Nieuws

Openbaar onderwijs: waartoe zijn wij op aarde?

Tekst Bea Ros
Gepubliceerd op 26-09-2017 Gewijzigd op 27-09-2017
Beeld Human Touch Photography
Zelden viel het woord identiteit zo vaak als tijdens het symposium ‘De Staat van het Openbaar Onderwijs’ op 13 september. In dezelfde week dat de christelijken opbiechtten dat ze met de bijbel in het onderwijs niet zo goed raad wisten, gingen de openbaren op zoek naar hun unieke waarden en normen.

Wat is het meest uniek aan het openbaar onderwijs? Dat ze bekostigd gvo/hvo hebben. Aldus het goede antwoord in de kennisquiz tijdens ‘De Staat van het Openbaar Onderwijs’, een symposium georganiseerd door de drie koepels voor openbaar onderwijs (VOSABB, VOO en CBOO) in de Observant in Amersfoort.

Voor de niet-ingewijden: gvo/hvo (ook wel g/hvo) staat voor godsdienstig vormingsonderwijs en humanistisch vormingsonderwijs. Want openbare scholen mogen dan neutraal zijn, als ouders erom vragen moeten ze kinderen onderricht geven in een religieuze richting naar smaak van de ouders. Best lastig, zo klonk het van diverse kanten, want je haalt kinderen uit de les voor dat onderricht, maar wat doe je dan in de tussentijd met de rest van de klas? De praktijk is namelijk dat gvo/hvo vaak gescheiden (per richting) en als keuzevak wordt aangeboden (zie ook het onderzoek De context van G/HVO in het openbaar onderwijs van het Kohnstamm Instituut uit 2013). Maar eigenlijk, zo vonden de aanwezigen, is gvo/hvo vooral interessant als je dat klassikaal aanbiedt, met een multireligieus perspectief. Want zo doe je recht aan het ‘unieke karakter van openbaar onderwijs’ waarin wederzijds respect, iedereen welkom en waarden en normen centraal staan.

Private is niet bijzonder

Maar laten we eerst nog even terugspoelen naar het begin van de middag. Die begon met de presentatie van het onderzoek dat onderwijssocioloog Sjaak Braster (EUR) op verzoek van de drie koepels had gedaan. Hij is in PISA-scores gedoken om te kijken of er in Nederland verschillen zijn in de prestaties tussen openbaar en bijzonder onderwijs.

Lastig in zijn betoog was dat hij private schools en bijzonder onderwijs op een hoop gooide. Het Nederlandse onderwijssysteem onderscheidt zich van buitenlandse, doordat we geen twee-, maar een driedeling hebben: openbaar, bijzonder en particulier onderwijs. De eerste twee zijn 100% bekostigd door de overheid, de derde groep krijgt geen cent van de overheid. Buitenlandse private schools krijgen gedeeltelijk tot geen overheidssubsidie. Dat maakt internationale vergelijkingen als PISA op dit punt bij voorbaat lastig, want je vergelijkt appels met peren.

Braster noemde het een ‘opvallende bevinding’ dat er in Nederland, anders dan in het buitenland, nauwelijks verschillen bestaan in prestaties van bijzondere en openbare scholen en de aanwezigen ontvingen die conclusie als een triomf voor het openbaar onderwijs, maar ze  behoeft toch nauwelijks te verbazen. Het is nogal wiedes dat private schools als Eton waarvoor ouders behoorlijke sommen geld neer moeten tellen, alleen leerlingen uit gegoede milieus (hoge SES) trekken en dus beter presteren. Maar in Nederland kost het ouders niets extra’s om kinderen naar een bijzondere school te sturen en wordt de SES van de leerlingpopulatie eerder klas onderbouwbepaald door de wijk waarin de school zich bevindt. En ja, bijzondere scholen mogen  leerlingen weigeren en zouden dus onder het mom van denominatie zwakkere broeders de deur kunnen wijzen. Dat wordt vaak beweerd, maar echte bewijzen cq onderzoek ernaar ken ik niet. Feitelijk is er maar één richting die leerlingen weigert, vanwege denominatie, en dat zijn de reformatorische scholen. (Braster meldt dit overigens wel in zijn onderzoeksrapport, opgenomen in het congresboek Onderwijs om te koesteren, maar niet tijdens zijn presentatie).

