Geloven in het Onderwijsverslag

Tekst Monique Marreveld
Gepubliceerd op 17-04-2014
Monique Marreveld - Het jaarlijkse Onderwijsverslag van de inspectie is gisteren gepubliceerd. Grootste probleem van het Nederlandse onderwijs? De gebrekkige motivatie van de leerlingen. Ik zou het graag geloven.


Alle media sprongen er bovenop. Het motivatieprobleem van de Nederlandse leerling, zoals dat gisteren door de Onderwijsinspectie is gesignaleerd in het nieuwste Onderwijsverslag. Het zal geen docent verbaasd hebben.

Wat mij vooral opviel, was de vergelijking die de inspectie trok met andere landen. Het gras is altijd groener aan de andere kant van de heuvel. Of heeft de inspectie een punt? Met PISA in de hand stelt de inspectie dat Nederlandse kinderen minder plezier hebben in leren, lezen en wiskunde dan leeftijdgenoten elders. Hebben ze hier misschien meer last van de puberteit of is er iets anders aan de hand?

Nederlandse leerlingen hebben het druk met bijbaantjes, vrienden, sporten en wat niet al. School lijkt vooral van belang als ontmoetingsplek. Dat zagen we op het Jan Arentsz in Alkmaar (weet u nog, van BNN). Leren leek er niet zo boeiend.

Toch slagen docenten als Arjen van der Meij en René Kneyber er wel degelijk in om pubers te raken. Ze nemen hun leerlingen serieus, maken werkelijk contact en zijn keien in hun vak. Het kan dus wel! Als ik dat bedenk, schrik ik weer van het percentage onbevoegden dat voor de klas staat. Zeventien procent van de lessen in het VO wordt gegeven door een onbevoegde leraar, volgens het Onderwijsverslag. Gek genoeg constateert de inspectie in datzelfde verslag dat de kwaliteit van de lessen weinig verschilt tussen bevoegde en onbevoegde leraren. Toch vind ik die zeventien procent niet geruststellend. Zou er een verband zijn tussen onbevoegd en niet motiverend? Heb je misschien veel vakinhoud nodig om leerlingen echt te raken? Dat zou ik zo graag willen geloven.

Voorzichtig
De inspectie zegt in het verslag dat VO-scholen steeds voorzichtiger worden in het plaatsen van leerlingen. Niet te hoog (want dan is kans groter op afstroom en lagere eindexamencijfers) en niet te heterogeen. De inspectie lijkt blind voor haar eigen rol in dat proces. Zouden scholen niet gewoon bang zijn afgerekend te worden op tegenvallende resultaten? Excellente scholen - bijvoorbeeld met hoge eindexamencijfers - worden in de schijnwerpers gezet en beloond. Scholen die minder scoren, moeten uitkijken. Voor je het weet sta je bij inspectie (en Dronkers) te boek als een zwakke broeder. En met leerlingen die je een kans gunt, loop je nu eenmaal meer risico.

Als je risico's mijdt, daalt het aantal zittenblijvers (zoals nu gebeurt, getuige het Onderwijsverslag) en halen leerlingen over het algemeen hogere cijfers voor de eindexamens. En dat is precies wat er nu gebeurt in Nederland. Een trendbreuk, constateert het Onderwijsverslag blij. Maar rekent de inspectie zichzelf zo niet rijk? Homogenere klassen zijn niet per se beter voor de samenleving op de lange duur (en ook niet altijd voor de leerprestaties trouwens, volgens sommige onderzoekers). De Onderwijsraad vestigde eerder al de aandacht op het gevaar van sociale segregatie. Maar er is meer. Vroege selectie in Nederland, motivatieproblemen in de pubertijd, een slechte leraar hier en daar kunnen erin resulteren dat de schoolcarrière van een leerling meer tijd vergt dan idealiter in de OCW-begroting gepland staat. En dat die schoolcarrière afhankelijk wordt van een zekere gunningsfactor door de school: goede leraren motiveren hun leerlingen en geven ze ook een kans op zijn tijd. Maar dan moet de school daar wel de ruimte voor voelen en niet gebukt gaan onder de druk excellent te presteren. Dat zou ik zo graag zien.

