Nieuws

Zet het leerplan naar je hand

Tekst Filip Bloem
Gepubliceerd op 05-12-2017 Gewijzigd op 28-11-2017
Beeld Jeroen Oerlemans, Freddie Westerhof en Shutterstock
Onderzoeker Monique Volman en projectleider Nienke Nieveen zien hoe verfrissend het kan zijn als een school met het eigen curriculum aan de slag gaat. Maar soms is het ook een worsteling. ‘Scholen moeten meer ondersteund worden.’  

Een ‘beweeg-vmbo’ dat lichaamsbeweging inzet voor burgerschaps- en persoonsvorming. Een doorlopende leerlijn voor kinderen van tien tot veertien jaar. Of onderzoekend en ontwerpend leren, waarbij leerlingen zelf onderzoeksvragen formuleren. Het zijn maar een paar voorbeelden uit de SLO-publicatie Inspirators voor de toekomst. Op landelijk niveau is de laatste jaren rondom Onderwijs 2032 en Curriculum.nu zo veel gediscussieerd over het curriculum van de toekomst, dat je bijna zou vergeten dat tal van scholen al lang zelf aan hun leerplan sleutelen. Monique Volman en Nienke Nieveen zijn kind aan huis op zulke scholen. Volman onderzoekt in het project Toekomstgericht onderwijs hoe scholen werken aan niet-cognitieve doelen als persoonsvorming en kritisch denken (zie kader op deze pagina). Nieveen is vanuit SLO, nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling, betrokken bij tal van projecten rondom curriculumvernieuwing (zie kader op pagina 33).

Jullie zijn veel op scholen geweest die op allerlei manieren zelf een draai aan hun curriculum geven. Wat zijn jullie belangrijkste indrukken?
Volman: ‘Ik zie dat curriculumvernieuwing in een soort golfbeweging gaat. Als een school een nieuwe weg inslaat, is er in het begin vaak veel enthousiasme. Maar het lukt niet altijd om die bevlogenheid vast te houden. Het is als met een spiraal: het gaat wel vooruit, maar niet in een rechte lijn. Soms heeft dat te maken met kritiek van de inspectie. “Zorg eerst maar eens dat de basis op orde is”, krijgt een school die een andere kant op wil weleens te horen. Wat ik ook zie: de onderbouw lijkt zich beter voor vernieuwing te lenen dan de bovenbouw. In de bovenbouw wordt er geregeld weer water bij de wijn gedaan en met het oog op het eindexamen toch naar methodes gegrepen.’
Nienke NieveenNieveen: ‘Dat herken ik. In de onderbouw wordt de ruimte gezien en gepakt, in de bovenbouw is dat moeilijker. Ik ken een school waar in de onderbouw tweetalig onderwijs wordt gegeven, maar zodra het eindexamen in zicht komt gaat alles toch weer in het Nederlands. Wat de inspectie betreft: soms trapt die inderdaad op de rem, maar ik hoor ook andere geluiden. Als de onderwijsinspectie echt meedenkt met een school, kan dat een heel nuttige spiegel zijn.’
Volman: ‘Dat is zeker waar. Maar vernieuwende scholen hebben wel moeite Monique Volmanom zichtbaar te maken wat ze doen, vooral bij niet-cognitieve doelen. “Creativiteit”, hoe meet je dat? De beoordelingscriteria zijn vaag. Toch moeten scholen kunnen verantwoorden wat ze doen en monitoren of ze hun doelen bereiken. Maar ik ben ook huiverig dat je voor dit soort doelen een afvinklijst krijgt. Het resultaat van “persoonsvorming” is voor ieder kind anders, dat laat zich niet vangen in een checklist.’

Doe de contextscan
Op basis van bijna veertig schoolbezoeken heeft SLO onderzoek gedaan naar belemmerende en bevorderende factoren voor schooleigen curriculumontwikkeling. De bevindingen zijn terug te lezen in de Curriculumspiegel 2017. Deze kun je, net als de met schoolportretten gevulde publicatie Inspirators voor de toekomst, downloaden op curriculumvandetoekomst.slo.nl. De contextscan is te vinden op curriculumontwerp.slo.nl/aan-de-slag (zie rubriek ‘meso – algemeen’).

