Kansengelijkheid in het onderwijs is niet echt mijn ding

Tekst Erik van Schooten
Gepubliceerd op 13-01-2022
Erik van Schooten is de nieuwe wetenschappelijk directeur van het Kohnstamm Instituut. Hij reflecteert in deze blog op kansengelijkheid en onderwijsonderzoek.

Kansengelijkheid in het onderwijs is niet echt mijn ding. Zo goed mogelijk onderwijs voor iedereen is wel mijn ding. Vroeger heb ik wel veel onderzoek gedaan naar NT2 onderwijs en naar achterstandsleerlingen, maar de oude PvdA visie dat onderwijs pas deugt als de opleiding van de ouders niet meer samenhangt met het bereikte opleidingsniveau van de leerling, is een rare utopie. Maar wel een utopie die jaren geleden in de kantine aan mij werd verkondigd door de voorzitter van de onderwijsraad, tevens afdelingshoofd van de faculteit Pedagogische en Onderwijskundige wetenschappen aan de UvA en vooraanstaand PvdA lid. Zijn intenties waren zuiver en ik mag hem graag, maar hier ging ik natuurlijk vol tegenin. Als reactie stelde ik de vraag of ik dan niet meer met mijn kinderen mocht praten of dat ze misschien in een kolenhok moesten worden opgesloten. Iets dergelijks bereik je natuurlijk alleen door draconische maatregelen als een Spartaans model (alle kinderen een staatsopvoeding, direct na de geboorte weghalen bij ouders), of meer van dat soort onzin.

Het hele woord ‘achterstandsleerling’ is raar. Bij elke variabele die onderwijsprestaties meet, zijn er leerlingen die onder en leerlingen die boven het gemiddelde scoren. Maar wanneer spreek je van achterstand? Aan de andere kant, je kunt natuurlijk wel streven naar meer hulp voor leerlingen die van huis uit wat minder meekrijgen, en dat doen we dan ook al. Zie de gewichtenregeling in het basisonderwijs, de sturing op gemengde studentpopulaties ofwel het tegengaan van segregatie en de rem op categorale gymnasia, de aandacht voor en facilitering van kinderopvang, die positief lijkt te werken voor kinderen van laag opgeleide ouders, maar negatief voor kinderen van hoog opgeleide ouders, enzovoorts. Verder is ook de aandacht voor remediërend onderwijs een uiting hiervan. Evenals de hogere studiebeurs voor kinderen van ouders die minder verdienen.

Ook het feit dat in vrijwel al ons onderwijs niet divergent maar convergent wordt gedifferentieerd, vermindert de verschillen, al is dat niet een bewust doel, maar meer een gevolg van hoe we ons onderwijssysteem hebben ingericht. Immers, leerlingen die het in die klas of periode beoogde lesdoel hebben behaald, mogen wat ‘voor zichzelf gaan doen’. De rest die daar nog niet is, moet doorwerken. Dat is net zoiets als het bouwen van muren op de schoolloopbaan met een deur die pas open gaat als iedereen voor de deur staat. Snelle leerlingen moeten dan wachten op de tragere leerlingen.

Ook sommige goed bedoelde pogingen falen echter, zie het passend onderwijs idee met de slogan ‘weer samen naar school’. Kinderen met een gebrek moesten zoveel mogelijk in gewone klassen zitten en niet meer naar het speciaal onderwijs. Dat zou segregatie en ongelijke kansen tegengaan. Cynici wijzen ook op het kostenaspect, maar laten we voor het argument uitgaan van goede bedoelingen. De expertise die men in het speciaal onderwijs bezit, werd voor deze samen naar school gaande kinderen niet meer ingezet en de lerares of leraar die een paar voorheen speciaal onderwijs leerlingen in de klas kreeg, kreeg het wel erg moeilijk.

Je zou kunnen beargumenteren dat dat de kansenongelijkheid vermindert. Het onderwijs aan ‘gewone’ leerlingen werd er immers slechter door. De proportie permanent uitgevallen leerlingen nam dan ook enorm toe. Dat waren leerlingen die in het reguliere onderwijs toch niet mee bleken te kunnen. En dat bleken dan ook nog eens vooral leerlingen te zijn met een internaliserende problematiek, de leerlingen die het kwetsbaarst zijn dus. De externaliserende relschoppers bleven het wel goed doen op school, nou ja, goed, ze bleven op school.

