Onderzoek

Wiebelige prestaties

Tekst Masja Lebouille
Gepubliceerd op 08-04-2021 Gewijzigd op 07-04-2021
Beeld Basisschool De Voorhof, Stanislascollege
Springend sommen maken, extra gymlessen of instructie volgen op een wiebelkruk: steeds meer scholen koppelen beweging aan leren. Maar wat levert dit nou echt op? Didactief ging in between lockdowns langs bij twee scholen (po en vo) en sprak met onderzoekers.


Wie binnenkomt op het Stanislascollege in Rijswijk (477 leerlingen, vmbo/mavo) heeft het gevoel in een hardloopwedstrijd te stappen. Net over de drempel prijkt in grote letters het woord ‘Start’ en de gang is een meterslange, linoleum sintelbaan. Op dit ‘beweeg-vmbo’ beginnen de eerste- en tweedejaars iedere dag met zestig minuten sport. Jazzballet in de dansstudio of zelfverdediging in de dojo, maar ook zwemles in het nabijgelegen bad of mountainbiken in de omgeving. Om ruimte te maken in het lesrooster zijn alle lessen vijf minuten ingekort, van 50 naar 45 minuten.

Na het sporten krijgen de leerlingen wiskunde, Nederlands of Engels. ‘De belangrijkste vakken eerst, omdat we merken dat leerlingen na inspanning geconcentreerder werken,’ zegt teamleider Mike Peters. Ook in deze lessen wordt bewogen: wiebelkrukken en zitballen staan in elke ruimte en in speciale beweeglokalen kunnen docenten aan de slag met klein materiaal (balletjes, hoepels, pionnen) en een smart wall. Leerlingen raken dan bijvoorbeeld met een bal het juiste antwoord op een rekensom.


Cognitie voorop

Sinds de start van het onderwijsconcept in 2015 is het Stanislas gegroeid, van 60 naar 148 nieuwe aanmeldingen in het eerste leerjaar. De meeste scholen worden inderdaad populairder zodra ze zich profileren met sport als motor voor het leren. Een klimwand of een permanent danspodium is tijdens open dagen een topattractie voor brugklassers in spe. Op het Stanislas moest iets gebeuren, want het ging met de school (voorheen IMC Rijswijk) bergafwaarts. ‘Het aantal leerlingen nam sterk af. We kregen veel leerlingen uit de achterstandswijken van Den Haag die straatgedrag lieten zien,’ vertelt Peters. Het team wilde meer leerlingen, maar wilde hen ook beter bedienen. ‘Door ze meer te laten sporten, hoopten we het doorzettingsvermogen van jongeren te trainen en probleemgedrag te voorkomen. We wilden dat ze weer zin kregen in leren. Veel vmbo-leerlingen slaan vaak het boek dicht als het moeilijk wordt. Dat gaat ook zo bij sport: als het zwaar wordt, stoppen ze ermee. Ik merk dat leerlingen nu meer bereiken als ze doelen stellen en daar stapsgewijs naartoe werken.’ Dat geldt volgens Peters net zo goed voor de piepjestest als voor de stelling van Pythagoras. Het Stanislas hoopte leerlingen ook cognitief vaardiger en socialer te maken. Sterker nog, het hoofddoel is niet om zeer sportieve kinderen op te leiden, benadrukt Peters: ‘Cognitie staat voorop.’

 

Bewijs dat beweging
zorgt voor beter leren,
is lastig te leveren

 

Of dat inderdaad zo werkt, blijkt lastig aan te tonen. Uit onderzoek van het VUmc (Smart Moves) bleek vooralsnog alleen dat leerlingen van het Stanislas aan het einde van het eerste schooljaar beter scoorden op conditie en uithoudingsvermogen dan aan de start van het schooljaar. Ook uit testen op uithoudingsvermogen die de school zelf afneemt, blijkt de lichamelijke conditie bij 85% van de leerlingen in de brugklas vooruit te gaan. Dat is logisch: wie meer aan sport doet, krijgt een betere conditie. Maar ook de sfeer is verbeterd, vindt Peters. Volgens hem komt dat mede doordat de leerlingen voor elke sportactiviteit op niveau worden ingedeeld en zo meer leeftijdsgenoten leren kennen. ‘Samen sporten schept een band.’ Of de instroom gevarieerder is geworden, kan hij niet zeggen.

