Dossier

D Translate

Tekst Bea Ros & Eline Geus
Gepubliceerd op 24-02-2017 Gewijzigd op 02-04-2019
Wat betekenen toch al die (buitenlandse) termen uit onderwijsonderzoek waar iedereen het steeds over heeft? Didactief vertaalt ze in gewoon Nederlands. Elke maand komt er een nieuw woord bij.  

Agency

znw; Eng.
Letterlijk: het vermogen te handelen

Vaak in combinatie: learner agency of teacher agency. Een leraar met agency werkt aan zijn eigen professionele groei en kan waar nodig dingen veranderen. Hij kijkt verder dan zijn neus lang is, gelooft beleidsmakers niet op hun mooie blauwe ogen en is kritisch over zo-doen-we-dat-hier-nou-eenmaal en over zijn eigen functioneren.
In één woord: handelingsvermogen of -vrijheid. Niet te verwarren met autonomie en my-class-is-my-kingdom, want de handelingsvrije leraar doet het wel samen met zijn collega’s.

Alignment

znw. Eng.

Letterlijk: richting, richtlijn. Alignment is lastig in één woord te vangen, het betekent zoveel als: iets in één lijn vangen of dingen op dezelfde lijn houden, oftewel ‘alle neuzen dezelfde kant op’. Voor goed onderwijs is het nodig dat er verbinding en afstemming is tussen iedereen die betrokken is bij het verzorgen van dat onderwijs. En dat regels en structuren elkaar versterken in plaats van dwarsbomen: verticale alignment. Het kan ook gaan om toetsen die zijn afgestemd op leerdoelen en het gegeven onderwijs: constructive alignment

 

Blended learning

znw. Eng.

Letterlijk: gemixt leren.
Bij blended learning combineer je digitaal en face-to-faceonderwijs. Een bekend voorbeeld van blended learning is de flipped classroom: hierbij verdiepen leerlingen zich thuis zelfstandig in de lesstof via video’s en online instructie. De klassikale lestijd gebruik je voor extra uitleg, verdieping en samen opdrachten maken.

 

Correlatie

znw.

Letterlijk: samenhang. Correlatie gaat over samenhang tussen twee zaken, bijvoorbeeld het salaris van de leraar en de kans op een burn-out. Onderzoekers geven dit weer met een getal tussen -1 en 1. Bij 1 lopen de variabelen gelijk op (hoe meer salaris, hoe meer burn-out), bij -1 lopen ze juist uit elkaar (minder salaris, meer burn-out) en bij 0 is er geen enkele samenhang. Maar het allerbelangrijkste om te onthouden: correlatie is geen oorzakelijk verband (causaliteit). Oftewel: de burn-out wordt niet veroorzaakt door de hoogte van hun salaris.

 

Dunning-Kruger-effect

znw.

Hoe minder competent leerlingen in een bepaald vak zijn, hoe meer ze zijn geneigd het eigen kunnen te overschatten. Juist door hun incompetentie missen ze de metacognitieve vaardigheid om in te zien dat hun conclusies soms verkeerd zijn. Mensen die bovengemiddeld competent zijn, hebben juist de neiging hun eigen kunnen te onderschatten. Dit bleek uit een studie uit 1999 van de Amerikaanse onderzoekers Dunning en Kruger, naar wie dit effect vernoemd is.

 

Exploratief onderzoek

bijv. nw. + znw.

Letterlijk: verkennend onderzoek. Bij exploratief onderzoek verken je een onderwerp, zonder een hypothese vooraf. Je verzamelt data en bekijkt die met open vizier, op zoek naar eventuele relaties. Stel, je wilt weten waarom zo veel leerlingen in 3 havo blijven zitten. Dan verzamel je breed, maar systematisch, gegevens van de school, ouders en leerlingen. Die verkenning levert je ideeën voor maatregelen of vervolgonderzoek met een gerichte hypothese.

 

Mattheüs-effect

znw
Ontleend aan de bijbel (Mattheüs 13:12): ‘Want wie heeft, zal nog meer krijgen en het zal overvloedig zijn; maar wie niets heeft, zal zelfs het laatste worden ontnomen.

