Jetses’ samenwerking met de onderwijzers Jan Ligthart en Hindericus Scheepstra resulteerde aan het begin van de twintigste eeuw in kindgerichte schoolboeken voor het aanvankelijk leesonderwijs, waarin Ot en Sien, de beroemdste kleuters van Nederland, allerlei avonturen beleefden. De verhalen en tekeningen waren niet saai en dor, zoals vaak het geval was in negentiende-eeuwse schoolboekjes, maar spraken de jongste leerlingen juist aan, omdat de auteurs rekening hielden met de ontwikkeling en de belevingswereld van het kind.
Deze belangrijke uitgangspunten van de reformpedagogiek, een vernieuwingsbeweging die omstreeks1900 opkwam en waarin het kind centraal stond, werden door Jetses treffend vertaald in aansprekende afbeeldingen. Zijn illustraties waren niet alleen esthetisch aantrekkelijk, maar hadden tegelijkertijd een pedagogische functie: door de visuele ondersteuning kregen kinderen beter, sneller en vooral ook met plezier het lezen onder de knie.
Tussen 1904–1906 werkte Jetses in Duitsland aan de Bremer Fibel (zie afbeelding met de eieren; een Fibel is een schoolboek voor beginnende lezers). De illustraties in de Bremer Fibel stonden in het teken van de reformpedagogische uitgangspunten: een kindgerichte benadering die aansloot bij de dagelijkse leefwereld van de leerlingen. Jetses, die toen in Duitsland leefde en werkte, werd gekozen om zijn ervaring in Nederland met het illustreren van schoolboeken voor de onderwijsvernieuwers Ligthart en Scheepstra.
Kunstzinnige vorming speelde belangrijke rol
In Bremen maakte Jetses gebruik van technieken die hij had opgedaan tijdens zijn kunstopleiding aan Academie Minerva in Groningen, de Rijksakademie in Amsterdam en de Kunstgewerbeschule in Bremen. De illustraties voor de Bremer Fibel waren beïnvloed door de Jugendstil-beweging, een kunststroming die esthetiek en functionaliteit wilde verenigen. De Fibel bevat 53 veelkleurige tekeningen, gedetailleerde taferelen waarin natuur, dorpsleven en kinderen centraal staan. Deze beelden combineerden pedagogische doeleinden met artistieke kwaliteit, zoals het stimuleren van associatief leren en het ontwikkelen van een schoonheidsgevoel bij jonge kinderen.
Kunstzinnige vorming speelde een belangrijke rol in de reformpedagogiek. Kinderen zouden opgroeien tot ‘betere mensen’, als opvoeders hen in aanraking zouden brengen met artistiek hoogstaande en tegelijkertijd kindvriendelijke illustraties.
Hoewel Jetses’ illustraties voor de Bremer Fibel sterk overeenkomen met zijn werk voor Nederlandse schoolboeken, zoals de serie Nog bij moeder (1904-1905), zijn er opvallende verschillen. In de Nederlandse school boeken legde hij meer nadruk op eenvoud en herkenbaarheid. De illustraties van de Bremer Fibel waren gedetailleerder en rijker van compositie, met gebruik van diverse Jugendstil-elementen.
Een ander verschil was het decor van zijn illustraties. Terwijl de Nederlandse illustraties vaak een landelijke sfeer opriepen, waren de taferelen in de Bremer Fibel geïnspireerd door de omgeving van Bremen. Deze toonden een geïdealiseerd en geromantiseerd dorpsleven, passend bij de reformpedagogische visie om kinderen te beschermen tegen de negatieve effecten van het stadsleven. Tegelijkertijd verwerkte Jetses speelse en herkenbare scènes voor kinderen in zijn tekenwerk, waarin dieren en kinderen centraal stonden, terwijl volwassenen vaak op de achtergrond stonden.
Jetses’ werk voor de Bremer Fibel toont aan hoe kunst en pedagogiek elkaar versterkten. Door zijn kennis van artistieke compositietechnieken creëerde hij illustraties die zowel functioneel als aanschouwelijk aantrekkelijk waren bij het leren lezen. Hij zorgde ervoor dat kinderen zich konden identificeren met de personages en situaties, en dat nieuwe woorden visueel gekoppeld werden aan de leerstof. Deze kunstzinnige aanpak stimuleerde leerlingen om met meer plezier te leren lezen.
Liane Strauss is als museumdocent verbonden aan het Schulmuseum Nordwürttemberg in Kornwestheim (D), Jacques Dane is hoofd onderzoek en conservator van het Nationaal Onderwijsmuseum in Dordrecht.
Jetses gebruikte voor de Bremer Fibel, verschenen in 1906, complexere compositiemethodes waarmee de blik van de kinderen naar afzonderlijke voorwerpen werd getrokken. De illustratie van bijvoorbeeld de lettercombinatie ‘ei’ is hiervan een goed voorbeeld. Op de afbeelding staat een eierverkoopster in een keuken, samen met een vrouw met haar kind in de armen. Met haar ene hand houdt de verkoopster de jonge moeder een ei voor, de andere hand rust op een mand vol eieren die op tafel is geplaatst. Bovendien staat rechts op tafel een rek waarop losse eieren worden bewaard. Jetses rangschikte het voorwerp ‘ei’ afzonderlijk en in groepjes, zodat de eieren de hoeken vormen van een driehoek die naar boven wijst, naar het ene ei in de hand van de verkoopster – zo wordt de blik van de toeschouwer ernaartoe getrokken. Aangezien mensen gewoonlijk in dezelfde richting kijken en dit effect bij de hier afgebeelde mensen in beeld is gebracht, zorgt de richting van de blik van de drie personen ervoor dat de leerlingen óók naar het ei kijken. Bron: Collectie Nationaal Onderwijsmuseum, Dordrecht
Jetses' onderwijsillustraties werden sterk beïnvloed door de reformpedagogiek. Dit is terug te zien is in zowel de Bremer Fibel als in de deeltjes van Nog bij moeder. Een voorbeeld is de zwart/wit illustratie van de Nederlandse kinderen die touwtje springen, die lijkt op de tekening uit de Bremer Fibel. Beide beelden tonen drie spelende kinderen, maar de details verschillen: de Nederlandse versie toont kinderen op klompen met een eenvoudige achtergrond, terwijl de Duitse versie rijk gedetailleerd is en de jongen een lei vasthoudt. Bron: Collectie Nationaal Onderwijsmuseum, Dordrecht | © Noordhoff
Dit artikel is verschenen in Didactief van januari/februari 2025.
En blijf op de hoogte van onderwijsnieuws en de nieuwste wetenschappelijke ontwikkelingen!
Inschrijven