Dat sporten tot betere cognitieve vaardigheden leidt, kan op basis van het Smart Moves-onderzoek niet geconcludeerd worden. Ook internationaal is het bewijs dat bewegen effect op leren heeft, lastig te leveren. Hoogleraar Biopsychologie van leren Renate de Groot (Open Universiteit) vond samen met collega’s wereldwijd maar 58 relevante studies, waarvan bovendien slechts elf (uit de periode 2007 tot 2016) voldeden aan wetenschappelijke kwaliteitseisen, zoals een controlegroep of voor- en nameting.

‘In die elf studies vonden we onvoldoende bewijs voor positieve effecten van beweging op breinfuncties als het geheugen, plannen of organiseren. Maar we vonden wél vijf studies met een positieve invloed op rekenen en wiskunde.’ Beweegprogramma’s moesten dan wel minstens drie keer per week plaatsvinden en twee schooljaren duren (zie kader hieronder).

 

Beter rekenen door gym

Onderzoekster Ingegerd Ericsson ontdekte in 2008 dat Zweedse middenbouwleerlingen die elke schooldag deelnamen aan een gymles van 45 minuten en een wekelijkse motorische training van 60 minuten, na drie jaar betere rekencijfers haalden dan kinderen die alleen de reguliere gymlessen volgden. Voor lezen en schrijven vond ze ook effecten, maar deze verdwenen in het derde jaar ook weer.
Dat het ook in minder tijd kan, liet een studie van Gao en collega’s (2013) zien: door drie keer in de week een halfuur (in twee rondes) te fitnessen met een videogame, gingen de rekencijfers van fourth-graders (groep 6) vooruit. Een effect op lezen bleef uit. Deze uitkomsten sluiten aan bij de overzichtsstudie van Fedewa en Ahn uit 2011, die eveneens vaststelden dat met name reken- en wiskundeprestaties vooruitgaan door beweging.



Gelukshormonen

Hoewel hard bewijs voor een effect van bewegen op leren ontbreekt, blijven wetenschappers vermoedens uiten over een verband. En dat komt scholen die zich willen profileren niet slecht uit. Hoogleraar De Groot: ‘We weten dat beweging zorgt voor een betere bloedcirculatie en dat daardoor de verbindingen tussen de zenuwcellen sterker worden. Je wordt er alerter van.’ Maar de missing link – omhoogschietende leerprestaties na bewegen – is nog niet gevonden.

Onderzoek wijst op indirecte voordelen,
zoals meer aandacht

 

Dat bewegen je stemming verbetert, zoals leraren op het Stanislas bij hun leerlingen merken, heeft vermoedelijk met de aanmaak van gelukshormonen als serotonine en dopamine te maken; denk aan de euforie van de hardloper. En, zegt De Groot, ‘door met elkaar te bewegen voel je je lid van een groep. Je ontwikkelt meer zelfvertrouwen.’ Ook de slaap verbetert door beweging. Toch is veel nog onzeker. Neem het bewegen vóór lestijd, zoals fietsen naar school. Wetenschappers vermoeden, aldus de Groot, dat meisjes daar bijvoorbeeld taakgerichter door worden. ‘Maar hoelang ze dan precies moeten bewegen en welk soort inspanning het beste is, licht of intensief, weten we niet.’ Ook onduidelijk is of andere activiteiten, bijvoorbeeld zingen of knutselen, wellicht eenzelfde positief effect op de concentratie hebben. Dus dat het niet zozeer de beweging is die scoort, maar de onderbreking. Voordat iedere school een klimwand moet aanleggen, is nog heel wat onderzoek nodig.

 

Werkt knutselen of zingen net zo goed
ter onderbreking?

 

Maar bewegen is toch wel nuttig voor kinderen met concentratieproblemen zoals ADHD? Ook dat blijft gissen, stelt De Groot. In het Wiebelkinderen-onderzoek naar Betere Breinprestaties en LeerEffecten (WOBBLE, 2020) onderzocht haar team of een wiebelkussen in het po bijvoorbeeld tot betere aandacht- en rekenprestaties leidt. Niet per se, zo bleek; het kan ook afleiden, omdat leerlingen door het wiebelen bijvoorbeeld vergeten op te letten.

Ook op het Stanislas staan wiebelkrukken. Direct wegdoen dan maar? Dat is de onderzoekers te stellig. ‘Als de nieuwigheid eraf is en kinderen eraan gewend zijn, heeft zo’n kussen mogelijk wel een positieve werking,’ zegt De Groot. Bij het NRO staat een financieringsaanvraag uit voor nader onderzoek.
 


Op De Voorhof in Vianen staat de inrichting in het teken van bewegend leren.
 


