Paul Kirschner heeft een enorme staat van dienst. De emeritus hoogleraar onderwijspsychologie aan de Open Universiteit en gastprofessor aan de Thomas More Hogeschool in Antwerpen heeft tientallen boeken en meer dan 500 wetenschappelijke en populair wetenschappelijke publicaties geschreven. Met medeauteur Carl Hendrick schreef hij eerder al het boek How learning happens en met Carl en Jim Heal How teaching happens. 

‘Negatieve invloed open leerruimtes op leren van leerlingen’

Paul Kirschner heeft een enorme staat van dienst. De emeritus hoogleraar onderwijspsychologie aan de Open Universiteit en gastprofessor aan de Thomas More Hogeschool in Antwerpen heeft tientallen boeken en meer dan 500 wetenschappelijke en populair wetenschappelijke publicaties geschreven. Met medeauteur Carl Hendrick schreef hij eerder al het boek How learning happens en met Carl en Jim Heal How teaching happens. 

Ze hadden het idee om het boek Paradox of learning te schrijven, maar het werd toch een boek over onderwijsillusies. ‘Waar we op stuitten, bleken geen paradoxen te zijn maar illusies,’ legt hij uit. ‘Veel van wat er gebeurt wanneer we onderwijs geven, blijft voor de waarnemer verborgen. Je kunt het vergelijken met een niet-goochelaar die naar een goochelaar kijkt. Deze vertrouwt op haar of zijn zintuigen en gezonde verstand, maar toch wordt zij of hij gefopt. Je gelooft wat je ziet. Wat wij denken te zien, staat vaak ver van of zelfs haaks op wat er werkelijk gebeurt.’ De auteurs kwamen aanvankelijk op meer dan tien onderwijsillusies uit. ‘We hebben er een aantal uitgegooid, omdat we een handzaam boekje wilden maken.’ 

Mythe versus illusie

Paul noemt zichzelf op zijn LinkedIn-profiel educational myth buster. ‘Ik ben al twintig jaar bezig mythen te ontzenuwen. Ik heb veel lezingen gegeven over, bijvoorbeeld, waarom 21e-eeuwse vaardigheden of leerstijlen mythes zijn. Een mythe is niet hetzelfde als een illusie. Een mythe is iets wat per definitie niet klopt. Bij een illusie geloof je wat je ziet, zonder dat je over voldoende kennis beschikt om te begrijpen wat er werkelijk gebeurt.’

Het recent verschenen Onderwijsillusies geeft voorbeelden van misvattingen in het onderwijs die al heel lang bestaan, zoals uitspraken als ‘iedereen kan lesgeven’, ‘lesgeven is een makkie’ of ‘lesgeven is een aangeboren talent’. Effectief lesgeven vereist echter een unieke set kennis en vaardigheden, waaronder het vermogen om complexe ideeën duidelijk over te brengen, een klas te managen, leerlingen te motiveren en een les aan te passen aan verschillende leerbehoeften. Dat kan en moet je leren, aldus het boek.

Weinig verstand van leren

De vraag rijst waarom die illusies bestaan en zo hardnekkig zijn. Veel mensen die bij het onderwijs betrokken zijn, hebben weinig kennis van het leren, stelt hij. ‘Beslissers in het onderwijs – onderwijsbestuurders, schoolleiders, beleidsmakers – denken verstand te hebben van hoe wij leren, maar dat hebben ze niet. Ouders hebben die kennis ook niet, maar willen alleen dat hun kind gemakkelijk leert. Maar gemakkelijk en goed gaan niet goed samen als het om leren gaat.’ Je kunt ze dit niet kwalijk nemen; zij hebben daar niet voor geleerd.

‘Niet slechts één manier om goed les te geven’

Ook docenten hebben op de pabo of lerarenopleiding niet echt geleerd hoe leren werkt - hoe wij informatie verwerken tot kennis - en om wetenschappelijk onderzoek te doen en te evalueren. ‘Daardoor landt het evidence-informed onderzoek niet goed. Als er twee onderzoeken zijn over hetzelfde onderwerp, weten ze niet meer welke ze moeten geloven. De opleiding besteedt wel aandacht aan didactische technieken, maar niet hoe je die optimaal gebruikt. Leraren leren niet wanneer een techniek wel of juist niet werkt, waarom dat zo is of in welke situaties je die het beste kunt gebruiken.’

De overheid mag wat hem betreft hier wel meer sturing aan geven. ‘De overheid heeft de grondwettelijke taak de kwaliteit van het onderwijs te garanderen. Hieronder zou moeten vallen het bepalen wat een leraar moet kennen en kunnen. Er zijn 384 routes naar het leraarschap, maar deze verschillen enorm wat betreft aandacht en inhoud. Om een analogie te trekken met het beroep van arts: het is alsof het niet uitmaakt wat de ene of de andere arts heeft geleerd!’

Cognitieve betrokkenheid 

De aantrekkingskracht van nieuwe aanpakken is groot. Innovatie suggereert vooruitgang. ‘Mensen zijn net eksters. Zij willen alles hebben wat glinstert. Ze denken dat als iets nieuw is, dat het dan beter is, maar er zijn vele zogenoemde innovaties in de loop der jaren in de prullenmand beland. Een innovatie die zorgt dat een leerling het materiaal minder cognitief verwerkt, dus met minimale mentale inspanning, is geen goede innovatie.’

Die inspanning wordt uitgelegd in de twee hoofdstukken over de illusie van de cognitieve betrokkenheid en de prestatie-illusie. Zo kan een klaslokaal met een carrousel van activiteiten en veel geroezemoes de illusie van leren voorschotelen, terwijl dat niet het geval is. ‘Leraren zien dat leerlingen druk bezig zijn, maar dat betekent niet dat ze leren. Ze zijn sociaal of emotioneel betrokken, maar niet per se cognitief.’ Dat is een valkuil waar je gemakkelijk in kunt lopen.

