Nieuws

De 'schuldige collectie'

Tekst Jacques Dane
Gepubliceerd op 15-08-2021 Gewijzigd op 10-08-2021
Jacques Dane over het beeld van de voormalige kolonie Nederlands-Indië op schoolplaten in het Nationaal Onderwijsmuseum.


In het hedendaagse (geschiedenis)onderwijs is het koloniale verleden van Nederland een marginaal onderwerp: veel docenten vinden het moeilijk om maatschappelijk gevoelige thema’s zoals slavernij, racisme en uitbuiting met hun leerlingen te bespreken. Debatten in de media, nieuw lesmateriaal, tentoonstellingen over slavernij in het Tropenmuseum en het Rijksmuseum en niet te vergeten een mentaliteitsverandering bij schoolboekenmakers brengen hier verandering in: de overdracht van kennis over de bloedige, mensonterende erfenis van het koloniale verleden van Nederland begint langzaam maar zeker een vaste plek te krijgen in de Nederlandse klaslokalen.

In de recente mediadebatten speelt de onderwijsgeschiedenis een marginale rol. De vraag hoe generaties scholieren vanaf de invoering van de Leerplichtwet in 1901 – maar ook al ver daarvoor – les kregen over de Nederlandse koloniën, komt nauwelijks ter sprake. Een verklaring hiervoor is dat schoolboeken en andere leermiddelen zoals schoolplaten en geografische kaarten, over het algemeen niet serieus worden genomen als historische bron: het zijn slechts producten van een massacultuur die onderaan de boekenpiramide bungelen. De enige plek waar deze bron systematisch bewaard wordt, is het Nationaal Onderwijsmuseum in Dordrecht.

Door de debatten over slavernij en kolonialisme is de deelcollectie schoolplaten over de voormalige kolonie Nederlands-Indië in de wandelgangen de ‘schuldige collectie’ gaan heten. Waarom? De geschiedenisboekjes en handleidingen die bij deze veelkleurige schoolplaten met soms adembenemend natuurschoon werden gebruikt, geven een antwoord op de vraag waarom in het verleden nooit eerder een maatschappelijke discussie over het kwalijke, mensonterende kolonialisme gevoerd is.


Frits van Bemmel (1898-1981)
‘Sawah Landschap’, circa 1930
Serie: Milieuplaten – 12 platen voor het Indisch Onderwijs
J.B. Wolters Uitgevers Maatschappij N.V. Groningen, Den Haag, Batavia, Weltevreden
Collectie Nationaal Onderwijsmuseum, Dordrecht


 

Handel in koloniale producten

In geschiedenisboekjes uit de tweede helft van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw worden de nijvere Nederlanders als een ‘handeldrijvend volk’ voorgesteld. Al in de vijftiende eeuw, zo vertelde meester of juf, handelde men met de Portugezen, die specerijen zoals peper, kruidnagel, muskaatnoten en foelie van Azië naar Lissabon verscheepten. Vanuit de Portugese hoofdstad transporteerden de Nederlanders deze vaak ‘peperdure’ specerijen – peper was voor velen onbetaalbaar – naar de havens in West- en Noord-Europa.

Omdat de ondernemende Nederlanders hun winsten nog verder wilden vergroten, trokken zij zelf naar ‘de Oost’. Onder leiding van de ontdekkingsreizigers en handelslieden Cornelis de Houtman (1565-1599) en Pieter Keyser (1540-1596) bereikten vier kleine schepen de handelsplaats Bantam op het eiland Java. Bantam was vooral bekend van de peperhandel. In schoolboekjes en op schoolplaten werd de aankomst van de vloot van De Houtman en Keyser in beeld gebracht: in de handleiding bij de schoolplaat Op de rede [ankerplaats] van Bantam (1910) worden deze ‘ondernemers’ afgeschilderd als de grondleggers van de Nederlandse handel in ‘de Archipel’. De wereldwijd bekende Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) behartigde daar tussen 1602-1798 ‘onze’ handelsbelangen.

 


In de handleiding bij deze schoolplaat wordt Jacob Cornelisz. van Neck (1564-1638), de leider van de tweede Nederlandse expeditie naar Oost-Indië (1598-1600), sprekend opgevoerd: ‘’s Morgens bij zonsopkomst, terwijl ik bezig was mijn fraaiste kleren aan te trekken, kwam Abdul in mijn hut zeggen, dat er een prauwtje langs ons schip lag met een Chinees, die mij namens den Gouverneur van het land kwam vragen, wat het doel van onze komst was. Ik liet de Chinees weten dat we gekomen waren om de Gouverneur om vriendschap te verzoeken om vredig en beleefd met de inwoners van Bantam te mogen handelen.’

