Dossier

D Translate

Tekst Bea Ros
Gepubliceerd op 24-02-2017 Gewijzigd op 07-06-2024
Wat betekenen toch al die (buitenlandse) termen uit onderwijsonderzoek waar iedereen het steeds over heeft? Didactief vertaalt ze in gewoon Nederlands. Elke maand komt er een nieuw woord bij.  

Agency

znw; Eng.
Letterlijk: het vermogen te handelen

Vaak in combinatie: learner agency of teacher agency. Een leraar met agency werkt aan zijn eigen professionele groei en kan waar nodig dingen veranderen. Hij kijkt verder dan zijn neus lang is, gelooft beleidsmakers niet op hun mooie blauwe ogen en is kritisch over zo-doen-we-dat-hier-nou-eenmaal en over zijn eigen functioneren.
In één woord: handelingsvermogen of -vrijheid. Niet te verwarren met autonomie en my-class-is-my-kingdom, want de handelingsvrije leraar doet het wel samen met zijn collega’s.

 

Alignment

znw. Eng.

Letterlijk: richting, richtlijn. Alignment is lastig in één woord te vangen, het betekent zoveel als: iets in één lijn vangen of dingen op dezelfde lijn houden, oftewel ‘alle neuzen dezelfde kant op’. Voor goed onderwijs is het nodig dat er verbinding en afstemming is tussen iedereen die betrokken is bij het verzorgen van dat onderwijs. En dat regels en structuren elkaar versterken in plaats van dwarsbomen: verticale alignment. Het kan ook gaan om toetsen die zijn afgestemd op leerdoelen en het gegeven onderwijs: constructive alignment

 

Bias

znw. Eng.

Letterlijke betekenis: vertekening of vervorming. Door een onzorgvuldige onderzoeksopzet kunnen resultaten vertekend raken en daarmee onbetrouwbaar worden. Soms gebeurt dat per ongeluk, soms omdat de onderzoeker te veel vanuit een gekleurde bril kijkt en biased oftewel bevooroordeeld is. Voorbeelden: onderzochte groepen die niet vergelijkbaar zijn, een steekproef die niet representatief is, en suggestieve of sturende vragen in een enquête. 

 

Big-fish–little-pond-effect

znw. Eng.

Een grote vis in een kleine vijver valt meer op dan een kleine vis in een grote vijver. En zo is het ook met de inschatting van eigen vermogens: je zelfbeeld daarover is positiever als je de enige slimme leerling in de klas bent dan wanneer je te midden van allemaal slimmeriken zit. Dit big-fish-little-pond-effect (Marsh & Parker, 1984) treedt op bij zowel sterke als zwakke leerlingen.

 

Blended learning

znw. Eng.

Letterlijk: gemixt leren.
Bij blended learning combineer je digitaal en face-to-faceonderwijs. Een bekend voorbeeld van blended learning is de flipped classroom: hierbij verdiepen leerlingen zich thuis zelfstandig in de lesstof via video’s en online instructie. De klassikale lestijd gebruik je voor extra uitleg, verdieping en samen opdrachten maken.

 

Causaliteit

znw.

Letterlijke betekenis: oorzakelijkheid. In onderzoek betekent het dat de ene variabele de oorzaak is van de andere. Bijvoorbeeld leeftijd en rimpels: hoe ouder, hoe meer rimpels. In onderwijsonderzoek blijkt causaliteit vaak lastig aan te tonen, juist omdat veel factoren een rol spelen. Daarom lees je in onderzoeksrapporten vaak: we vonden wel een verband (correlatie), maar geen oorzakelijk verband (causaliteit). Dat betekent dat twee variabelen vaak samen voorkomen, maar dat de een niet de oorzaak van de ander is.

 

Cohortstudie

znw.

Cohort betekent eigenlijk een troep soldaten. In onderwijsonderzoek verwijst het woord naar een specifieke groep leerlingen uit hetzelfde geboortejaar of startjaar in het onderwijs. Bij cohortonderzoek volg je die leerlingen gedurende hun onderwijsloopbaan en verzamel je tal van data: hoe presteren ze, waar komen ze terecht en welke factoren zijn daarop van invloed? Grote afgeronde cohortstudies zijn bijvoorbeeld PRIMA en COOL 5-18. Sinds 2015 loopt het Nationaal Cohortonderzoek Onderwijs (NCO).

 

Controlegroep

znw.

Om te weten of een nieuwe aanpak werkt, probeer je die uit bij bijvoorbeeld leerlingen. Maar de resultaten die je vindt, kunnen berusten op toeval. Daarom is het beter om in onderzoek te werken met een controlegroep: deze groep heeft dezelfde kenmerken (zoals leeftijd en gemiddeld niveau) als de groep waarbij je de nieuwe aanpak beproeft. Het enige verschil is dat de controlegroep de interventie niet krijgt. De verschillen die je vervolgens tussen beide groepen meet, mag je dan toeschrijven aan de nieuwe aanpak.