Wie het goed doet, doet het steeds beter en wie het slecht doet, haalt die achterstand nooit meer in. Bijvoorbeeld: Ella kan goed lezen, hoort steeds hoe goed ze het doet, leest daarom graag en haalt een steeds hoger niveau. Sara vindt lezen moeilijk, maakt vaak foutjes, leest daarom niet graag en haalt niet zo’n hoog niveau. Laagvlieger Sara zal de hoogvliegende Ella nooit meer overtreffen.

 

Meta-analyse

znw.
Letterlijk: een analyse van analyses. Lang niet elk onderzoek doet de wereld op haar grondvesten schudden, vaak zijn het slechts kleine stapjes vooruit. Maar als je nu heel veel onderzoeken over zeg differentiatie samenpakt, dan word je wel veel wijzer. Dat is het doel van een meta-analyse: de onderzoeker analyseert resultaten uit eerder onderzoek over een bepaald thema en komt tot algemene conclusies. Verwant is een review of literatuuroverzicht, waarin een onderzoeker publicaties rond eenzelfde thema bespreekt en kijkt naar overeenkomsten en verschillen.

 

Metacognitie

znw.
Letterlijk: kennis over de eigen kennis. Volgens diverse onderzoekers gaat leren beter als je ook weet hoe je leert. Met een duur woord noemen we dat metacognitie. Je kunt diverse metacognitieve vaardigheden onderscheiden, zoals plannen, jezelf controleren of je het goed doet en reflecteren op wat je goed of fout hebt gedaan. Hoe zelfstandiger je leert of moet leren, hoe belangrijker de metacognitie wordt. Je hoofd helpt je hoofd om een leertaak te tackelen.

Nulmeting

znw.

Een nulmeting gebruik je als je het effect van een interventie, bijvoorbeeld een leesmethode, wilt vaststellen. Voordat de interventie start, meet je het huidige niveau, bijvoorbeeld het leesniveau van de klas. Dit is de nulmeting. Daarna ga je aan de slag met de interventie en vervolgens neem je nogmaals een meting af: de nameting. Het effect van de interventie kun je vaststellen door het resultaat van de nameting en de nulmeting met elkaar te vergelijken. Presteren de leerlingen significant beter op de nameting? Dan had de interventie waarschijnlijk een positief effect.

 

Operationaliseren

ww.
Letterlijk: geschikt maken om mee te werken. Op de werkvloer hoef je termen als intelligentie, motivatie en differentiatie doorgaans niet uit te leggen. We begrijpen elkaar prima (of denken dat we elkaar begrijpen). Maar als je deze zaken wilt onderzoeken, moet je de termen eerst ‘operationaliseren’: precies omschrijven wat je ermee bedoelt en hoe je denkt dat te kunnen meten. Alleen zo kun je ze onderzoeken, oftewel grijpbaar en zichtbaar maken.

 

PCK
Pedagogical Content Knowledge

znw. Eng.
In Nederland hebben we er een compact woord voor: vakdidactiek. Maar om ook over de grens begrepen te worden, spreken onderzoekers steeds vaker van Pedagogical Content Knowledge, kortweg PCK. Pedagogisch-didactische kennis dus, die je naast vakkennis nodig hebt om een goede leraar te worden. PCK geldt als een maat voor professionaliteit. Sommige onderzoekers scharen er ook overtuigingen en opvattingen onder. 

 

Pygmalion-effect

znw.

Ontleend aan de Griekse mythe over beeldhouwer Pygmalion. Leerlingen van wie je hoge verwachtingen hebt, zullen beter presteren, doordat jij je tegenover hen anders gedraagt. Leerlingen die volgens jouw inschatting goed kunnen rekenen, geef je bijvoorbeeld net wat moeilijkere sommen dan de anderen. Zij gaan zich vervolgens gedragen naar jouw verwachtingen en presteren daadwerkelijk beter. Het werkt ook andersom: als je lage verwachtingen hebt, gaan leerlingen zich daarnaar gedragen. Of verwachtingen daadwerkelijk zo’n groot effect hebben, wordt momenteel door onderzoekers in twijfel getrokken.