In geen enkel land is de autonomie van scholen en besturen zo groot als in Nederland, constateert het Onderwijsverslag terecht. De inspectie lijkt er echter aan te twijfelen of die vrijheid goed wordt benut. Studenten en leerlingen kunnen er helaas niet altijd op rekenen dat zij goed onderwijs blijven krijgen, staat er letterlijk. Zeker, scholen en besturen werken aan verbetering en investeren, maar die investeringen bereiken niet altijd de leraar en zijn leerlingen. De inspectie sluit daarmee aan bij een discussie die al een tijdje woedt op internetfora: er gaat steeds meer geld naar onderwijs, maar toch worden de klassen groter. Hoe kan dat nou?

Het CDA vroeg begin april om een onderzoek van de Rekenkamer naar de besteding van onderwijsgeld. Misschien moeten de onderzoekers ook eens met de inspectie gaan praten. De auteurs van het Onderwijsverslag schrijven: 'De inspectie ziet .. op scholen uitstekende systemen, maar deze staan regelmatig los van wat leraren in de klas doen. (...) In het ergste geval leiden investeringen en registraties tot bureaucratie of tot informatie waar leraren en leerlingen op worden afgerekend. (...) Investeringen moeten niet leiden tot onderwijs dat er alleen op papier mooi uitziet. (...) Soms lijkt bij de verbeteringen de registratie van gegevens een doel op zich te zijn geworden.' Ik ben bang dat we dat steeds meer gaan zien. Waarom? Omdat cijfers en datamining steeds belangrijker aan het worden zijn.

Het onderzoeksrapport Leerwinst en toegevoegde waarde in het primair onderwijs dat in januari 2014 werd gepubliceerd, stelt dat het mogelijk is de toegevoegde waarde van scholen te schatten op basis van leerwinstgegevens. Let wel, te schatten. Bepaling van die waarde, staat in hetzelfde rapport, is echter zo complex dat toets- en schoolinformatiesystemen moeten worden aangepast. De onderzoekers pleiten ervoor dat een school voor alle leerstofgebieden halfjaarlijks alle toetsen van het leerlingvolgsysteem afneemt, om zo de toegevoegde waarde te bepalen. Zo wordt uiteindelijk zichtbaar wat de bijdrage van een school aan die leerwinst is. Ze adviseert de minister afspraken met scholen te maken.

In het Onderwijsverslag wordt op de pilots voortgeborduurd: 'Uit de pilots blijkt dat leerwinst een waardevolle bijdrage levert aan de verdere ontwikkeling van het opbrengstgericht werken in scholen en aan de beoordeling van hun eigen leerprestaties. (...) Scholen kunnen hun leerwinst vergelijken met die van andere scholen. (...) Hiermee komt een nieuw referentiepunt beschikbaar op basis waarvan scholen conclusies kunnen trekken over de organisatie en inrichting van hun onderwijs.'

Wat begon als een schatting, zal een eigen leven gaan leiden. Immers, een school zal denken: niet alleen wij, maar ook de inspectie zal conclusies trekken. En zal dat referentiepunt gebruiken om onze school te vergelijken met andere scholen en onze prestaties te beoordelen. Hier ontstaat een ´papertrail´ dat zijn eigen dynamiek zal krijgen. Of dat nu echt resultaat in de klas zal opleveren, vraag ik me af. Het zal waarschijnlijk wel leiden tot meer teaching to the test en tot meer voorzichtigheid bij scholen. Geen gekke dingen doen, want dan lopen we op papier te veel risico. En of zo'n trend nu zal resulteren in meer motiverend onderwijs. Waarschijnlijk niet.

Cito Eindtoets Basisonderwijs
Tuurlijk, de inspectie doet in dit Onderwijsverslag veel moeite om te laten zien dat ze echt niet alleen naar cognitieve opbrengsten kijkt op papier. Sociale opbrengsten zijn ook belangrijk. Maar ondertussen worden wel de gemiddelde prestaties van Nederlandse leerlingen op de Eindtoets Basisonderwijs (iets lager dan in 2012, daling van een half punt naar 535) in het verslag genoemd als indicatie voor de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs. En dan hebben we het over een toets die op het moment van afname nog niet eens verplicht was! Dat belooft wat na 2015. Ik ben benieuwd hoe gemotiveerd de Nederlandse leerling dan is?