 

Correlatie

znw.

Letterlijk: samenhang. Correlatie gaat over samenhang tussen twee zaken, bijvoorbeeld het salaris van de leraar en de kans op een burn-out. Onderzoekers geven dit weer met een getal tussen -1 en 1. Bij 1 lopen de variabelen gelijk op (hoe meer salaris, hoe meer burn-out), bij -1 lopen ze juist uit elkaar (minder salaris, meer burn-out) en bij 0 is er geen enkele samenhang. Maar het allerbelangrijkste om te onthouden: correlatie is geen oorzakelijk verband (causaliteit). Oftewel: de burn-out wordt niet veroorzaakt door de hoogte van hun salaris.

 

Dunning-Kruger-effect

znw.

Hoe minder competent leerlingen in een bepaald vak zijn, hoe meer ze zijn geneigd het eigen kunnen te overschatten. Juist door hun incompetentie missen ze de metacognitieve vaardigheid om in te zien dat hun conclusies soms verkeerd zijn. Mensen die bovengemiddeld competent zijn, hebben juist de neiging hun eigen kunnen te onderschatten. Dit bleek uit een studie uit 1999 van de Amerikaanse onderzoekers Dunning en Kruger, naar wie dit effect vernoemd is.

 

Effectevaluatie

znw.

In effectonderzoek of, deftiger, een effectevaluatie onderzoek je of een bepaalde aanpak werkt. Volgens de regels der kunst moet je zo’n aanpak altijd vergelijken met een bestaande of reguliere aanpak (de controlegroep). Alleen zo weet je of het nieuwe meer effect sorteert dan het oude. Beide groepen moeten bovendien op alle andere punten zo veel mogelijk vergelijkbaar zijn, anders loop je het risico appels met peren te vergelijken. En als je het helemaal goed wilt doen, meet je ook effecten op langere termijn.
 

 

Effectgrootte

znw.

In effectonderzoek vergelijk je iets nieuws met iets bestaands of gangbaars en draait het om de vraag: wat werkt beter? En vooral: hoeveel beter, want je wilt weten of het de moeite loont. Dat laatste heet de effectgrootte. Onderzoekers drukken deze uit in statistische standaardmaten, zoals de veelgebruikte Cohen’s d, een getal tussen nul en één. Hoe dichter bij nul, hoe kleiner het effect en hoe dichter bij één, hoe groter: 0,2 is een klein en 0,8 een groot effect.

 

Empirische cyclus

bijv. nw. + znw.

Empirie betekent letterlijk ervaring. Bij empirisch onderzoek draait het om het opdoen van ervaringen (lees: kennis). Volgens de regels der kunst doe je dat in een vaste volgorde: je neemt iets waar waarover je een vraag hebt, daarvoor formuleer je een mogelijke verklaring (hypothese), die je vervolgens in de praktijk toetst door te observeren, te experimenteren of bestaande data te analyseren. Hamvraag is vervolgens: komen de resultaten overeen met je verklaring of niet? Vaak leidt onderzoek tot nieuwe vragen en begint de cyclus weer van voren af aan.

 

Exploratief onderzoek

bijv. nw. + znw.

Letterlijk: verkennend onderzoek. Bij exploratief onderzoek verken je een onderwerp, zonder een hypothese vooraf. Je verzamelt data en bekijkt die met open vizier, op zoek naar eventuele relaties. Stel, je wilt weten waarom zo veel leerlingen in 3 havo blijven zitten. Dan verzamel je breed, maar systematisch, gegevens van de school, ouders en leerlingen. Die verkenning levert je ideeën voor maatregelen of vervolgonderzoek met een gerichte hypothese.

 

Eye tracking

znw; Eng.

Met een eye tracker kunnen onderzoekers tot op de milliseconde nauwkeurig oogbewegingen vastleggen: waar kijkt iemand naar en hoelang? Die bewegingen verklappen iets over de denkprocessen. Vliegen de ogen van een leerling bijvoorbeeld over de regel of springen ze soms even terug? Eye tracking-onderzoek heeft ook aan het licht gebracht dat beginnende en ervaren leraren in de klas op andere dingen letten (zie Weet waar naar je kijkt)

 

Focusgroep

znw.

Een onderzoeker kan mensen interviewen om data te verzamelen. Een specifieke interviewvorm is de focusgroep: hierbij laat de onderzoeker meer mensen tegelijk over een bepaald thema discussiëren en ervaringen uitwisselen om de diverse perspectieven in beeld te krijgen. De focusgroep bestaat vaak uit deskundigen in of betrokkenen bij dat thema. Denk aan een groep lerarenopleiders, leraren wiskunde of mbo-studenten. Doorgaans gebruikt een onderzoeker een focusgroep in combinatie met andere methodes (zoals deskresearch of enquêtes).
 

