Nieuws

Passend onderwijs failliet?

Tekst Monique Marreveld
Gepubliceerd op 13-04-2022 Gewijzigd op 03-05-2022
Voor het eerst sinds de invoering van passend onderwijs zijn er meer leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs dan in 2014. Dat staat in het nieuwste jaarverslag van de onderwijsinspectie, de Staat van het Onderwijs 2021, die vandaag is verschenen.

Er is minder geld beschikbaar voor deze leerlingen in de samenwerkingsverbanden, omdat het totaal aantal leerlingen krimpt. Mogelijk moeten schoolbesturen in de nabije toekomst hun eigen financiële middelen aanspreken, waardoor ze zelf minder geld overhouden voor ondersteuning in reguliere scholen. Dat is extra spannend, omdat met ingang van dit jaar het speciaal basisonderwijs wettelijk verplicht is leerlingen zoveel mogelijk (terug) te plaatsen in basisscholen of naar scholen voor vo te laten uitstromen. Het aandeel (terug)plaatsingen vanuit het speciaal basisonderwijs naar het basisonderwijs is sinds 2016/2017 redelijk stabiel (rond 1,0%), en beperkt. Dit geldt ook voor de terugplaatsing vanuit het speciaal onderwijs naar het basisonderwijs (rond 2,3%).

De onderwijsinspectie heeft in haar nieuwste onderwijsverslag ook onderzocht hoe de faciliteiten en voorzieningen zijn voor leerlingen met een fysieke beperking. Ze constateert dat deze in slechts 69 procent van de schoolgebouwen toegankelijk zijn. Ruimtes om verpleegkundige handelingen of medische zorg te verlenen zijn er op 38%van de scholen, een ruimte voor leerlingen die zich willen terugtrekken in een prikkelarme omgeving is er maar op 35%.. Inclusief onderwijs, waartoe Nederland zich in internationale verdragen heeft verplicht, lijkt daarmee nog ver weg.

Ook begeleiding binnen reguliere klassen van leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte is nog niet overal vanzelfsprekend. 52% van de schoolleiders schat in dat er voldoende ruimte is voor individuele begeleiding bij een groei van die groep, en 45%dat er in het gebouw voldoende ruimte is voor individuele ondersteuning. De inspectie gaat komend jaar onderzoek doen naar de kwaliteit van de extra ondersteuning in het reguliere basis- en voortgezet onderwijs.

 

Basisvaardigheden

Naast passend onderwijs is de onderwijskwaliteit in de basisvaardigheden traditiegetrouw een van de belangrijkste thema’s in het nieuwste Onderwijsverslag. En die kwaliteit moet nu echt beter, schrijft de inspectie, want de basisvaardigheden zijn in Nederland niet op orde. Overigens, dat is niet de schuld van de leraar, stellen de inspecteurs. Of in ieder geval niet alleen. Maar - mocht u dat denken - het is ook niet de schuld van ‘tante Corry’, want corona heeft vooral problemen die er al waren versterkt.

De inspectie begint het jaarlijkse onderwijsverslag met een groot compliment aan leraren en schoolleiders. Zij hebben zich onder grote druk ‘veerkrachtig’ getoond in de covid-crisis. Een deel van de achterstanden die leerlingen in de eerste schoolsluiting opliepen, zijn mede dankzij die inzet alweer ingelopen. Maar de problemen zijn nog steeds zeer groot.

De inspectie trok in 2019 al aan de bel (Peilingsonderzoek) dat bijna een kwart van de leerlingen in groep 8 het fundamentele referentieniveau (1F) voor schrijven niet haalde (73 % deed dat wel) en een op de vijf naast het referentieniveau voor rekenen greep (82 % haalde het wel). Percentages leerlingen die de streefniveaus haalden, waren domweg zeldzaam: 28 % haalde schrijven 2F, luisteren 62 %, spreken 40 %, gesprekken 49 % en voor rekenen maar een op de drie leerlingen (33 %).

Uit leerlingvolgsysteemtoetsen in de onderbouw van het vo in het huidige schooljaar blijkt nu dat veel brugklasleerlingen nog steeds onder het fundamentele niveau leesvaardigheid presteren. Dat geldt met name voor vmbo-kader-leerlingen van wie 87% 1F niet haalde. En shockerend, voor havisten is dat 10%, voor vwo’ers 1%. Voor rekenen en wiskunde zijn de percentages vergelijkbaar. De cijfers tonen kortom een wereld van verschil tussen schoolsoorten.