Het Onderwijsverslag in hoofdpunten:

- 3,7 miljoen leerlingen en studenten volgen onderwijs in Nederland.

- Nederlandse leerlingen zijn te vaak niet actief betrokken bij de les. In het basisonderwijs gaat het om 9% van de lessen, in het VO om 21%.

- Het aantal zwakke en zeer zwakke basisscholen is in drie jaar gedaald van 501 naar 153.

- De prestaties op de Eindtoets Basisonderwijs zijn in 2013 iets lager dan in 2012 (daling van een half punt naar 535)

- De eindexamens in het VO zijn in 2012 en 2013 beter gemaakt dan in voorgaande jaren.

- In 2013 haalden havo- en vwo-leerlingen hogere cijfers.

- Het verschil tussen schoolexamen en centraal examen is afgenomen. In de basisberoepsgerichte leerweg van het vmbo en de havo zijn de cijfers voor het ce zelfs hoger dan die voor het schoolexamen.

- Internationaal vergelijkend onderzoek laat zien dat Nederlandse basisschoolleerlingen lezen minder leuk vinden dan leerlingen uit andere landen en voor lezen minder gemotiveerd zijn. Voor Nederlandse 15-jarigen geven de recent verschenen PISA-resultaten een vergelijkbaar beeld, maar dan over motivatie voor wiskunde.

- Scholen besteden meer aandacht aan de voorbereiding voor het centraal examen.

- Zeseneenhalf procent van de leerlingen doorloopt de basisschool in minder dan 8 jaar.

- In het schooljaar 2012/2013 registreerden de vertrouwensinspecteurs bijna 2.300 meldingen van seksueel misbruik, psychisch en fysiek geweld, discriminatie en radicalisering (20% meer dan in 2012).

- Vanaf 2012 is er voor het eerst meer afstroom dan opstroom in de eerste jaren van het VO.

- In de bovenbouw van het VO daalde in 2012/2013 het aantal zittenblijvers.

- De inspecteurs zien dagelijks voorbeelden van goede schoolleiders maar ook van schoolleiders die niet goed functioneren.

- Leraren met een deeltijdaanstelling beheersen de algemeen didactische en de differentiatievaardigheden gemiddeld minder goed dan leraren die voltijds werken.

- De gemiddelde groepsgrootte is de afgelopen twee jaar licht toegenomen en het aantal klassen met meer dan 30 leerlingen steeg.

- Leraren zijn positiever over hun vaardigheden dan de inspecteurs.

- Slechts 28 van de 100 studenten die starten met een lerarenopleiding werken 5 jaar na hun afstuderen nog in het onderwijs.

- 17% van de lessen in het VO wordt gegeven door een onbevoegde leraar.

- Naarmate een schoolleider beter is, zijn de lessen die de inspecteurs zien beter.

- Over het algemeen zijn besturen financieel gezond.

- In totaal stonden op 1 augustus 2013 veertig besturen onder verscherpt financieel toezicht.

- In het speciaal basisonderwijs daalde het aantal leerlingen in 2012 ten opzichte van 2011 met 4,5 %.

Passend onderwijs:

- Tegelijkertijd valt ons op dat samenwerkingsverbanden verschillen in uitgangspunten en visie. Ook verschillen leraren en scholen of opleidingen in de kwaliteit van de zorg en begeleiding die ze leerlingen en studenten bieden. (..) Die variatie moet echter wel gericht zijn op wat nodig is om kwetsbare leerlingen en studentn te laten profiteren ban passend onderwijs.

- Op basisscholen ontbreekt het vaak aan specifieke, op de individuele leerling gerichte ondersteuning.

- Veel leraren hebben moeite om goed te differentieren.

- Een aantal samenwerkingsverbanden moet (op termijn) fors bezuinigen. (..) De zorg is hier of de opgebouwde expertise niet verdwijnt of vermindert. (..) Andere samenwerkingsverbanden hebben juist fors meer te besteden. De vraag is of bij deze smwv-en wel altijd voldoende expertise aanwezig is om de nieuwe middelen zo in te zetten dat de leerlingen daar zoveel mogelijk profijt van hebben.

Monique Marreveld is hoofdredacteur van Didactief

Een ogenblik geduld...
Click here to revoke the Cookie consent