Follow-up

znw.

In experimenteel onderzoek vergelijken onderzoekers doorgaans iets nieuws (de interventie) met business as usual (de controlegroep). Als in de nieuwe situatie leerlingen bijvoorbeeld beter presteren dan in die oude situatie, kun je roepen: yes, het werkt! Maar onderzoekers mogen niet te vroeg juichen. Idealiter doen ze nog een follow-up, een vervolg: ze meten de verschillen tussen beide situaties niet alleen direct erna, maar ook nog later, bijvoorbeeld drie of zes maanden erna. Zo weten ze of de resultaten ook beklijven. 

 

Grijze literatuur

bijv. nw + znw

Onderzoek start doorgaans met inlezen. Zo bouw je voort op werk van anderen. Bovenaan de leeslijst staan erkende wetenschappelijke publicaties (proefschriften, reviewstudies, artikelen uit vakbladen). Deze zijn openbaar en peer-reviewed, dus gewogen door vakgenoten. De zogeheten grijze literatuur daarentegen bezit geen (gegarandeerde) wetenschappelijke status. Voorbeelden zijn overheidsrapporten, interne documenten, doctoraalscripties en krantenartikelen. Die kun je wel meenemen in je literatuuronderzoek, maar bij de inhoud ervan houd je een slag om de arm.

 

Hawthorne-effect

znw.

Soms vinden onderzoekers een effect louter en alleen door hun eigen aanwezigheid. Leraren gaan bijvoorbeeld beter lesgeven, niet door een nieuwe aanpak, maar door de aandacht van de onderzoeker. Dit effect is genoemd naar het Hawthorne-fabriekscomplex van Western Electric, een voormalig elektrotechnisch bedrijf in de Verenigde Staten. Bij experimenten onder arbeiders, met onder andere meer licht op de werkplek, bleek dit effect voor het eerst.

 

Inhoudsvaliditeit

znw.

Om iets te meten, moet je een passend instrument hebben. Bij eenduidige zaken als lengte of warmte is dat eenvoudig: je pakt een centimeter of thermometer. Bij iets als rekenvaardigheid of motivatie ligt dat complexer. Je moet eerst goed bepalen welke aspecten daarbij horen en vervolgens een instrument ontwikkelen dat al die aspecten dekt én aspecten die er niets mee te maken hebben, links laat liggen. Als dat zo is, heb je een meetinstrument met een hoge inhoudsvaliditeit.

 

Interventiecyclus

znw.

Binnen praktijkgericht onderzoek, gericht op het verbeteren of oplossen van een praktijkprobleem, werk je vaak volgens de interventiecyclus. Deze cyclus begint met een probleemanalyse, dus het in kaart brengen van het probleem en wat je allemaal al weet. Daarna stel je een interventieplan op, wat je vervolgens ook uitvoert. Ten slotte evalueer je wat de resultaten van je interventie zijn. Dat kan leiden tot een nieuwe probleemanalyse, dus een nieuwe slinger van de cyclus.

 

Iteratief proces

bijv. nw. + znw.

Je kunt als onderzoeker je dataverzameling van tevoren precies vastprikken: dit ga ik vragen en analyseren. Dat is bij kwantitatief onderzoek een must. Bij kwalitatief onderzoek kun je ook kiezen voor een iteratief proces: daarbij bepaal je al doende welke onderwerpen relevant zijn. Je schakelt voortdurend heen en weer tussen gegevens verzamelen, (voorlopige) analyses en theorievorming. Zo dring je steeds dieper door tot de kern. Het iteratief proces wordt vaak vergeleken met een spiraal.

 

Kwalitatief onderzoek

bijv. nw + znw.

Als je iets wilt weten over bijvoorbeeld starters in het onderwijs, kun je enquêtes afnemen onder grote groepen startende leraren en deze data statistisch analyseren. Dan doe je kwantitatief onderzoek. Maar je kunt je ook focussen op enkele starters en hen langere tijd volgen en diepte-interviews met hen houden. Dat is kwalitatief onderzoek. Voordeel is dat je dieper inzicht krijgt in de positie en het leerproces van starters. Nadeel is dat je deze bevindingen niet kunt generaliseren voor álle starters.

 

Lettersymbool

znw
Je ziet het vaak staan bij grafieken en tabellen in onderzoeksrapporten: N = gevolgd door een getal. Die N vertelt je hoeveel deelnemers, ondervraagden of proefpersonen bij een onderzoek betrokken zijn. Hoe hoger het getal achter N, hoe breder de gevonden resultaten gelden. Houd die N vooral ook in de gaten bij percentages; 100% klinkt mooi of dramatisch, maar bij N = 1 zegt dat veel minder dan bij N = 10.000.

