Onderzoek

Weet waar je naar kijkt

Tekst Charlotte Wolff
Gepubliceerd op 08-09-2017 Gewijzigd op 24-05-2018
Beeld Shutterstock
Klassenmanagement is een hele kluif, zeker als je net begint. Metingen van oogbewegingen tonen aan dat starters letterlijk anders naar de klas kijken. Ervaren collega’s om advies vragen kan helpen.

Twee leerlingen joelen naar iemand in de gang. Een meisje in de hoek is al bezig met haar werkblad. En de jongens rechts zitten om zich heen te kijken. Klassen zijn dynamische ruimtes waar veel verschillende dingen gebeuren, vaak tegelijkertijd. De meeste gebeurtenissen vereisen onmiddellijk een reactie, zonder dat je de tijd hebt om te reflecteren. Zijn de kinderen aan het leren of niet? Dat lijkt een eenvoudige vraag, maar beginnende leraren hebben daar in hun hoofd nog geen ruimte voor. Anders dan hun ervaren collega’s zijn zij nog niet bezig met klassenmanagement. Dat kan het werk lange tijd lastig maken, want hoe je klassensituaties interpreteert, is cruciaal voor hoe je lesgeeft.

Goed klassenmanagement gaat over wat je ziet gebeuren in de klas en hoe je dit interpreteert (zie kader). Hoe dit werkt, heb ik in de praktijk onder de loep genomen: ik heb oogbewegingen van leraren gemeten en deze vergeleken met hun uitgesproken gedachten. De leraren bekeken vier video’s van echte klassensituaties, gefilmd vanuit het perspectief van de leraar. De metingen legden vast waar ze precies naar keken, wat ze monitorden en waar ze juist niet naar keken. Daarna moesten de leraren vertellen wat ze zagen, en wat dat te maken heeft met klassenmanagement. Aan het onderzoek deden 32 startende en 35 ervaren leraren in het vo mee. De starters waren nog in opleiding en hadden tussen de tien en veertig uur lesgegeven. De ervaren leraren stonden al minstens zeven jaar voor de klas, en hun collega’s en schoolleiders zagen hen als goede klassenmanagers.

Leiden zodat ze leren
Een moeilijk woord voor orde houden: daaraan denken we vaak bij klassenmanagement. Orde hoort er wel bij, maar de kern van klassenmanagement is dat je bewust en strategisch het leren van alle leerlingen ondersteunt. Dat je, kortom, alert bent op wat er in de klas gebeurt. De Amerikaanse onderwijspsycholoog Jacob Kounin (1912-1995) noemde dit ‘withitness’: erbovenop zitten. Weten welke leerling betrokken is of juist afgeleid, die betrokkenheid sturen en dit besef op leerlingen verbaal en non-verbaal overbrengen. Je kijkt en interpreteert: wat is belangrijk en vereist actie, en hoe pak je dit aan zonder dat de les ontspoort? Je bent, kortom, als een manager die zorgt dat het bedrijf op rolletjes loopt en die het beste uit zijn medewerker haalt.

Kijkpatronen

Uit de oogbewegingen bleek dat de ervaren leraren heel gericht keken, en selectief naar relevante visuele informatie zochten, zoals interactie tussen leerlingen, lichaamshouding en wie er met het lesmateriaal bezig was. Ze monitorden bovendien meer gebieden in de klas om informatie te verzamelen en die te blijven vernieuwen: zij keerden steeds terug naar leerlingen die actief bezig waren. Daarbij werd hun blik gestuurd door hun kennis en verwachtingen van wat er in de klas zou kunnen gebeuren.

De starters sloegen de ruimtes waar de ervaren leraren vaker naar keken soms juist helemaal over. Hun kijkpatronen waren bovendien minder gericht: ze keken vaak naar de muren en ramen, en door de hele klas. Ze hielden vooral gebieden in de gaten die meer opvielen en waar je van nature snel naar kijkt, zoals snelle bewegingen en felle kleuren.

Gedrag en gevolgen

Uit de uitgesproken gedachten blijkt dat ervaren en startende leraren ook verschillend denken over klassenmanagement en andere zorgen hebben. Voor de ervaren leraren stond het leren van leerlingen centraal: zij spraken vaak over de vraag of leerlingen wel of niet aan het leren waren, verklaarden waarom en bedachten hoe het beter kon. De belangrijkste zorgen van de starters waren orde en gedrag van leerlingen. Ze gaven maar weinig uitleg over wat de problemen veroorzaakte en wat ze daaraan konden doen, beschouwden problemen vooral als verkeerd gedrag van leerlingen en gingen niet in op de mogelijke invloed van de leraar. De ervaren leraren praatten daar juist wel over, en noemden zelfs de leraar vaak als oorzaak van de problemen. Ze konden voorspellen wat er zou gebeuren als je de leerlingen zou laten begaan en niet zou ingrijpen. Starters beschreven de situaties meer eendimensionaal, zonder vooruit te blikken op wat er zou kunnen gebeuren en wat de gevolgen zouden zijn.

Ervaren leraren voorspellen
beter wat er zal gebeuren

Tips voor starters

Door ervaring kunnen leraren de relevante van irrelevante visuele aanwijzingen onderscheiden en gebeurtenissen in de klas beter monitoren. Ze weten hoe ze mogelijke problemen op tijd kunnen detecteren en wanneer ze moeten handelen, op een manier die het leren ondersteunt. Als starter heb je die ervaring nog niet. Dan kan het helpen om ervaren collega’s om advies te vragen. Hoe zouden zij handelen in een situatie die je zelf hebt meegemaakt? In de klas kun je letten op signalen van verveling en afleiding. Laat de leerling merken dat je hem in de gaten hebt, en probeer hem weer de les in te trekken. Want volgens ervaren leraren draait het om de vraag wat je kunt doen om het leren van die ene leerling te ondersteunen. En zij kunnen het weten.


Charlotte Wolff, Revisiting ‘Withitness’: Differences in Teachers’ Representations, Perceptions, and Interpretations of Classroom Management. Proefschrift Open Universiteit, 2016. Vertaald door Eline Geus.

Dit proefschrift is bekroond met de VOR/VFO Dissertatieprijs 2016 tijdens de OnderwijsReseachDagen 2018 in Antwerpen.

Dit artikel verscheen in Didactief, september 2017.
 

Bronvermelding

1 Gratis video's en tips

Click here to revoke the Cookie consent