 

Eindtoets

Door corona heeft de inspectie eigenlijk te weinig nieuwe data voor de beoordeling van het onderwijs; de Centrale Eindtoets waar zij zich gewoonlijk op baseert, werd niet afgenomen in 2020. Overigens neemt de inspectie de gelegenheid te baat in het verslag om weer eens te klagen over de verschillende eindtoetsen. Ze schrijft dat er ‘geen actueel landelijk zicht is op wat leerlingen aan het einde van de basisschool kunnen op het terrein van lezen, taalverzorging en rekenen’ omdat het sinds 2017 maar niet lukt om te komen tot ‘vergelijkbaarheid van de toetsen’ van de verschillende eindtoetsaanbieders. Een opmerkelijke klacht omdat experts al jaren zeggen dat die Eindtoets sowieso niet geschikt is om een peilstok in het Nederlandse onderwijs te steken. En des te vreemder omdat de inspectie elders in het onderwijsverslag laconiek meldt dat de cijfers op het centraal examen Nederlands en wiskunde wel ‘enig zicht op de beheersing van de Nederlandse taal en wiskundevaardigheden  van leerlingen (geven)’, maar dat ‘de mate waarop deze examens de beheersing van de referentieniveaus toetsen .. onduidelijk (is)’.

 

Net als voorgaande jaren zijn de verschillen tussen leerlingen en tussen scholen robuust, op veel fronten, en ze worden groter, schrijft de inspectie. Om wat voorbeelden te noemen: Leerlingen presteren gemiddeld genomen minder goed op begrijpend lezen, rekenen-wiskunde en spelling dan voor de coronapandemie, in alle leerjaren, met uitzondering van spelling in de bovenbouw. De vertragingen zijn voor begrijpend lezen en rekenen-wiskunde het grootst in groep 7 en voor spelling in groep 4. Maar de leervertraging is het grootst voor leerlingen met lager opgeleide ouders, uit eenouder-gezinnen en leerlingen op (grote) scholen met een uitdagendere leerlingpopulatie, in niet stedelijk gebieden.

 

Onvoldoende deskundigheid

Focus op basisvaardigheden is dus het parool. Scholen zien de problemen, dat is het punt niet volgens de inspectie. Zij zetten in op extra ondersteuning of begeleiding aan leerlingen en het verbeteren van het lesaanbod, op beter didactisch handelen, en het beter volgen van de ontwikkeling van hun leerlingen. Maar niet geruststellend, constateert de inspectie, is dat het scholen aan kennis lijkt te ontbreken om dat alles goed te doen. Een kwart tot de helft van de scholen in het po, (voortgezet) speciaal onderwijs en vo geeft aan dat niet alle leraren beschikken over de vaardigheden om bijvoorbeeld toetsresultaten goed te analyseren en te interpreteren. Een op de vier scholen is kritisch over de inhoudelijke en didactische deskundigheid van leraren. Een nog grotere groep, een derde van de scholen, meldt dat gerichte (bij)scholing van personeel noodzakelijk is om taal– en rekenvaardigheden op orde te krijgen. Zo ligt er toch een stukje schuld bij de Nederlandse leraar (of de lerarenopleiding die hem of haar getraind heeft).

De inspectie is kritisch over de bijscholing van de Nederlandse leraar. Het gebeurt te weinig en richt zich te vaak op algemene didactische vaardigheden, terwijl verbetering van de leerresultaten vooral verdieping van de vakdidactische vaardigheden vraagt. Maar het onderwijsverslag is ook  begripvol: leraren en schoolleiders zijn zo hard bezig het onderwijsschip drijvende te houden dat er domweg geen tijd is voor (bij)scholing. Zie maar eens bevoegde leraren te krijgen … (zie kader: Lerarentekort).

 

Schoolleider en bestuur

Het onderwijsverslag besteedt dit jaar veel aandacht aan de rol van schoolleiders. En hier en daar leidt dat tot grappige observaties. Zo schrijft de inspectie dat schoolleidingen vooral corona en afstandsonderwijs de schuld geven als de vorderingen van leerlingen onder verwachting zijn, maar als de resultaten boven verwachting  zijn, schrijven ze deze vooral toe aan het aangeboden onderwijs. Een vergelijkbaar beeld komt overigens naar voren bij de verklaringen die leraren zoeken voor de prestaties van individuele leerlingen bij rekenen en begrijpend lezen.