 

Likertschaal

znw.
Om meningen en houdingen te peilen, gebruiken onderzoekers vaak een likertschaal. Daarbij krijgen mensen bijvoorbeeld stellingen voorgelegd en kunnen ze kiezen uit vaste antwoordmogelijkheden op een waarderingsschaal: helemaal oneens, oneens, neutraal, mee eens, helemaal mee eens. Of ze kunnen hun mening over kwaliteit geven: zeer slecht, slecht, niet slecht en niet goed, goed, zeer goed. Het gaat om een zogeheten ordinale schaal: de antwoorden zijn wel geordend, maar de intervallen daartussen zijn niet per se even groot.

 

Longitudinaal

bijv. nw.
Als je ontwikkelingen door de tijd in beeld wilt krijgen, moet je onderzoek zich ook in de tijd uitstrekken oftewel longitudinaal zijn. Je kunt op verschillende momenten (dezelfde) metingen doen, bijvoorbeeld cijfers over aantallen leerlingen verzamelen. Je kunt ook een groep mensen gedurende langere tijd volgen, om zo hun ontwikkeling te monitoren. Zo kom je bijvoorbeeld langetermijneffecten op het spoor of krijg je zicht op leerontwikkeling.

 

Mattheüs-effect

znw
Ontleend aan de bijbel (Mattheüs 13:12): ‘Want wie heeft, zal nog meer krijgen en het zal overvloedig zijn; maar wie niets heeft, zal zelfs het laatste worden ontnomen.

Wie het goed doet, doet het steeds beter en wie het slecht doet, haalt die achterstand nooit meer in. Bijvoorbeeld: Ella kan goed lezen, hoort steeds hoe goed ze het doet, leest daarom graag en haalt een steeds hoger niveau. Sara vindt lezen moeilijk, maakt vaak foutjes, leest daarom niet graag en haalt niet zo’n hoog niveau. Laagvlieger Sara zal de hoogvliegende Ella nooit meer overtreffen.

 

Mediaan

znw.
Mediaan is een begrip uit de statistiek en verwijst naar het middelste getal van alle gemeten data. Als je alle getallen van laag naar hoog op een rij zet, kijk je welk getal in het midden staat en dat is de mediaan (bij een even aantal is de mediaan het gemiddelde van de middelste twee getallen). Neem deze reeks toetscijfers: 5, 5, 6, 6, 6, 7, 8, 8, 9. De mediaan is het vijfde getal (6). Niet te verwarren met het gemiddelde, want dat is in dit voorbeeld 6,7.

 

Meta-analyse

znw.
Letterlijk: een analyse van analyses. Lang niet elk onderzoek doet de wereld op haar grondvesten schudden, vaak zijn het slechts kleine stapjes vooruit. Maar als je nu heel veel onderzoeken over zeg differentiatie samenpakt, dan word je wel veel wijzer. Dat is het doel van een meta-analyse: de onderzoeker analyseert resultaten uit eerder onderzoek over een bepaald thema en komt tot algemene conclusies. Verwant is een review of literatuuroverzicht, waarin een onderzoeker publicaties rond eenzelfde thema bespreekt en kijkt naar overeenkomsten en verschillen.

 

Metacognitie

znw.
Letterlijk: kennis over de eigen kennis. Volgens diverse onderzoekers gaat leren beter als je ook weet hoe je leert. Met een duur woord noemen we dat metacognitie. Je kunt diverse metacognitieve vaardigheden onderscheiden, zoals plannen, jezelf controleren of je het goed doet en reflecteren op wat je goed of fout hebt gedaan. Hoe zelfstandiger je leert of moet leren, hoe belangrijker de metacognitie wordt. Je hoofd helpt je hoofd om een leertaak te tackelen.

 

Moderator

znw.
Onderzoekers willen graag verbanden tussen zaken (variabelen) blootleggen. Maar ze moeten ervoor waken te snelle conclusies te trekken. Een factor om rekening mee te houden is de moderator: dit is een variabele die de relatie tussen twee andere variabelen beïnvloedt. Leeftijd modereert bijvoorbeeld de relatie tussen klanttevredenheid en klantentrouw: bij oudere mensen leidt grotere tevredenheid tot grotere trouw, bij jongeren is dit veel minder het geval.

 

Natuurlijk experiment

znw.
Doorgaans creëren onderzoekers hun eigen arena, met een interventie, een experimentele en een controlegroep. Maar soms vallen ze met de neus in de boter en gebeurt er in de werkelijkheid iets wat uitgelezen kansen biedt voor onderzoek naar effecten. Dan kunnen ze een zogeheten natuurlijk experiment doen. Voorbeelden zijn wijzigingen in wet- en regelgeving of de corona-epidemie.

