Interview

Onderzoek met peace of mind

Tekst Monique Marreveld
Gepubliceerd op 08-03-2017 Gewijzigd op 08-03-2017
Tijdens ResearchED 2017 leidde de redactie van Didactief een panel over onderzoek in de school. Aan tafel zaten een rector, een onderzoeker en twee leraren. Een gesprek over ideologie, peace of mind en het terugschroeven van ambities. Maar ook: hoe onderzoek soms tot een revolutie leidt.

ResearchEDDit zijn de deelnemers:

Bert Kozijn, rector van het Hermann Wesselink College in Amstelveen, heeft twee docent-onderzoekers in dienst, een derde is in opleiding.

Maartje van der Eem is docent geschiedenis op het Hermann Wesselink College en heeft daarnaast vier jaar als vakdidacticus op de eerstegraads lerarenopleiding van de Vrije Universiteit gewerkt. Naast haar lestaak is ze onderwijsonderzoeker op het HWC.

Hannah Bijlsma geeft les aan een basisschool en doet een researchmaster aan de Universiteit van Twente. Zij is tevens een van de oprichters van de Beroepsvereniging Academici Basisonderwijs.

Pedro de Bruyckere is docent/ onderzoeker aan de Arteveldehogeschool in Gent en schreef verschillende bestsellers over onderwijsonderzoek.

 

We trappen het gesprek af met de vraag of onderwijsonderzoek eigenlijk wel nodig is op school?

Hannah Bijlsma zou niets liever willen dan haar onderzoeksvaardigheden en wetenschappelijk kennis inzetten voor schoolverbetering. Maar de praktijk is weerbarstig, heeft ze ondervonden. Want haar collega’s op de basisschool zitten niet altijd op onderwijsonderzoek te wachten. Een van de randvoorwaarden is volgens haar daarom een formele functie voor de academische leerkracht, ‘zodat je collega´s ook weten dat je die onderzoekstaken hebt en dat ze naar je toe kunnen komen met hun vragen.’

Bert Kozijn, rector van het Hermann Wesselink College, twijfelt: ‘Alles wat formeel is, slaat uiteindelijk ook de gewenste inhoud dood. Maar docenten die onderzoek doen, wil ik graag hebben. Ten eerste om het beleid te ondersteunen: we hebben gewoon kennis nodig om dingen verder te brengen binnen de school. En ten tweede moeten leraren die onderzoek doen een beetje de luis in de pels zijn, de vragen stellen die je nog niet bedacht hebt maar die wel de moeite waard zijn of waar je ‘s nachts wakker van kunt liggen. Maar maak het niet te formeel, want voor je het weet ga je die mensen inkapselen en stellen ze geen vragen meer.´

Onderzoekende leraar
is de luis in de pels

Pedro de Bruyckere, docent aan de Arteveldehogeschool in Gent, onderzoeker en succesvol blogger en auteur van een aantal boeken over onderwijsonderzoek, kiest net als Kozijn niet voor de formele rol: ‘Het gevaar bestaat dat het dan een trucje wordt, of een afvinklijstje. Beter is een directe link tussen professionalisering van leraren en onderzoek in de school. Je moet die twee dingen in één adem blijven noemen.’

Maar onderwijsonderzoek de school in? ‘Zeker, ik zou veel minder werk hebben aan het elimineren van de onzin uit het onderwijs als nieuwe inzichten uit de wetenschap makkelijker zouden landen n school. Tegelijkertijd verwijt ik dat leerkrachten en scholen nooit. Kijk, ik heb de luxe, letterlijk,  dat ik mij vier weken ergens in kan vastbijten, die luxe hebben de meeste leraren niet.’

Van der Eem, die les geeft op het HWC en onderzoek doet, knikt. ‘Dat is wel heel herkenbaar: de beste dingen qua onderzoek, doe ik vaak in de vakantie, omdat ik dan de ruimte heb. Je kan even doorwerken aan je onderzoek, dan leer je pas echt en kom je tot betere resultaten. Maar dat is heel lastig in de hectiek van zo’n school.’

 

Hoe staat het met onderzoek op het HWC?

Kozijn: ‘Leraren hebben bijvoorbeeld voor en na de zomer onderzoek gedaan naar de lesduur op school. We hanteerden al jaren een 80-minutenrooster en wilden dat eens tegen het licht houden. Uiteindelijk hebben we er voor gekozen om het te handhaven. Maar de diepgang van de besluitvorming is toegenomen, doordat Van der Eem en haar collega er nieuwe en andere vragen aan toevoegden. Het onderzoek werkte als een soort verdubbelaar.’ Van der Eem: ‘Uit het onderzoek kwamen de voordelen van 80 minuten naar voren, maar ook veel informatie over wat er beter kon binnen die 80 minuten, waardoor we nu niet alleen het oude rooster handhaven, maar ook proberen om dat beter in te vullen.’

Het is een mooi voorbeeld, vindt De Bruyckere: ‘Onderwijs gaat over keuzes. Onderzoekers kunnen die keuzes  niet maken, nee, ze geven de input voor die keuzes.’

Wat zijn nou de ideale omstandigheden voor succesvol onderzoek?