Wat onderscheidt scholen die erin slagen van curriculumvernieuwing een succes te maken?
Volman: ‘Het maakt uit of vernieuwing echt in de schoolcultuur verankerd zit. Bij een school als de Werkplaats Kindergemeenschap in Bilthoven zit die houding in het DNA. Belangrijk, want als je zaken anders gaat doen, gaan er ook altijd dingen mis. Dan vallen bijvoorbeeld de eerste toetsresultaten tegen. Juist dan is het van belang dat vernieuwingen door de hele school gedragen worden.’
Nieveen: ‘Vernieuwen is een kwestie van lef hebben. Het team en de schoolleiding moeten stevig in hun schoenen staan. Maar je hebt meer nodig: een goed onderwijskundig concept, de juiste expertise, genoeg tijd en budget. We hebben bij SLO een contextscan gemaakt waarmee een school al die factoren in kaart kan brengen (zie kader, red.). Er wordt nu wel veel aan de scholen zelf overgelaten. Die kunnen het niet alleen.’

Waar schort het aan in die ondersteuning?
Nieveen: ‘Voor de schoolbegeleidingsdiensten zijn tal van bureaus in de plaats gekomen, maar vind in die versnippering maar eens je weg. Er is ook nauwelijks aanbod voor scholen die zich verder willen bekwamen in curriculumvernieuwing. Zij zouden daarom meer steun moeten krijgen van de educatieve infrastructuur – partijen als educatieve uitgeverijen, toetsontwikkelaars en lerarenopleidingen.’
Volman: ‘Zulke netwerken zijn inderdaad cruciaal. Verder denk ik ook dat de lerarenopleiding minder gericht moet zijn op de les van morgen. Leraren hebben meer kennis nodig van ontwerpen om te kunnen bijdragen aan curriculumvernieuwing. Daarmee wordt het leraarschap ook een veel uitdagender vak.’
Nieveen: ‘Eens, al hoeft niet elke leraar een ontwerper te worden. Het zou al heel mooi zijn als in elk docententeam één persoon zit die ontwerpen in de vingers heeft.’

Wat is jullie belangrijkste advies aan scholen die aan curriculumvernieuwing willen beginnen?
Nieveen: ‘Scherpe keuzes maken. Anders wordt je school een kerstboom met duizend ballen, en die valt om. Lesmateriaal maken bijvoorbeeld is echt een vak apart dat je er niet zomaar even bij doet. Pas je ambities aan op wat je kunt.’
Volman: ‘Eén van de scholen waarmee wij werken zet vol in op cultuur. ICT, hoe belangrijk ook, staat op een lager pitje. Dat soort beslissingen moet je wel durven nemen.’

professionaliserenScholen die zich actief met curriculumvernieuwing bezighouden, vormen nu nog een kleine minderheid. Hoe ziet het er over tien jaar uit?
Volman: ‘Het zal dan normaler zijn dat scholen zelf hun curriculum vormgeven. Elk jaar hetzelfde lesboek, daar moeten we vanaf. De samenleving verandert, en wil het onderwijs relevant blijven dan moet het mee veranderen.’
Nieveen: ‘Precies. Curriculumvernieuwing is een cyclisch proces, het gaat met vallen en opstaan. Maar met z’n allen iets goeds van de grond proberen te krijgen, dat is vooral heel leuk. Het bruist op zo’n school, dat merk ik steeds weer als ik er kom.’

Doelen van de toekomst
Hoe kun je als school ‘andere’ doelen als kritisch denken, zelfsturing en creativiteit in de praktijk brengen? In Toekomstgericht onderwijs doen het Kohnstamm Instituut en de afdeling Pedagogische en Onderwijswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam daar samen met tien vernieuwende scholen drie jaar lang onderzoek naar. Bekijk de eerste resultaten van het in 2015 gestarte project op kohnstamminstituut.uva.nl/toekomstgerichtonderwijs.

Monique Volman is hoogleraar Onderwijskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Nienke Nieveen is projectleider bij SLO.

Dit artikel verscheen in de rubriek 'Leerplan' in Didactief, december 2017.