 

Nulhypothese

znw.
Onderzoekers hebben altijd een hypothese: we verwachten dat als we dit doen, dat gebeurt. Of: we denken dat leeftijd van belang is. Maar ze moeten er ook serieus rekening mee houden dat hun aanname niet klopt. In hun achterhoofd zit daarom ook de nulhypothese: nee, leeftijd doet er niet toe of deze aanpak heeft nul invloed. Trouwens, aantonen dat iets er niet toe doet, is ook een resultaat. Maar de meeste onderzoekers hopen dat ze de nulhypothese kunnen verwerpen.

 

Nulmeting

znw.
Een nulmeting gebruik je als je het effect van een interventie, bijvoorbeeld een leesmethode, wilt vaststellen. Voordat de interventie start, meet je het huidige niveau, bijvoorbeeld het leesniveau van de klas. Dit is de nulmeting. Daarna ga je aan de slag met de interventie en vervolgens neem je nogmaals een meting af: de nameting. Het effect van de interventie kun je vaststellen door het resultaat van de nameting en de nulmeting met elkaar te vergelijken. Presteren de leerlingen significant beter op de nameting? Dan had de interventie waarschijnlijk een positief effect.

 

Ontwerponderzoek

znw.
Ontwerponderzoek gebruik je om gefundeerde oplossingen te ontwikkelen voor complexe problemen uit de onderwijspraktijk. Daarbij volg je een cyclus van in kaart brengen van het probleem (vooronderzoek), identificeren van veelbelovende kenmerken voor het ontwerp, ontwerpen van een prototype, dit testen in de praktijk en vervolgens aanpassen. Pas nadat een bevredigend prototype uit de bus rolt, volgt (bredere) implementatie.

 

Operationaliseren

ww.
Letterlijk: geschikt maken om mee te werken. Op de werkvloer hoef je termen als intelligentie, motivatie en differentiatie doorgaans niet uit te leggen. We begrijpen elkaar prima (of denken dat we elkaar begrijpen). Maar als je deze zaken wilt onderzoeken, moet je de termen eerst ‘operationaliseren’: precies omschrijven wat je ermee bedoelt en hoe je denkt dat te kunnen meten. Alleen zo kun je ze onderzoeken, oftewel grijpbaar en zichtbaar maken.

 

Paradigma

znw.
Letterlijk: model, kader. Een paradigma is een algemeen aanvaard model of theorie, een manier om tegen de werkelijkheid aan te kijken. Bij te veel tegenbewijzen kan een paradigma van de troon gestoten worden: een paradigmawisseling (ook wel paradigmashift of -verschuiving). Misschien wel het beroemdste voorbeeld in de wetenschapsgeschiedenis is de Copernicaanse revolutie: de zon draait niet om de aarde, maar de aarde om zon.

 

Participerende observatie

bijv. nw. + znw.
Observeren is kijken wat je ziet en hoort. Dat kan van een afstandje, achter in de klas of achter een one-way-screen. Maar je kunt ook zelf deelnemen (participeren) aan de activiteit die je wilt bestuderen, bijvoorbeeld meedraaien in een klas. Nadeel kan zijn dat je te veel opgaat in de activiteit en vergeet om te observeren (maar dat kun je leren), of dat je onbewust beïnvloedt wat er gebeurt. Voordeel is dat je veel gedetailleerdere informatie krijgt en zelf ervaart wat er gebeurt of wat iets betekent.

 

PCK
Pedagogical Content Knowledge

znw. Eng.
In Nederland hebben we er een compact woord voor: vakdidactiek. Maar om ook over de grens begrepen te worden, spreken onderzoekers steeds vaker van Pedagogical Content Knowledge, kortweg PCK. Pedagogisch-didactische kennis dus, die je naast vakkennis nodig hebt om een goede leraar te worden. PCK geldt als een maat voor professionaliteit. Sommige onderzoekers scharen er ook overtuigingen en opvattingen onder. 

 

Percentiel

znw.
Percentiel drukt net als percentage een hoeveelheid uit, maar is net wat anders. Een leerling kan bijvoorbeeld een score van 75% op een toets hebben, dat betekent dat hij drie op de vier vragen goed heeft. Maar als een leerling in het 75e percentiel scoort, betekent dit dat hij het beter heeft gedaan dan 75% van iedereen die de toets heeft gemaakt. Een percentielscore zegt dus altijd iets over hoe goed of slecht iemand het ten opzichte van anderen doet.