De Bruyckere: ‘Peace of mind , daar start het mee. Als je les geeft ben je regisseur, acteur en toneelschrijver tegelijk en ook nog eens op het meest interactieve toneel ter wereld. Je maakt in feite constant nieuwe voorstellingen, waarbij peace of mind ver te zoeken is. Maar als je onderzoek wilt doen moet je eerst een stap achteruit zetten. Een onderzoekende houding vergt dat je juist niet in een te hoge versnelling zit. Je hebt dus niet alleen uren nodig om onderzoek te doen, maar ook een bepaalde gemoedsrust, peace of mind.’

‘Leraar heeft niet alleen uren nodig
om onderzoek te doen,
maar ook peace of mind’

Kozijn: ‘Als schoolleider ben ik gewend om steeds twee jaar vooruit te denken. Wat ik van deze onderzoeken leer, is dat wat je kunt ontwikkelen, tussen nu en drie maanden ligt. Dus ik moet gewoon een tandje terug in mijn  ambities, beter nadenken, beter om me heen kijken , beter luisteren naar wat mensen te vertellen hebben. Zodat we op een meer afgewogen wijze besluiten kunnen nemen en daar helpen Van der Eem en haar collega wel bij.’

Van der Eem: ‘Voor ons ging het nog wel te snel. School zegt soms: Dit is het probleem, wat is de oplossing?!? Wij vragen ons dan af of dat ook daadwerkelijk het probleem is, wat er over bekend is, welke oplossingen er zijn? Daarvoor moeten we soms even een stap terug zetten en hebben we meer tijd nodig.’

De Bruyckere: ‘Dat gaat weer over afstand nemen en in feite is dat letterlijk: abstractie maken, die stap achteruit kunnen zetten. Sommige mensen hebben dat van nature, maar oefenen in de opleiding zou goed zijn.’

 

Wordt er voldoende aandacht besteed aan onderwijsonderzoek in de lerarenopleidingen?

Van der Eem: ‘Studenten die hier stage lopen willen eigenlijk gewoon leren les geven, en dat onderzoek is een verplicht afvinknummertje. Dat laat vaak niet zo’n positieve herinnering bij ze achter.’ Bijlsma: ‘Ik vind onderzoek doen fantastisch, maar ik heb ook collega’s die het leuk vinden om artikelen te lezen maar het niet zelf willen uitvoeren. Het is niet zo dat iedere academische leraar onderzoek leuk vindt.’

De Bruyckere is het meest kritisch, zeker over soms mogelijke weerstand. ‘Ik denk dat je op ideologische grenzen botst. In het basisonderwijs zit een mooie, maar soms moordend grote liefde voor het kind. Je wint elke discussie met “het kind moet centraal staan”. Als je iets niet weet: zeg dat! En daarna komt ‘Maar is dat dan nog wel waar wij mee bezig moeten zijn? In de drang van pedagogen om zo genuanceerd en zo correct mogelijk te zijn, wordt de drempel naar onderzoek hoger. We horen heel vaak dat onderwijsmensen de stap naar onderzoek moeten zetten, maar ik vind de stap andersom even belangrijk.’

 

Hoe zorg je ervoor dat onderzoek goed terecht komt bij leraren, dat het niet misverstaan wordt?

De Bruyckere: ‘Ik lees veel persberichten en ook de bijbehorende onderzoeken, daar zit vaak een interessante kloof tussen. Die vertaalslag is bijna een baan apart en ik denk dat hogescholen daar een mooie rol zouden kunnen spelen. De gespecialiseerde manier van werken maakt de universiteit niet altijd de handigste plaats om onderzoek het onderwijs in te krijgen, al doen velen hun best. De hogescholen kunnen die veelheid aan onderzoek behapbaar en praktisch bruikbaar maken.’

Op dit moment bemoeit iemand uit het publiek zich met het gesprek: ‘In het basisonderwijs waar ik werk voel ik veel weerstand: “Daar hebben we weer zo’n onderzoeker die  vanuit zijn ivoren toren iets roept. Ik chargeer hoor, maar er is weinig openheid ten aanzien van wat onderzoek  zou kunnen betekenen voor de praktijk?’

Het antwoord van de panelleden bestaat vooral uit goede voorbeelden van onderzoek dat wel de praktijk haalde.

Van der Eem: ´In havo-4 hebben we twee jaar lang geëxperimenteerd met leerlinggestuurde gesprekken, dus niet meer de aloude tien-minutengesprekken, maar echt een half uur om de tafel met elke mentorleerling en zijn ouders. Twee keer per jaar. De resultaten waren zo goed dat de hele school nu in dat systeem werkt. Dat onderzoek heeft dus behoorlijk  veel impact gehad.’

Kozijn: ‘Noem het gerust een revolutie  in onderwijsland.’

Momenteel fungeren er vijf onderwijsteams op het HWC die zich ook in toenemende mate met onderwijsonderzoek bezig houden. Van der Eem: ‘Het gaat heel moeizaam en het zijn kleine onderzoekjes. Meer in de trant van: ik heb een andere lesvorm geprobeerd en wat doet dat met leerlingen? Of wat voor type leerlingen hebben we eigenlijk? Als docentonderzoeker helpen we deze collega’s: wat voor soort vragen stel je, hoe ga je het onderzoek opzetten, maar zij doen het werk.’

Van der Eem en haar collega’s worden op hun beurt weer gesteund door de samenwerking met de universiteit. ‘In ons geval werken vijf docenten samen met twee onderzoekers en die komen allemaal met prachtige literatuur, dat doe ik eigenlijk nooit. Ik merk ook dat de feedback die onderzoekers geven op een lesontwerp op een ander niveau zit. Zij zijn altijd een paar stappen verder dan ik.’