J.H. Isings (1884-1977)
‘Op de reede van Bantam’, 1913.
Serie: Schoolplaten voor de vaderlandsche geschiedenis.
Uitgeverij J.B. Wolters, Groningen
© Noordhoff Uitgevers | Collectie Nationaal Onderwijsmuseum

 

 

Ethische politiek

Door de eeuwenlange economische uitbuiting van Indië werd Nederland een welvarend land. In de negentiende eeuw riep dit kritiek en schuldbesef op, die door de Nederlandse overheid in 1901 werd beantwoord met de invoering van de zogenoemde ‘ethische politiek’. Deze had twee doelstellingen: het grote Indische eilandenrijk zou geheel onder Nederlands gezag worden gebracht en voor de oorspronkelijke bevolking zou een onderwijssysteem worden opgezet, gericht op zelfbestuur onder Nederlandse leiding. Betekende dit het einde van Oost-Indië als wingewest?

Integendeel. Vanuit de overheid, de industriëlen, de ondernemers in koloniale producten en ook vanuit missie en zending werd het onderwijs in Nederland ingezet om mensen te rekruteren voor werkzaamheden in Nederlands Oost-Indië. Via schoolplaten en lesboeken voor aardrijkskunde en geschiedenis werden scholieren bekend gemaakt met de taal en cultuur (muziek, dans, architectuur, religie) van het eilandenrijk. Opvallend is dat in de handleidingen de koloniale koopwaar de hoofdrol speelde: tabak, rijst, koffie, thee en olie.

Het onderwijs in Nederland moest ervoor zorgen dat jonge mannen en vrouwen enthousiast zouden worden gemaakt voor de ethische politiek: binnenlands bestuur, onderwijs aan de Indonesische bevolking en niet te vergeten de Nederlandse handelsbelangen.



Johan Gabriëlse (1881-1945)
‘Tabaksbouw in Deli, Sumatra’
Uitgever J.B. Wolters Groningen/Den Haag, 1927
Collectie Nationaal Onderwijsmuseum, Dordrecht

 

 

Nederlands-Indië onafhankelijk

Na de Tweede Wereldoorlog was Indonesië ‘officieel’ nog een Nederlandse kolonie. Maar jonge intellectuelen en politici streden er al sinds de jaren twintig voor dekolonisatie. In Nederland opgeleide Indonesische intellectuelen riepen op 17 augustus 1945 de Republik Indonesia uit.

Er volgde een oorlog waarin tal van wreedheden werden begaan. De Verenigde Staten en de Verenigde Naties leverden kritiek op het Nederlandse pogen de kolonie en de economische belangen te behouden. De koloniale oorlog stond in Nederland eufemistisch bekend onder de term ‘politionele acties’, waarin het leger vooral probeerde rijstvelden, plantages en olievelden te heroveren.

Na de onafhankelijkheid van Indonesië in 1949 werden door de Nederlandse militairen gepleegde misdaden – standrechtelijke executies, uitmoorden van dorpen, martelen van guerrillastrijders – decennialang als ‘incidentele excessen’ afgedaan. Historici en nabestaanden van slachtoffers leverden kritiek op deze respectloze houding. December 2016 gaf de Nederlandse overheid eindelijk toe, dat er in de periode 1945-1949 sprake was geweest van systematisch, buitensporig geweld tegen de Indonesische bevolking. Minister van Buitenlandse Zaken Bert Koenders benadrukte de noodzaak van historisch onderzoek voor de huidige tijd: ‘Het is belangrijk dat we als land in de spiegel van onze eigen geschiedenis durven kijken, zeker als we zelf andere landen aanspreken.’