 

Populatie

znw.
In het alledaagse taalgebruik betekent populatie ‘bevolking’ van een bepaald gebied. Dat kan om mensen, dieren of planten gaan (bijvoorbeeld bijenpopulatie). Binnen de statistiek betekent het net iets anders: een groep waarover je iets wilt onderzoeken. Dat kunnen mensen zijn (zoals leraren Nederlands of vmbo-leerlingen), maar ook dingen (toetsdata of schoolvakanties). De onderzoeker bakent de populatie af en kan vervolgens aan de slag.

 

Purposive sampling

znw.
Purposive sampling is een kwalitatieve onderzoeksmethode die je gebruikt om een rijk beeld te krijgen van een fenomeen. Je selecteert doelgericht verschillende deelnemers voor je onderzoek. Als je bijvoorbeeld wilt weten hoe leraren omgaan met werkdruk, bevraag je leraren van diverse leeftijden, geslacht en werkend in diverse omstandigheden (bijvoorbeeld van dorpsschool tot school in een grote stad). Voorwaarde is dat de onderzoeker al veel kennis heeft over het onderzoeksthema, zodat de selectie zorgvuldig kan gebeuren.

 

Pygmalion-effect

znw.
Ontleend aan de Griekse mythe over beeldhouwer Pygmalion. Leerlingen van wie je hoge verwachtingen hebt, zullen beter presteren, doordat jij je tegenover hen anders gedraagt. Leerlingen die volgens jouw inschatting goed kunnen rekenen, geef je bijvoorbeeld net wat moeilijkere sommen dan de anderen. Zij gaan zich vervolgens gedragen naar jouw verwachtingen en presteren daadwerkelijk beter. Het werkt ook andersom: als je lage verwachtingen hebt, gaan leerlingen zich daarnaar gedragen. Of verwachtingen daadwerkelijk zo’n groot effect hebben, wordt momenteel door onderzoekers in twijfel getrokken.

 

Randomisatie

znw.
Willekeur mag negatief klinken, in onderzoek is het de gouden standaard bij het selecteren en toewijzen van deelnemers. Hoe meer je dit laat bepalen door toeval (at random), hoe betrouwbaarder je bevindingen. Alle goede leerlingen in de experimentele en alle middelmatige leerlingen in de controlegroep zouden je resultaten vertekenen: doet de experimentele groep het beter vanwege de nieuwe aanpak of omdat de leerlingen slimmer zijn? Alleen bij randomisatie kun je resultaten toeschrijven aan de aanpak die je hebt onderzocht.

 

Replicatieonderzoek

znw.

Gooi tien keer een appel in de lucht en tien keer valt ‘ie naar beneden. Dat is een sterk bewijs van de zwaartekracht. Zo sterk zijn bewijzen in onderwijsonderzoek doorgaans niet, maar ze worden wel sterker als je bij herhaling soortgelijke resultaten vindt. Dat is het doel van replicatieonderzoek: je herhaalt een eerder onderzoek op dezelfde manier (methode) en als je op basis van de nieuwe data vergelijkbare conclusies kunt trekken, maakt dat die conclusies harder.
 

 

Retest-effect

znw. Eng.
Een van de onderdelen bij het onderzoeken van een nieuwe aanpak is dat je op meer momenten de vorderingen meet bij leerlingen. Om de metingen te kunnen vergelijken, gebruiken onderzoekers dezelfde toets. Nadeel is dat leerlingen de toets gaan herkennen en daardoor beter kunnen gaan presteren: het retest- of retesting-effect. Onderzoekers moeten daar in hun analyse rekening mee houden en ervoor corrigeren. Overigens geldt dit effect ook voor leerlingen in de controlegroep. De betere prestaties komen immers door de toets en niet door een nieuwe aanpak.

 

Retrieval practice

znw. Eng.
Letterlijk: herinnering oefenen.

Leren is niet alleen kennis in je hoofd stoppen, maar ook eruit halen. Nieuwe kennis beklijft beter als je die herhaaldelijk terughaalt uit je geheugen. Daarom is het belangrijk om in de les aandacht te besteden aan retrieval practice, oftewel ophalen van wat leerlingen (pas) geleerd hebben.

 

Sampling bias

znw.

Bij vragenlijstonderzoek is het de kunst een representatieve groep respondenten te bereiken. Als je bijvoorbeeld wilt weten hoe tevreden ouders zijn over je school, is het belangrijk dat niet alleen tevreden maar ook kritische ouders de vragenlijst invullen. Als dat niet lukt, vertekent dat de resultaten: je denkt dat ouders tevreden zijn, maar dat is maar het halve verhaal. Er zit dan een vooroordeel in je steekproef oftewel een sampling bias. Daar moet je bij de interpretatie van de gegevens rekening mee houden.