Het gevaar van blind idealisme is dat het meer kwaad dan goed doet. Ook al omdat onderzoek naar idealistische initiatieven vaak wordt gedaan door ‘gelovigen’ die op zijn zachtst gezegd niet geheel objectief zijn. Diederik Stapel was niet alleen. Nou ja, wel alleen in de mate waarin hij werd ontmaskerd, maar er zijn vele grote en minder grote Stapels onder ons. Een voorbeeld hiervan is het onderzoek naar de effectiviteit van de kinderopvang.

Toen ik aantoonde dat kinderen die in een ouderwetse opvang zaten, waar alleen werd gespeeld in de zandbak, een liedje werd gezongen en een boterham werd gegeten, sneller vooruit bleken te gaan op taalvaardigheid, dan de leerlingen in opvang die aan alle door de onderzoekers uitgevente ideeën voldeed (zoals 2 paar handen voor de klas, gebruik van programma’s als Kaleidoscoop, Piramide, Met woorden in de weer e.d., koppeling aan een basisschool) kreeg ik een enorme bak kritiek over me heen. Vooral ook van de organisaties (Cito) en mensen die belangen hadden in de VVE-programma’s.

Het onderzoek dat wel positieve effecten rapporteerde, bleek na close reading wel erg creatief met de data om te gaan. Al deze vernieuwingen waren idealistisch gemotiveerd, en dat was nou net het probleem. Goed onderzoek kent weinig emotie en vooringenomenheid.

Overigens, door het constante gedrens over valorisatie en de liberalisering van de onderzoeksmarkt, de toename van de hoeveelheid 3e geldstroomonderzoek en het commercieel maken van de universitaire en andere instituten voor toegepast onderzoek, is de objectieve evaluatie van alle initiatieven om tot meer kansengelijkheid te komen beschadigd. Voeg daarbij dat de ministeries en gemeenten het onderzoek vaak willen gebruiken om hun beleid te rechtvaardigen en om minder kwetsbaar te worden voor missers, en daarom allerlei dwingende bepalingen opnemen in hun onderzoeksaanbestedingen die de expertise van deze overheidsambtenaren te boven gaan, en het drama is compleet.

Zo heb ik onlangs voor een NRC journaliste een onderzoek van Sardes gerecenseerd over de kwaliteit van de kinderopvang in Nederland. De conclusies bleken totaal niet getrokken te kunnen worden, gezien de onderzoeksopzet die was gebruikt. Maar nu komt het: die opzet was door de overheid gedicteerd, en ook de te beantwoorden vragen waren door de overheid gesteld. Instituten zoals Kohnstamm, die drijven op een commerciële kurk, omdat ze failliet kunnen gaan, het zijn nu vaak BV’s, met dank aan de liberalisering, kunnen zo’n opdracht maar moeilijk weigeren. Toch heeft mijn onderzoeksinstituut aan de UvA onlangs geweigerd om een offerte te schrijven voor onderzoek. Een van onze consortiumpartners bleek met de overheid al jaren in een integriteitsprocedure verwikkeld te zitten, omdat de opdrachtgever/overheidsinstelling ontevreden was over de conclusies van een vorig onderzoek van hen.

Ik wil pleiten voor onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek naar hoe de van huis uit minder bedeelden geholpen kunnen worden, ook in het onderwijs. De beschaving van een volk is immers af te lezen aan de mate waarin het de zwakken weet te beschermen. En dat onderzoek moet dan aan alle regels van de methodenleer voldoen; pamfletten en reclameteksten maken de ongelijkheid niet minder, maar vergroten de verwarring in het betoog over wat er moet gebeuren.

Ook moeten we beseffen dat kansenongelijkheid, hoewel niet uit te roeien, altijd tegengegaan moet worden. En dan heb ik het hierboven nog niet eens gehad over de neiging van alle mensen om te discrimineren. Discriminatie op basis van het sociolect of dialect dat je spreekt, je huidskleur, godsdienst enzovoorts. Juist omdat het discrimineren een algemeen menselijke trek blijkt, mag duidelijk zijn dat het tegengaan van kansenongelijkheid vergeleken kan worden met onze dijkbewaking. Je bent er nooit mee klaar.

Erik van Schooten schreef deze column als lector bij het Kenniscentrum Talentontwikkeling aan Hogeschool Rotterdam. Sinds 2022 is hij tevens wetenschappelijk directeur van het Kohnstamm Instituut. Foto: Edgar Tossijn

 

Verder lezen

1 Dossier: Gelijke kansen

Een ogenblik geduld...
Click here to revoke the Cookie consent