Frits van Bemmel (1898-1981)
'Avondbestemming', circa 1930
Serie: Milieuplaten – 12 platen voor het Indisch Onderwijs
J.B. Wolters Uitgevers Maatschappij N.V. Groningen, Den Haag, Batavia, Weltevreden
Collectie Nationaal Onderwijsmuseum, Dordrecht

 

 

Lessen als kind ontvangen

De collectie van het Nationaal Onderwijsmuseum bevat schoolboeken, schoolplaten en andere leermiddelen die de bewogen geschiedenis van Nederlands-Indië in het klaslokaal in beeld brachten. Deze leermiddelen zijn door generaties onderwijzers gebruikt en vormden bij veel Nederlanders het beeld van het ‘oude Indië’: een belangrijke kolonie die Nederland eeuwenlang rijkdom opleverde. Na de Tweede Wereldoorlog volgde een ingewikkelde, pijnlijke dekolonisatieperiode, die tot op de dag van vandaag onderwerp van gesprek is.

Leermiddelen hebben door hun brede verspreiding in het onderwijs een grote invloed op het beeld van het verleden. Opvallend is dat vooral economische onderwerpen een terugkerend thema waren op schoolplaten met prachtige, kleurrijke voorstellingen. Deze beelden leven nog altijd voort in plaatjesboeken en populaire documentaires, maar ook in de hoofden van de Nederlanders die er les mee kregen.

 


Johannes Gabriëlse (1881-1945)
‘De Sabanghaven op Poeloe Weh Sumatra’, 1924
Serie: Insulinde in woord en beeld.
Uitgeverij J.B. Wolters Groningen/Den Haag.
Collectie Nationaal Onderwijsmuseum


 

De voormalige kolonie mag dan in 1949 onafhankelijk zijn geworden, in het hedendaagse politieke en historische discours speelt Nederlands-Indië nog altijd een rol, met tegenstrijdige beelden: enerzijds de prachtige natuur en economische welvaart, anderzijds de economische uitbuiting, knechting en oorlogsmisdaden.

Het eenzijdige, vooroorlogse beeld van Nederlands-Indië op de schoolplaten zorgde voor tal van (voor)oordelen, sjablonen en nietszeggende algemeenheden. Voor het geschiedenisonderwijs in het algemeen is dat treffend verwoord door de Franse historicus Marc Ferro. In zijn studie The Use and Abuse of History (1984) toonde hij aan dat het actuele beeld dat wij van andere mensen en van onszelf hebben vooral gebaseerd is op de geschiedenis- en aardrijkskundelessen die wij als kind hebben ontvangen. Deze lessen kenmerken ons voor het leven. Een groot deel van onze hedendaagse meningen en emoties stammen uit onze kinder- en schooltijd en lijken onuitwisbaar. Daarom is het voor generaties Nederlanders, met herinneringen aan bovengenoemde schoolplaten en -boeken, ingewikkeld om het koloniale verleden vanuit het perspectief van de onderdrukte Indonesische bevolking te zien.

Dit laatste is een goede reden om onderwijsmethodes uit het verleden intensief te onderzoeken. Schoolboeken en handleidingen bij schoolplaten geven antwoorden op vragen over het ontstaan van hedendaagse, ongefundeerde meningen over racisme, economische uitbuiting en onderdrukking van vrouwen en minderheden. Daarom is de ‘schuldige collectie’ Nederlands-Indië van het Onderwijsmuseum zo waardevol en actueel.



W.C.C. Bleckmann (1853-1942)
‘Tweelingvulkaan Gedeh-Pangerango, Java’, 1913
Serie: Insulinde in woord en beeld.
Uitgeverij J.B. Wolters Groningen/Den Haag
Collectie Nationaal Onderwijsmuseum



Jacques Dane is hoofd collectie en onderzoek van het Nationaal Onderwijsmuseum in Dordrecht. Dit is een uitgebreide bewerking van zijn artikel De actualiteit van een schurende deelcollectie. In: Lessen, winter 2020.
 


                                                             Verder lezen

  • Evelien Walhout and Jacques Dane. ‘Picturing the East. A Visual Analysis of Late Nineteenth- and Early Twentieth-Century Educational Tools from the Collection of the Dutch National Museum of Education’. In: Nancy Jouwe e.a. (eds.). Gendered Empire. Intersectional perspective on Dutch post/colonial narratives. Amsterdam/Hilversum: Verloren, 2020. Blz. 157-187.

  • Elisabeth Wesseling and Jacques Dane. ‘Are "the Natives" Educable? Dutch Schoolchildren Learn Ethical Colonial Policy’. In: Journal of Educational Media, Memory and Society 10 (2018). Blz. 28-43

 

Click here to revoke the Cookie consent