 

Scaffolding

ww; Eng.
Letterlijk: het bouwen van een steiger

Bij scaffolding bied je de leerling een steiger: jouw steun en begeleiding bij zijn leerproces. Naarmate de leerling het beter kan zonder jouw hulp, bouw je de steiger geleidelijk af. totdat de leerling het helemaal zelfstandig kan. Hij hoeft niet te springen naar de top, maar beklimt die dankzij jouw steiger, stap voor stap.

 

Self-efficacy

znw; Eng.
Letterlijk: zelfeffectiviteit.

Self-efficacy vind je op de kruising van zelfvertrouwen en handelend vermogen. Het is het gevoel dat je in staat bent iets te bereiken, of het nu gaat om een rumoerige klas tot de orde roepen, rekenresultaten van je leerlingen verbeteren of soepel omgaan met weerspannige collega’s. Bij leerlingen betekent self-efficacy doorgaans dat ze het gevoel hebben te kunnen leren en doen wat van hen wordt gevraagd. Een zelfeffectief persoon heeft zelfvertrouwen en durft dingen te doen.

 

SES

znw.

SES is de afkorting van sociaal-economische status. Daarbij gaat het doorgaans om een combinatie van opleiding en inkomen. Onderwijsonderzoekers en sociologen kijken vaak naar dit kenmerk van door hen onderzochte mensen, omdat de SES samenhangt met kansen en risico’s, of het nu om onderwijs, gezondheid of loopbaan gaat. Zo voorspelt een lage SES van ouders, dus laagopgeleid en met een minimuminkomen, vaak slechtere leerprestaties en lagere schooladviezen voor hun kinderen.

 

Significant

bijv. nw. > Lat.

Letterlijk: veelbetekenend, verantwoord. Dit is een term uit de statistiek. Significantie is een maat waarmee onderzoekers aanduiden of gevonden verschillen en relaties tussen zaken echt zijn dan wel op toeval berusten. Meestal hanteren onderzoekers de 95%-regel: wanneer ze voor 95% zeker zijn dat een effect niet op toeval berust, noemen ze het ‘echt’, oftewel significant. Ze nemen op de koop toe dat er een kans van 5% is dat het resultaat toch op toeval berust.

 

Simulatieonderzoek

znw.
Om een fenomeen te onderzoeken kun je de echte wereld instappen. Maar soms is het handiger om een deel van die echte wereld na te bootsen. Dat gebeurt in simulatieonderzoek. De onderzoeker maakt een computermodel, bijvoorbeeld van verkeersstromen bij grote evenementen of van een brein dat taal aan het verwerken is. Zo kun je veilig onderzoeken wat er gebeurt als iets verandert en kun je voorspellingen toetsen.

 

Standaarddeviatie

znw.
Onderzoekers berekenen vaak gemiddelden. Maar het is ook belangrijk om te weten of en in hoeverre data afwijken van dat gemiddelde. Vergelijk het maar met je klas: gemiddeld een 7 voor een toets is mooi, maar je wilt ook weten of alle leerlingen zo’n beetje rond dat gemiddelde cirkelen of dat er uitschieters naar boven en onderen zijn. Onderzoekers berekenen daarom ook de gemiddelde afwijking, oftewel standaarddeviatie (ook wel aangeduid met sd of de Griekse kleine letter sigma).

 

Survey

znw.
Een survey is een vorm van kwantitatief onderzoek. De onderzoeker verzamelt met een (gestandaardiseerde) vragenlijst cijfers over het gedrag of meningen van mensen. Dat kan variëren van grootschalige opiniepeilingen en marktonderzoek (zoals die van TNS NIPO of Ipsos) tot een enquête onder leraren van een school. Om betrouwbare uitspraken te kunnen doen, is een representatieve steekproef nodig en eenduidige, niet-suggestieve vragen.

 

Test expectancy effect

znw.; Eng.

Als leerlingen weten dat ze overhoord worden of een toets krijgen, gaan ze beter opletten en zorgvuldiger lezen. Met dit zogeheten test expectancy effect kun je als leraar de aandacht van je leerlingen dus bevorderen. Daarbij moet je uiteraard wel doen wat je aankondigt, anders werkt het niet (meer). Verder blijken leerlingen die van tevoren weten dat ze een toets met open vragen krijgen, de stof beter te onthouden dan als ze zich voorbereiden op een multiplechoicetoets.

 

Transfer

znw.; Eng. > Fr. > Lat.

Letterlijk: overdracht. In het onderwijs betekent transfer dat de leerling het geleerde toepast in een nieuwe context. Hij weet bijvoorbeeld hoe je twee getallen bij elkaar optelt op het rekenrekje en ziet bij de volgende som dat hij met dezelfde werkwijze kan berekenen wat een brood en een taart bij de bakker samen kosten. Transfer is ook mogelijk naar een ander vakgebied, bijvoorbeeld wanneer de leerling leesstrategieën gebruikt bij biologie. Als de nieuwe context lijkt op de oorspronkelijke, noemen we het nabije transfer. Als die veel verschilt, heet het verre transfer. 