Baat het niet…

Neem je zonder onomstotelijk bewijs niet te veel risico door lestijd op te offeren aan sportles, zoals het Stanislas doet? Nee hoor, zegt De Groot: ‘Er zijn geen studies die negatieve effecten op leren aantonen.’ Ze haalt als voorbeeld een overzichtsstudie aan van Rasberry en collega’s (2011), waaruit blijkt dat leerlingen niet slechter gaan presteren als zij extra bewegen op school. Het Mulier Instituut trok in een voorstudie (2014) dezelfde conclusie. Oftewel: baat het niet, het schaadt ook niet.

En zo spannend is wat het Stanislas doet trouwens niet. In een klassieke studie van Hervet (1952) vervingen Franse scholen 26% van de reguliere lestijd door bewegingsonderwijs. De leerprestaties bleven op peil, terwijl er minder ordeproblemen waren en leerlingen meer aandacht hadden voor de lessen. Dat lijkt op de veranderingen die de Stanislas-docenten merken. Recenter onderzoek van Hillman en collega’s (2014) laat zien dat leerlingen die dagelijks deelnamen aan een speciaal sportprogramma beter scoorden op concentratietaken dan leerlingen zonder sport. Ook onderzoek van Subramanian en collega’s (2015) wijst in die richting. Dus de baten lijken ’m vooral in indirecte effecten te zitten: meer aandacht en concentratie. En daar hebben leerlingen mogelijk iets aan.



Uit onderzoek is bekend dat leerlingen in ieder geval niet slechter gaan presteren door bewegend leren (foto: De Voorhof).

 

Sociale en politieke druk

Behalve vermoedens over cognitieve voordelen en een slimme profilering is er nog een reden waarom scholen leerlingen meer willen laten bewegen: de druk vanuit de samenleving om toenemend overgewicht bij kinderen tegen te gaan (zie ook kader onderaan dit artikel). In 2018 publiceerden de Nederlandse Sportraad, de Onderwijsraad en de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving een gezamenlijk rapport waarin zij scholen dwingend adviseerden om leerlingen minstens twee keer per dag een halfuur matig intensief te laten bewegen. ‘Het vanzelfsprekend maken van bewegen op scholen – ook buiten de gymles – is nodig,’ schrijven de raden. Staatssecretaris Dekker probeerde al eerder drie uur gym per week in het po wettelijk te verankeren, in plaats van twee. Maar dit bleek destijds onhaalbaar en onbetaalbaar. Toch wordt het voor basisscholen vanaf 2023 verplicht minstens twee lesuren per week gym te geven, het liefst drie. 

Commerciële startups springen handig in op de aandacht voor beweging, zoals het programma Fit en Vaardig, dat door de Rijksuniversiteit Groningen is onderzocht. Dit onderzoek won in 2017 de NRO-verbindingsprijs uit handen van Michael van Praag omdat het zo praktijkgericht zou zijn. Fit en Vaardig biedt een compleet lesprogramma (groep 2 tot 7) met automatiseringsoefeningen voor taal en rekenen in de app op het digibord, ter aanvulling op of vervanging van bestaande lesstof. Leerlingen spellen een woord door op en neer te springen bij elke letter of joggen op hun plek terwijl ze tafels opdreunen.

De RUG concludeerde dat kinderen die dit drie keer per week twintig tot dertig minuten deden, na twee jaar beter spelden en rekenden dan leerlingen in een controlegroep. Maar volgens wetenschapper én Fit en Vaardig-ontwikkelaar Marijke Mullender-Wijnsma (RUG) is het niet zeker dat dit door het bewegen komt. ‘Het kan ook komen door de extra aandacht voor het automatiseren.’ De controlegroep besteedde daar namelijk geen extra aandacht aan; dat maakt de uitkomsten van het onderzoek betwistbaar. Maar aan deze nuance hebben veel basisscholen geen boodschap. De bekroning van het NRO zegt hun genoeg. En op de website van Fit en Vaardig staat toch ook dat het programma na twee jaar ‘vier maanden leerwinst’ oplevert? Dat zal veel scholen – al helemaal in coronatijd – als muziek in de oren klinken.