Eerder al bleek dat schoolleiders in Nederland het welbevinden van leerlingen belangrijker lijken te vinden dan hun prestaties. Het onderwijsverslag bevestigt dit weer. Schoolleiders en bestuurders geven volgens de inspectie aan meer zorgen te hebben over de sociaal-emotionele ontwikkeling en het welbevinden van leerlingen dan over hun cognitieve ontwikkeling. Meer sturing op kwaliteit zou geen kwaad kunnen, is de expliciete ondertoon van het onderwijsverslag. En die boodschap krijgen ook onderwijsbestuurders in de Staat dit jaar. Dat er geen opleiding voor bestuurders is, zoals de inspectie pikant opmerkt, mag geen reden zijn om het niet beter te willen doen. In de Staat doet de inspectie verschillende suggesties voor een sterkere sturing: meer aandacht voor visie-ontwikkeling en doelen stellen bijvoorbeeld.

 

Doorstroom havo/hbo

Er zijn grote verschillen in de doorstroom van havo naar hbo tussen scholen. Van sommige havo-afdelingen zijn nagenoeg alle leerlingen succesvol, constateert de inspectie, terwijl dit voor andere afdelingen geldt voor minder dan 80 %van de leerlingen. Deze verschillen kunnen niet door verschillen in de leerlingenpopulatie worden verklaard. Blijkbaar zijn er afdelingen die er beter in slagen om hun leerlingen goed voor te bereiden op het studeren. De vraag is wat deze afdelingen doen aan de voorbereiding op de overgang naar het vervolgonderwijs. Dit schooljaar is de inspectie een onderzoek gestart waarin mogelijke verschillen tussen deze afdelingen in kaart zullen worden gebracht.

 

Burgerschap en persoonsvorming

Burgerschap komt in dit onderwijsverslag ook prominent aan bod, de inspectie stelt burgerschapscompetenties dit jaar zelfs op één lijn met taal en rekenen. Helaas lijken scholen op dit vlak nog behoorlijk in het duister te tasten, ondanks de nadrukkelijke wettelijke verplichting. Kennis, houding en vaardigheden van Nederlandse leerlingen en studenten waren al minder dan die van hun internationale leeftijdgenoten en hebben zich nauwelijks ontwikkeld. Bevordering van burgerschap wordt volgens de inspectie nu met name ingevuld via de sociale lijn, dat wil zeggen gericht op een goede omgang met anderen. Maar aardig leren zijn is natuurlijk niet hetzelfde als leren omgaan met diversiteit en democratische waarden hoog houden. Er moet dan ook nog veel gebeuren volgens de inspectie. Het schort nu aan duidelijke burgerschapsdoelen in de klas, aan een kwalitatief aanbod en aan meetinstrumenten. Of dat volgend jaar anders is, is de vraag want veel scholen geven aan nauwelijks te weten welke concrete resultaten van hen verwacht worden.

Ook zicht op persoonsvorming ontbreekt, schrijft de inspectie, een thema dat in de huidige curriculumvernieuwingsoperatie veel stof doet opwaaien. Er ontbreekt een systematisch overzicht van wat er op dit vlak gebeurt op scholen en instellingen. Dit komt deels door het ontbreken van wettelijke eisen (persoonsvorming maakt geen expliciet onderdeel uit van het onderzoekskader van de Inspectie), maar ook – zo stelt het onderwijsverslag - omdat persoonsvorming op veel verschillende manieren wordt geïnterpreteerd: denk bijvoorbeeld aan het ontwikkelen van de eigen identiteit, de eigen talenten, het opdoen van een breed wereldbeeld, en kritisch leren denken. ‘Persoonsvorming schuurt hiermee dicht aan tegen burgerschap’, schrijft de inspectie. In een soort voorlopige definitie vat de inspectie elementen als sociaal-emotionele ontwikkeling, welbevinden en motivatie om te leren onder persoonsvorming.

 

Nieuwkomers

Interessant is de aandacht voor nieuwkomers in het Onderwijsverslag 2021. Hun ouders zijn niet in Nederland geboren en ze  zijn korter dan 4 jaar in Nederland. In het vo is hun aantal toegenomen van ruim 35.000 in het schooljaar 2016/2017 naar bijna 55.000 in 2021/2022. Opvang en begeleiding van deze groep kunnen beter, stelt de inspectie. Over het algemeen krijgen ze een te laag schooladvies maar stromen ze in het vo vaker op. Een kansrijke groep kortom, waar meer aandacht naartoe moet.

