘in plaats van dat we het juridificeren’. Dat duidt niet direct op een formele rol voor docenten bij het examenproces.

 

BeroepsprocedureBeroepsprocedure

Wiskundeleraar Harry Schutjes zat in mei 2012 bij de centrale examenbespreking wiskunde A en C met vertegenwoordigers van Cito en het CvTE, ten kantore van het CvTE. Unaniem oordeelden hij en acht wiskundeleraren dat een examenvraag fout was (zie didactiefonline.nl). Toch bleef de vraag meetellen, bij wat inmiddels een kernvak is (in 2012 nog niet), dat mede bepaalt of leerlingen slagen of zakken.

Schutjes en collega’s stonden met lege handen: hun oordeel had en heeft geen formele status. Zij kregen geen verslag van de bespreking, waarin zij hun inbreng konden terugvinden.

Een lang traject volgde. Schutjes cum suis dienden een klacht in bij de Examenlijn, een online loket van het CvTE, maar weer gebeurde er niets. De enige andere mogelijkheid om een klacht aanhangig te maken, is een procedure bij de Ombudsman, die negen maanden duurt. Zinloos voor benadeelde examenkandidaten: die hebben hun examenuitslag al wanneer de uitspraak komt.

Na tevergeefs bij het CvTE, Onderwijscooperatie en vakverenigingen aan de bel te hebben getrokken, startte Schutjes een petitie die de aandacht trok van de Tweede Kamer. Zijn wens, die inmiddels wordt gesteund door zijn rector en docent geschiedenis en filosofie Jan Drentje van het Deltion Sprint Lyceum (VAVO) in Zwolle: een formele status van de examenbespreking door vakleraren na het centraal examen en een behoorlijke beroepsprocedure, als die vergadering een breed gedragen fout constateert. Een commissie met een vertegenwoordiger van het CvTE, Cito en de vakleraren die de examenbespreking doen, zou binnen 24 uur moeten beslissen of de klacht terecht is of niet. De memo van het CvTE Ieders examen (zie artikel) lijkt in deze richting te gaan.
Lees ook de reactie van staatsecretaris Dekker op de petitie.

Dit artikel verscheen in het januari/februari nummer, 2017.

 

Complete reactie van Cito (deels verwerkt in bovenstaand artikel):
De roep uit het veld om grotere betrokkenheid bij de examens gaat niet aan ons voorbij. Examens worden gemaakt voor en door het onderwijsveld. Wij willen dan ook benadrukken dat veel ervaren docenten intensief betrokken zijn en meebeslissen bij de constructie, de normering en de evaluatie van de examens. Cito vindt het belangrijk mede zorg te dragen voor een examensysteem dat past bij het huidige onderwijs en in staat is om mee te bewegen bij veranderingen in het onderwijssysteem. Ten aanzien van betrokkenheid van scholen en docenten bij examenconstructie, onderzoekt Cito samen met CvTE naar een verdere intensivering.

 

Verder lezen

1 Brokkenmakers CvTE onder vuur