School op de kaart

Er zijn scholen die nog verder gaan dan Fit en Vaardig, zoals basisschool De Voorhof in Vianen (280 leerlingen). Tijdens het leren vindt steevast beweging plaats. Aan hoge en lage tafels drukken leerlingen de trappers in van een fietsstoel of zitten ze op een wiebelkruk. Op pantoffels joggen ze van de ene naar de andere kant van de klas. En na bewegen mogen ze ook uitrusten. Op de verwarmde vloer liggen leerlingen languit in hun schrift te schrijven. De deuren van de lokalen staan open en op de brede leerpleinen werken kinderen uit groep 3 en 8 naast elkaar. In een ‘stiltecabine’ vult een meisje met koptelefoon haar sommen in.
‘Binnen bepaalde kaders geven wij veel vrijheid aan de kinderen,’ zegt Laurens van Leeuwen, sinds vier jaar directeur van De Voorhof. Anderhalf jaar geleden verhuisde zijn team naar het gloednieuwe gebouw. ‘Wij vroegen ons af: willen wij een traditioneel schooltje blijven met vijfentwintig tafels en stoelen gericht op het bord? Of vinden we het belangrijk dat er ruimte is om te staan, lopen en springen binnen en buiten de klas?’ Het resulteerde in onderwijs met een centrale plek voor bewegend leren. In het oude gebouw ging de hele inrichting al op de schop. Het team experimenteerde met flexplekken en statafels en haalde de leerkrachtbureaus weg voor extra ruimte. Op de gang kwamen leerpleinen. Van Leeuwen: ‘Doordat de deuren vaker openstonden, gingen we meer samenwerken. En ik zag enthousiasme en betrokkenheid bij leerlingen. Ze konden hun energie kwijt tijdens het leren.’

Bewegingsprofiel blijkt voor scholen handige marketing



Dat bewegend leren, net als bij het Stanislas, ook een manier was om de school op de kaart te zetten, steekt Van Leeuwen niet onder stoelen of banken. Toen hij in 2016 directeur werd, kreeg hij meteen van zijn bestuur (Fluenta) de opdracht om toe te werken naar een nieuw onderwijsconcept waarmee hij zich kon onderscheiden in de buurt. Sommige ouders zetten toen hun hakken in het zand, maar inmiddels trekt de school ouders die speciaal voor het concept kiezen. Ook in Vianen blijkt kiezen voor beweging dus een goede marketingtool.

 


Bedenk goed bij welke leeractiviteit beweging past (foto: Stanislascollege, beweeg-vmbo/mavo).



Leermat en loopladder

Hoe ziet bewegend rekenen of spellen er precies uit op De Voorhof? Adjunct-directeur en groep 7/8-leerkracht Anne Maguire heeft door de school spellingsoefeningen verspreid, oplopend in moeilijkheidsgraad. Na elke foutloos ingevulde opdracht volgt een bewegingsoefening. Level één begint in de klas. ‘Hier tien keer opdrukken, daarna naar level twee!’ zegt Maguire als ze de eerste leerling diens nagekeken werk teruggeeft. Een voor een verlaten de kinderen het lokaal op zoek naar meer opdrachten. De onrust die dat met zich meebrengt, weegt op tegen de betrokkenheid die leerlingen laten zien, vindt Maguire. Haar groep kan die verantwoordelijkheid aan, maar ze begrijpt dat dit niet altijd vanzelfsprekend is.
Leerkracht van groep 6 en gymdocent Mirjam Jongbloed is het met haar collega eens. ‘Als je net begint, moeten leerlingen eraan wennen dat ze wél mogen springen of rennen, maar niet mogen schreeuwen. Je moet er de tijd voor nemen, inoefenen en positieve feedback geven.’

Hoe tijdrovend is het om elke dag zo’n activiteit te bedenken en voor te bereiden? Maguire: ‘Je schudt de activiteiten niet zomaar uit je mouw. Gelukkig delen we als team lesideeën met elkaar via een database. En ik kan materiaal pakken uit de bewegend-lerenkast: leermatten voor rekenen of loopladders waar ik spellingscategorieën naast leg. Ik noem een woord en leerlingen springen naar de juiste categorie.’

 

‘Kies goed wanneer je bewegend leren wel of niet inzet’



Kosten zulke activiteiten niet alleen extra voorbereiding, maar ook extra lestijd? Wandelen door de school duurt bijvoorbeeld langer dan het antwoord op je wisbordje schrijven. Hoe zorg je dat bewegend leren in je rooster past? Volgens Jongbloed kun je bijna alle automatiseringsoefeningen vervangen door bewegend leren. ‘En je wint tijd terug doordat andere lessen efficiënter verlopen.’ Denk wel goed na wanneer je het wel en niet inzet, waarschuwt ze. Beweging is niet altijd een zegen. ‘Op sommige dagen, als de leerlingen ongedurig zijn, kan ik voorspellen dat lopen en springen meer onrust zal opleveren. Dan kies ik voor een andere werkvorm.’

