Op een bepaald moment kreeg ik echter een soort openbaring. Mede dankzij Wilfred Rubens realiseerde ik me dat publiceren in wetenschappelijke tijdschriften niet genoeg was. Als ons onderzoek bedoeld was om leraren en leerlingen te dienen, dan hadden we ook de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat het bij hen terechtkwam.
Met enige schroom begon ik mijn eigen blog en schreef ik columns voor leraren, onder andere hier bij Didactief. Vanaf dat moment werd ik een hybride schrijver: zowel wetenschappelijk als populair. Dat is nog steeds zo. Als pensionado publiceer ik nog altijd in wetenschappelijke tijdschriften, maar een groter deel van mijn energie gaat nu naar het vertalen van onderzoek – zowel mijn eigen resultaten als die van anderen – voor leraren, schoolleiders en ouders.
Zorgwekkende trend
De laatste tijd valt mij echter iets verontrustends op. In de eduTwitterverse en, recenter, op Substack is er een explosie van zelfverklaarde ‘onderzoekvertalers’. Soms kom ik drie of vier blogs tegen over dezelfde studie, elk van een andere commentator.
Op zichzelf is dit natuurlijk goedbedoeld en niet per se een probleem. Hoe meer belangstelling voor onderzoek, hoe beter. En wie is er beter toegerust om cognitieve en onderwijskundige psychologie te vertalen naar de klaspraktijk dan de leraar zelf? Zeker niet de onderzoeker vanuit een ivoren toren. Maar hier zit de angel: veel van deze vertalers zijn leraren of ex-leraren die zelf weinig of geen echte onderzoekservaring hebben.
Voordat iemand zijn of haar klomp breekt van verontwaardiging: NEE, ik beweer niet dat alleen doorgewinterde onderzoekers over onderzoek mogen schrijven. Maar ik zeg wel dat je, om te kunnen beoordelen of een studie het waard is om vertaald/vertolkt en toegepast te worden, een stevige basis nodig hebt. En met een stevige basis bedoel ik meer dan een of twee methodologiecursussen tijdens de studie (wat veel NL-leraren ook niet hebben gehad) maar daadwerkelijke ervaring in het uitvoeren, publiceren en begeleiden van onderzoek.
Twee voorbeelden van mensen die deze criteria wél vervullen zijn Pedro De Bruyckere en Dan Willingham, beiden goede onderzoekers en bekwame vertalers. En trouwens: als je wilt leren wat goed onderzoek is, moet je vooral ervaren hoe het voelt om een afwijzing te krijgen omdat recensenten methodologische fouten in je manuscript blootleggen!
Te vaak lees ik een gelikte, overtuigende blog, om vervolgens terug te gaan naar het oorspronkelijke artikel en vast te stellen dat de studie ernstige gebreken had – theoretisch, methodologisch, of beide. Toch worden die gebreken genegeerd of zelfs niet opgemerkt, en worden de conclusies onkritisch doorgegeven aan leraren die snakken naar houvast. Dat vind ik gevaarlijk.
Doet dit ertoe (en waarom)?
Onderzoek vertalen draait niet alleen om enthousiasme en een vlotte pen; het gaat om oordeelsvermogen. Zonder de kwaliteit van een studie kritisch te kunnen beoordelen, lopen zwakke of voorbarige bevindingen het risico verpakt te worden als ‘evidence-informed practice’. Leraren verdienen beter dan opgewarmde persberichten gepresenteerd als belangrijke inzichten.
Wil onderzoek werkelijk het onderwijs informeren, dan moet vertaling verankerd zijn in expertise, degelijkheid en verantwoordelijkheid. Anders wordt wat begon als een nobele poging om de kloof tussen onderzoek en praktijk te overbruggen, al snel goedbedoeld maar uiteindelijk misleidend lawaai.
Moraal van dit verhaal: slecht onderzoek, hoe welsprekend ook vertaald, verheldert leraren niet. Het misleidt hen.
Noot: Voor een goede introductie in hoe je onderzoek kritisch kunt bekijken, zie de blog op onderzoekonderwijs.net/2015/08/31/truth-or-truthiness waar ik waarheid versus truthiness bespreek via Gorards zeef.
Paul A. Kirschner is emeritus hoogleraar Onderwijspsychologie aan de Open Universiteit en gasthoogleraar aan de Thomas More Hogeschool (België).