Verder hadden Braster en de drie koepels ook kunnen kijken in de technische rapporten bij de Staat van het Onderwijs, want daarin neemt de inspectie jaarlijks tabellen op met de toezichtarrangementen naar denominatie en naar onderwijsconcept. Daaruit blijkt dat het aantal zwakke scholen het hoogst ligt bij openbaar onderwijs (2,3% po en 6,9% vo) en het laagst bij algemeen bijzonder po (0,3%) en protestants-christelijk vo (0,7%). Nu zijn toezichtsarrangementen niet helemaal hetzelfde als PISA-scores van 15-jarigen voor lezen, rekenen en natuurkunde, maar ze zeggen natuurlijk wel iets over onderwijskwaliteit. Deze percentages wijzen trouwens ook niet op dramatische verschillen tussen openbare en bijzondere scholen, zoals in het buitenland het geval is. Dus niet zozeer chapeau voor het openbaar onderwijs als wel voor het Nederlandse onderwijssysteem zou ik zeggen.  

Actief pluriform

In prestaties of onderwijskwaliteit ligt dus niet het unieke van openbaar of bijzonder onderwijs. Waarin dan wel? ‘Het is tijd voor identiteit’, besloot Braster zijn voordracht en zo geschiedde. De aanwezigen verdeelden zich over vijf workshops, waarvan vier gingen over niets meer en minder dan de vraag waartoe zijn wij op aarde? Net zoals bijzondere scholen het daarbij niet zoeken in katholiek rekenen of islamitische natuurkunde, maar in iets extra’s om leerlingen mee te geven (waarden als er-zijn-voor-elkaar en respect), gingen ook de openbaren op zoek naar iets ‘erbovenop’ waarmee ze zich kunnen profileren. De antwoorden: burgerschap en pluriformiteit.

‘In het openbaar onderwijs is een paradigmaverschuiving gaande van een actief neutrale naar actief pluriforme houding’, zei bijvoorbeeld Lizzie Wijnen in haar workshop over gvo/hvo. In een andere workshop ging het over een ‘nieuw wij’ ofwel het openbaar onderwijs als plek waar inclusiviteit voorgeleefd wordt. En onderzoeker Bram Eidhof bepleitte dat het openbaar onderwijs de ‘voorhoede’ zou moeten worden voor werkelijk goed burgerschapsonderwijs. ‘Omdat juist openbare scholen te maken krijgen met diversiteit.’

Iedereen welkom en pal voor diversiteit en pluriformiteit, dat klinkt allemaal mooi, maar echt onderscheidend is dat nou ook weer niet. Immers, de leerlingpopulatie van bijzondere scholen wordt ook steeds gemengder en daarmee schermen ook deze scholen met termen als wederzijds respect en diversiteit. Zo verkondigde rector Titus Frankemolle bij het 100-jarig bestaan van katholieke scholenkoepel OMO nog: ‘Wij geven onderwijs voor iedere mens, voor de gehele mens, en sluiten niemand uit. Iedereen is van harte welkom op katholieke scholen.’

Niet alleen niet echt onderscheidend, maar in de praktijk ook lastig en vaag. Want betekent dat ‘iedereen welkom’ dan dat je geen grenzen mag stellen? Ofwel: mogen leerlingen dan maar alles vinden en roepen op jouw school? Nee, natuurlijk niet, vonden de deelnemers. ‘Als iemand blijft roepen dat alle moslims dood moeten, is hij bij ons niet welkom.’ En: ‘Onze normen zijn blended, we kunnen meebewegen, maar we stellen ook grenzen. We moeten onze leerlingen wederzijds respect bijbrengen.’ Dat is wat Peter van Dijk, rector van het Leidsche Rijn College, op zijn school probeert. ‘Onze leerlingen moeten een contract ondertekenen dat ze actief tolerant zijn. En wie dat niet wil, zoekt maar een andere school.’ Eh… staat dat niet haaks op de kernwaarde dat iedereen welkom is? Van Dijk: ‘Nee, want iedereen welkom betekent dat iedereen mag zijn wie hij is.’ Niet iedereen dus, want de homo-en moslimhater moeten leren dat wat zij vinden, niet deugt. Begrijp me goed, daar ben ik het helemaal mee eens, maar duidelijk is dat de trots van het openbaar onderwijs – ‘iedereen welkom’ en ‘waarlijk divers’ – ook precies datgene is waar scholen mee worstelen.

Daarin zijn ze niet uniek. In dezelfde week dat hun symposium plaatsvond, bracht Verus onderzoek naar buiten waaruit bleek dat leraren en leidinggevenden in het christelijk onderwijs niet altijd weten wat ze aan moeten met de Bijbel in het onderwijs. Dus ook in hun zoektocht naar een eigen identiteit doen openbare en bijzondere scholen niet voor elkaar onder.

De Staat van het openbaar onderwijs is hier gratis te downloaden.