 

Cijfers

* Wederom lijkt het erop dat de maatregelen om eindexamenleerlingen te compenseren ertoe hebben geleid dat meer leerlingen dan voorheen zijn geslaagd. Met name leerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond slaagden afgelopen jaar vaker dan in schooljaar 2018/2019 (eerste generatie: 91,0 % versus 86,1 %; tweede generatie: 90,5 % versus 87,0 %).

* Leerlingen en studenten met een migratieachtergrond ondervinden vaker drempels in het onderwijs, al neemt dit de laatste jaren wel af.

* Het percentage leerlingen dat in het derde leerjaar op havo- of vwo-niveau zit, is dit jaar voor het eerst in jaren gedaald (van 48,5 % in 2020/2021 naar 47,9 % in ; 2021/2022).

* De kwaliteit van schoolgebouwen in het primair, voortgezet en speciaal onderwijs blijft achter. Er zijn veel oude en verouderde gebouwen en een deel voldoet niet aan de wettelijke eisen op het gebied van ventilatie, arbeidsomstandigheden, toegankelijkheid en duurzaamheid.

* Ongeveer een kwart van de scholen in het po en vo voldoet niet aan de minimumeisen voor ventilatie: de CO2-concentratie lag er bij de meting te hoog. Dit percentage ligt mogelijk nog hoger: het onderzoek is uitgevoerd in een relatief warme periode, waarin ventilatie door het openzetten van ramen niet ten koste ging van de temperatuur in de klaslokalen. Omdat klimaatmodellen voorspellen dat Nederland de komende jaren te maken zal krijgen met hetere zomers (KNMI, 2015), is ook de temperatuur in schoolgebouwen, zowel tijdens de examenperiode als daarbuiten, een relevant onderdeel van een aangenaam binnenklimaat.

* Krimp: in 2016/2017 telde het vo nog 1.002.096 leerlingen, in 2021/2022 934.164.

* De sterkste daling doet zich voor in de bovenbouw van de basisberoepsgerichte en de gemengde/ theoretische leerweg van het vmbo. Sinds 2017 daalt ook het aantal vestigingen, van 1.464 in 2017 naar 1.438 in 2021. Dat daalt beduidend minder hard  dan het aantal leerlingen.

* Het percentage studenten dat zonder diploma het mbo verliet is in 2020/2021 toegenomen ten opzichte van een jaar eerder (van 18,8 % in 2019/2020 naar 19,5 % in 2020/2021).

* In schooljaar 2021/2022 had 26,9 % van alle leerlingen een migratieachtergrond. Dit aandeel groeit al meerdere jaren achtereen.

* Ongeveer 5 % van de schoolbesturen verloor meer dan een kwart van de leerlingen, maar ruim 5 % van de besturen zag het leerlingenaantal met ten minste 25 % stijgen.

 

Lerarentekort

De online vacature-intensiteit (aantal vacatures gedeeld door de totale werkgelegenheid) steeg het sterkst in het vo, van 10,5 procent in 2018/2019 naar 16,9 procent in 2020/2021. In dezelfde periode steeg het tekort in het po van 6 procent in schooljaar 2018/2019 naar 8,6 procent in schooljaar 2020/2021 en in het middelbaar beroepsonderwijs van 5,9 naar 8,8 procent. In werkelijkheid is het tekort groter; niet alle scholen en onderwijsinstellingen plaatsen online vacatures.

Het tekort aan schoolleiders is nog groter: landelijk gaat het in het primair en (voortgezet) speciaal onderwijs om 12,9 procent van de totale werkgelegenheid. Het geschatte tekort bedraagt hier 1.100 fte. Voor schoolleiders in het voortgezet onderwijs bedraagt deze vacature-intensiteit 11 procent. Ook ondersteunend personeel wordt veel gezocht (14,7 procent).

Vooral scholen in het westen van het land hebben een groot tekort aan leraren. Het tekort aan personeel is groter naarmate basisscholen een hogere schoolweging hebben. In het vo en in het mbo concentreren de tekorten zich bij bepaalde vakken, waaronder Nederlands, Duits, Frans, informatica, natuurkunde, scheikunde en wiskunde. In het mbo gaat het daarnaast om specialistische technische vakken.

In alle sectoren hangt de kans op uitval van een beginnende leraar samen met de aanstellingsomvang. Hoe groter het dienstverband, des te kleiner de kans op uitval. Een vast contract verkleint de kans op uitval.


Luister naar Alida Oppers, inspecteur-generaal van de Onderwijsinspectie, over de Staat en het voorbeeld van Zweden en Ierland.

 

Dit artikel verscheen in ingekorte vorm in Didactief, mei 2022.

Click here to revoke the Cookie consent