Dat onrust en tijdgebrek leraren kan afschrikken, zag ook teamleider Peters op het Stanislas. ‘Eerst hadden we een rooster voor het beweeglokaal, maar we merkten dat je docenten daar niet op vast moet pinnen. Dan schieten ze in de stress als de toetsweek eraan komt en het hoofdstuk nog niet uit is.’ Bovendien bleek lesgeven in een gymzaal voor collega’s een hele stap. ‘Het vraagt een strakke lesvoorbereiding. De akoestiek is anders, er liggen veel materialen, leerlingen voelen zich vrijer.’

 

Overgewicht: taak van het onderwijs?

The Daily Mile is een initiatief van oud-schaatser Erben Wennemars en stichting JOGG, waarbij basisschoolleerlingen driemaal per week een kwartier hardlopen om blijer en fitter te worden. In Nederland doen 538 basisscholen mee.
Nuttig of zonde van de onderwijstijd? Laurens van Leeuwen (directeur De Voorhof) is kritisch: ‘Dit gaat direct van je effectieve lestijd af en collega’s hebben al een bomvol programma.’ Teamleider Mike Peters (Stanislascollege) ziet dat anders. ‘De beweegnorm is zestig minuten per dag. Dan vind ik het raar dat sommige scholen nog niet met extra sport begonnen zijn.’ Zelf coachte hij onlangs nog een leerling met obesitas naar een gezond gewicht. Hij maakte een sportprogramma voor haar en gaf advies over voeding. Geen vanzelfsprekende taak voor het onderwijs, geeft hij toe, ‘maar als school ontkom je er niet aan om leerlingen iets mee te geven over een gezonde leefstijl.’

Hoogleraar Biopsychologie van leren Renate De Groot (Open Universiteit) denkt evenmin dat je het aanpakken van obesitas op het bordje van het onderwijs kunt leggen, maar ziet wel andere mogelijkheden: ‘Bedenk hoeveel uren per dag leerlingen zittend op school doorbrengen. Als je dat zitgedrag af en toe onderbreekt, zet je al een stap in de goede richting.’ Zo toont een studie van arts-onderzoeker Duvivier (2013) aan dat langdurige, licht fysieke activiteiten zoals staan en wandelen beter zijn voor de gezondheid dan kortdurende zware inspanning, zoals sport. Of scholen hier daadwerkelijk iets mee moeten en op welke manier precies, lijkt eerder een politiek dan een wetenschappelijk vraagstuk.

 

Hoe ver ga je?

Hoe mooi bewegend leren ook staat op je visitekaartje, de organisatie is zeker in het begin een uitdaging. ‘Je moet bedenken bij welke leerstof bewegen wel en niet past. Er is voor het vo nog geen methode met kant-en-klare activiteiten.’ Het team werd een jaar lang getraind door een extern bureau en de interne kartrekkers van het concept coachten hun collega’s. Nog steeds heeft bewegend leren bij sommigen geen prioriteit. Peters: ‘Een techniekdocent heeft bijvoorbeeld al veel beweging in zijn lokaal. Als hij niets extra’s doet, snap ik dat.’

Crux is kortom dat het concept je team wel moet aanspreken. En dan nog: hoe ver ga je, hoeven leerlingen alleen te bewegen of laat je ze echt sporten? Want wie gaat daar dan de verantwoordelijkheid voor dragen? Op het Stanislas gingen veel docenten tegelijkertijd met pensioen, waardoor het team gericht kon werven op docenten die al ervaring hadden met het concept. Daarnaast sportten veel docenten al in hun vrije tijd en waren sommigen bereid daar ook een lesbevoegdheid in te halen. Zo ontwikkelde de docent elektrotechniek een cursus zelfverdediging en ging de docent Nederlands met de leerlingen mountainbiken in het bos, altijd samen met een gymdocent. Hoogleraar De Groot: ‘Je hebt gekwalificeerde mensen nodig, het is een vak apart om leerlingen te motiveren tot meer beweging en dan ook nog cognitief uitdagende sportlessen te geven. Ik hoop dat OCW daar meer subsidie voor uittrekt.’


Dit artikel kwam tot stand mede dankzij een subsidie van Onderwijsfonds COCMA. Het verscheen in Didactief, april 2021. 

Verder lezen

1 Steviger staan door te bewegen?

Click here to revoke the Cookie consent