‘Zoals bij de prestatie-illusie wordt uitgelegd, is er een wezenlijk verschil tussen leren en presteren. In het kort komt het er op neer dat leren te maken heeft met het opslaan van kennis in het langetermijngeheugen, en presteren met onthouden op korte termijn. ‘Pas wanneer kennis na weken, maanden en zelfs jaren opnieuw kan worden opgeroepen en toegepast is er sprake van leren.’

Blauwdruk

Er is geen blauwdruk voor iedere school, omdat de context verschilt. ‘Net zoals het volgen van een recept om een soesje te maken niet garandeert dat het lukt of hetzelfde smaakt als elders, is er niet één manier om goed les te geven. ‘Wel is het essentieel te zorgen voor succes. Als leerlingen succes hebben, dan willen ze verder gaan. Als ze falen, dan verliezen ze hun motivatie.’ 

Herkneden

Het uiteindelijke doel van onderwijs is dat leerlingen echt leren. Een van de didactische aanpakken die leraren kunnen toepassen om leren te stimuleren is die van wenselijke moeilijkheden (desirable difficulties). Deze maken het leerproces uitdagender en zorgen voor een beter begrip en echt leren. ‘Met meer nuttige mentale inspanning, wordt de informatie beter en dieper verwerkt. Het werkt beter om actief vragen te beantwoorden over een stuk tekst die je moet leren en je dus meer mentale inspanning moet leveren, dan deze tekst een tweede keer te lezen.’ 

Wat ook werkt zijn generatieve leerstrategieën, waarbij leerlingen actief betekenis geven aan nieuwe informatie. In Vlaanderen wordt dit ook wel herkneden genoemd. ‘Bij herkneden gaan leerlingen op een andere manier met de informatie om. Zij zetten de informatie om in iets anders, bijvoorbeeld een tekst in een mindmap. Omdat je hier cognitieve moeite voor moet doen, blijft het beter hangen.’ Logan Fiorella en Rich Mayer onderscheiden acht van zulke strategieën die in het boekje te lezen zijn. 

Innovatie-illusie

Sommige zogenoemde innovaties zijn slechts een nieuwe verpakking van bestaande ideeën, oude wijn in nieuwe zakken. Een voorbeeld is de onderwijshype open leerruimtes. ‘Open leerruimtes, beter bekend als leerpleinen, doorbreken de muren tussen klaslokalen. Zo ontstaan verschillende grote en flexibele leerplekken. Onderzoek laat zien dat deze ruimtes een negatieve invloed hebben op het leren van leerlingen en op het welzijn van leraren. Leerlingen hebben koptelefoons op, omdat ze anders te gauw afgeleid zijn. Een open omgeving nodigt leerlingen uit om niet op te letten. Leraren vinden het ook vreselijk. Zij hebben het niet bedacht, maar een bestuurder.’

Is AI een illusie?

De auteurs beschrijven tien onderwijsillusies. Een AI-illusie zit daar niet bij. ‘AI is geen illusie. Denken dat je leert als je AI al het werk voor je laat doen, is de illusie. AI is een gereedschap en kan goed of slecht gebruikt worden. Het grote gevaar is dat AI zorgt voor cognitieve outsourcing. Dan ben je niet bezig het werkgeheugen te ontlasten (dat heet offloading) maar de verwerking uit te besteden. Vroeger was het je vader of moeder, tegenwoordig is het ChatGPT of Claude.’

Ontdekkend leren

Wanneer leerlingen proberen een concept zelf te ontdekken, kost het moeite en veel mentale inspanning, maar in dit geval zijn die niet wenselijk of productief. Zij moeten zowel het probleem oplossen als de weg daarnaartoe uitvogelen en bovendien voortdurend nagaan of zij op de goede weg zijn en zo niet hun route aanpassen. Dit vraagt allemaal onnodige inspanning van het werkgeheugen. Soms lukt het ze een probleem wel op te lossen, maar dan hebben ze weinig tot niets geleerd. ‘Bij ontdekkend leren komt het vaak voor dat leerlingen niet bezig zijn met leren en geen idee hebben hoe ze aangekomen zijn bij het eindstation.’ Leerlingen zijn namelijk beginners die niet kunnen terugvallen op een rijk netwerk van bestaande kennis om echt ontdekkend te leren.

Paul vindt deze en andere illusies zorgelijk. ‘Door mee te lopen met illusies, vergroot je de kans op ongelijkheid. De ‘betere’ leerling of de leerling uit een welgesteld nest lukt het ook met slecht of suboptimaal onderwijs iets te leren, maar de ‘mindere’ leerling verzuipt en leert niet. Alle kinderen krijgen betere kansen als ze goed onderwijs krijgen. Dat vereist kennis van hoe leerlingen leren en hoe het brein werkt. Op basis daarvan stuurt de leraar.’

Hij vindt goedgeschoolde leraren belangrijk, omdat zij weten hoe leerlingen leren. ‘Kennis is de sleutel. Goed geschoolde leraren geloven hun ogen niet, die kijken achter het gordijn van de goochelaar: What you see is not what you get.’

Paul krijgt positieve reacties op het boek. ‘Mensen laten weten dat ze zelf die illusies hadden, maar zeggen nu te begrijpen waarom, bijvoorbeeld, bezig zijn in de klas niet altijd betekent dat leerlingen leren.’ Of hij een vervolgboek schrijft, weet hij nog niet. ‘Ik moet nog drie andere boeken afronden.’

 

Paul A. Kirschner, Carl Hendrick & Jim Heal (2026). Onderwijsillusies. Telos Uitgevers