 

Triangulatie

znw.
Letterlijk: driehoeksmeting. De term komt oorspronkelijk uit de geografie: om een plek op aarde exact te bepalen heb je een driehoeksmeting nodig. Onderzoekers bedoelen met triangulatie dat ze meer dan één methode gebruiken om hun vraag te beantwoorden, bijvoorbeeld observaties in de klas én vragenlijsten onder leraren. Hoe meer de bevindingen met elkaar overeenkomen, hoe betrouwbaarder ze zijn. 

 

Type 1 fout

znw.

Statistiek is snoeihard, maar mensen die het gebruiken kunnen toch fouten maken. Een veel voorkomende is een type 1 fout. In dat geval concludeert iemand dat resultaten toe te schrijven zijn aan een onderzochte aanpak of medicijn, terwijl ze in werkelijkheid berusten op toeval of heel andere factoren. Het omgekeerde bestaat ook (type 2 fout): je denkt dat de aanpak of het medicijn niets doet, terwijl dat wel het geval is. Beide fouten zijn te vermijden met een strak onderzoeksdesign (zoals heldere variabelen en hypotheses).

 

Uitbijter

znw.

Een uitbijter of uitschieter (of in het Engels: outlier) is een score in kwantitatief onderzoek die ver van het gemiddelde af ligt. Bijvoorbeeld in een enquête over de hoogte van lerarensalarissen valt één antwoord op omdat het fors boven de andere data ligt. Zou je dat meetellen, dan komt het gemiddelde (veel) hoger te liggen. Maar zomaar weglaten kan natuurlijk ook niet, want dan zou je de werkelijkheid manipuleren. Meestal melden onderzoekers het expliciet en noemen ze het gemiddelde met en zonder uitbijter.

 

Validiteit

znw.

Letterlijk: geldigheid. Validiteit zegt iets over de kwaliteit van je onderzoek, vooral van wat je meet. Het draait om de vraag: meet een test wat hij hoort te meten? Zo komt het aan op zorgvuldige formulering: vragen moeten eenduidig zijn en het onderwerp goed dekken. Omwille van validiteit proberen onderzoekers hun meetinstrument eerst even uit of ze laten het door experts beoordelen, voordat ze het voor het echie gebruiken.
 

Variabele

znw.

De variabele is een meetbaar kenmerk van iemand of iets. Onderzoekers spreken altijd over afhankelijke en onafhankelijke variabelen. Over die eerste wil de onderzoeker een voorspelling doen, bijvoorbeeld rekenprestaties in groep 6. De onafhankelijke variabele is de voorspellende factor: als ik aanpak A benut, gaan de rekenprestaties omhoog. Anders gezegd: de waarde of maat van de rekenprestaties is afhankelijk van de aanpak en heet daarom een afhankelijke variabele.
 

Vergeetcurve van Ebbinghaus

znw. + lidw. + eigennaam

Je kunt vandaag iets stampen en het geleerde moeiteloos opdreunen, morgen kun je je niet alles meer herinneren. Hoe verder in de tijd, hoe meer je vergeten bent. De Duitse leerpsycholoog Hermann Ebbinghaus (1850-1909) wist dit herkenbare fenomeen als eerste aan te tonen. De remedie tegen de vergeetcurve is herhaling en haakjes zoeken om het geleerde aan vast te knopen.

 

Vignettenmethode

znw.

Soms willen onderzoekers weten hoe mensen in een bepaalde situatie zouden handelen of hoe ze iets beoordelen. Een beproefde manier is om hen fictieve situaties of personen voor te schotelen en hen daarop te laten reageren. Dat is de zogeheten vignettenmethode (ook wel scenariomethode genoemd). Een vignet kan een plaatje zijn of een korte beschrijving van bijvoorbeeld een fictieve leerling of lessituatie. Voordeel is dat iedereen over dezelfde vignetten praat, zodat je als onderzoeker goed kunt vergelijken.

 

Werkgeheugen

znw.

Dit is de werkplaats van je geheugen. Hier houd je informatie vast, terwijl je aan een probleem werkt. De capaciteit is beperkt: gemiddeld kunnen we zeven ballen tegelijk in de lucht houden. Hoe minder (nieuwe) informatie we paraat hoeven te hebben, hoe meer ruimte er is voor aandacht en concentratie. Daarom is het zo belangrijk om voorkennis te activeren vanuit het langetermijngeheugen. Het werkgeheugen valt in algemene zin niet te trainen, hooguit voor specifieke taken.
 

Click here to revoke the Cookie consent