 

Retrieval practice

znw. Eng.
Letterlijk: herinnering oefenen.

Leren is niet alleen kennis in je hoofd stoppen, maar ook eruit halen. Nieuwe kennis beklijft beter als je die herhaaldelijk terughaalt uit je geheugen. Daarom is het belangrijk om in de les aandacht te besteden aan retrieval practice, oftewel ophalen van wat leerlingen (pas) geleerd hebben.

 

Scaffolding

ww; Eng.
Letterlijk: het bouwen van een steiger

Bij scaffolding bied je de leerling een steiger: jouw steun en begeleiding bij zijn leerproces. Naarmate de leerling het beter kan zonder jouw hulp, bouw je de steiger geleidelijk af. totdat de leerling het helemaal zelfstandig kan. Hij hoeft niet te springen naar de top, maar beklimt die dankzij jouw steiger, stap voor stap.

Self-efficacy

znw; Eng.
Letterlijk: zelfeffectiviteit.

Self-efficacy vind je op de kruising van zelfvertrouwen en handelend vermogen. Het is het gevoel dat je in staat bent iets te bereiken, of het nu gaat om een rumoerige klas tot de orde roepen, rekenresultaten van je leerlingen verbeteren of soepel omgaan met weerspannige collega’s. Bij leerlingen betekent self-efficacy doorgaans dat ze het gevoel hebben te kunnen leren en doen wat van hen wordt gevraagd. Een zelfeffectief persoon heeft zelfvertrouwen en durft dingen te doen.

Significant

bijv. nw. > Lat.

Letterlijk: veelbetekenend, verantwoord. Dit is een term uit de statistiek. Significantie is een maat waarmee onderzoekers aanduiden of gevonden verschillen en relaties tussen zaken echt zijn dan wel op toeval berusten. Meestal hanteren onderzoekers de 95%-regel: wanneer ze voor 95% zeker zijn dat een effect niet op toeval berust, noemen ze het ‘echt’, oftewel significant. Ze nemen op de koop toe dat er een kans van 5% is dat het resultaat toch op toeval berust.

Transfer

znw.; Eng. > Fr. > Lat.

Letterlijk: overdracht. In het onderwijs betekent transfer dat de leerling het geleerde toepast in een nieuwe context. Hij weet bijvoorbeeld hoe je twee getallen bij elkaar optelt op het rekenrekje en ziet bij de volgende som dat hij met dezelfde werkwijze kan berekenen wat een brood en een taart bij de bakker samen kosten. Transfer is ook mogelijk naar een ander vakgebied, bijvoorbeeld wanneer de leerling leesstrategieën gebruikt bij biologie. Als de nieuwe context lijkt op de oorspronkelijke, noemen we het nabije transfer. Als die veel verschilt, heet het verre transfer. 

Validiteit

znw.

Letterlijk: geldigheid. Validiteit zegt iets over de kwaliteit van je onderzoek, vooral van wat je meet. Het draait om de vraag: meet een test wat hij hoort te meten? Zo komt het aan op zorgvuldige formulering: vragen moeten eenduidig zijn en het onderwerp goed dekken. Omwille van validiteit proberen onderzoekers hun meetinstrument eerst even uit of ze laten het door experts beoordelen, voordat ze het voor het echie gebruiken.

Werkgeheugen

znw.

Dit is de werkplaats van je geheugen. Hier houd je informatie vast, terwijl je aan een probleem werkt. De capaciteit is beperkt: gemiddeld kunnen we zeven ballen tegelijk in de lucht houden. Hoe minder (nieuwe) informatie we paraat hoeven te hebben, hoe meer ruimte er is voor aandacht en concentratie. Daarom is het zo belangrijk om voorkennis te activeren vanuit het langetermijngeheugen. Het werkgeheugen valt in algemene zin niet te trainen, hooguit voor specifieke taken.
 

Click here to revoke the Cookie consent