Interview

Onderwijsraad wil reset

Tekst Monique Marreveld
Gepubliceerd op 06-05-2021 Gewijzigd op 06-05-2021
Beeld Human Touch Photography
Aan de diagnose in het nieuwste advies van de Onderwijsraad twijfelt eigenlijk niemand: de kansenongelijkheid groeit en de segregatie neemt toe. Maar de consequentie die de raad daaraan verbindt, wekt veel opzien: het is tijd voor een reset op onderwijs, zeggen voorzitter Edith Hooge en lid Herman van de Werfhorst, de onderbouw van het vo moet radicaal op de schop.

Het interview duurt al wel een half uur, als Edith Hooge, voorzitter van de Onderwijsraad, opveert uit haar stoel. ‘We hebben nu een onderwijsstelsel waar inherent, systematisch onrechtvaardigheid in zit. Dat kan níet! Je mag nooit toestaan dat het uitmaakt wáár een leerling vandaan komt, of hij wel of geen toegang heeft tot goed onderwijs dat past bij zijn capaciteiten.’ Het is de grote rationale of motivatie zo je wilt achter het advies Later selecteren, beter differentiëren dat half april flink wat opschudding veroorzaakte. Hooge, wat kalmer: ‘Goed onderwijs toegankelijk maken voor alle kinderen, dat is formeel de opdracht van het onderwijs en dat hebben we waar te maken met elkaar.’

Stelselherziening

De crux van het nieuwste advies van de Onderwijsraad is een gedeeltelijke stelselherziening. Stop met de eindtoets en het schooladvies in groep 8, en zet alle leerlingen in een driejarige onderbouw van het vo op één locatie waar ze theoretische én praktijkgerichte vakken kunnen volgen. Geef ze aan het eind van die periode een zogenoemd doorstroomadvies, gebaseerd op een gestandaardiseerde toets en een portfolio. Als kers op de taart zou deze stelselherziening landelijk, radicaal in één keer op hetzelfde tijdstip moeten worden ingevoerd, over vijf tot zeven jaar na politieke besluitvorming.

Het verklaart de opwinding in den lande. Het is een tijd geleden dat iemand het waagde zulke verreikende voorstellen te droppen in het Nederlandse onderwijs. Durf kan deze Onderwijsraad niet ontzegd worden. Maar is het een goed idee? Wie de afgelopen weken naar de criticasters luistert, hoort woorden als ‘middenschool 2.0’, killing fields voor academici, en ‘een onrijp plan’ volgens de meest gematigden.

Voor Nederlandse begrippen is het wegruimen van de drempel in groep 8 inderdaad revolutionair, maar internationaal gezien zou Nederland daarmee een laatkomer zijn, volgens Herman van de Werfhorst, lid van de Onderwijsraad en hoogleraar Sociologie aan de UvA. Hij doet al jaren internationaal vergelijkend onderzoek naar selectie en streaming en pleit al minstens zo lang voor latere selectie. ‘In landen waar dat in de jaren zeventig rigoureus is ingevoerd, zoals in Engeland, Frankrijk, Schotland, Scandinavië en sinds kort Polen, zien we dat de kansenongelijkheid gemiddeld genomen is afgenomen, méér dan in landen waar dat niet gebeurd is.’

Later selecteren is volgens Herman van de Werfhorst (foto: Allard de Witte) ook beter voor de kinderen zelf. Leerlingen uit gezinnen met bijvoorbeeld een lagere sociaal-economische status hebben nu eenmaal soms meer tijd nodig om op een bepaald punt in de lesstof te komen dan klasgenoten wier ouders hoog opgeleid zijn. De overgang naar het vo komt voor hen nu eigenlijk te vroeg. En er is meer. ‘We denken soms dat we van een tienjarige al kunnen zeggen dat het “een typische gymnasium-leerling” is of een typische vmbo’er,’ zegt hij bedachtzaam, ‘alsof het echte categorieën zijn, maar ze zijn door een systeem ingegeven dat we nu eenmaal zo hebben gecreëerd. Leraren moeten goed beseffen dat een deel van hoe zij denken over leerlingen niet gebaseerd is op rationale gronden, maar op culturele ideeën. Die lijken echt, maar dat komt vooral omdat kinderen zich er naar gaan gedragen. Het wordt een soort selffullfilling prophecy, een culturele fuik.’ Internationale onderzoeksklassiekers zoals Rosenthal en Jacobson (zie ook het boek Werk maken van gelijke kansen, red.) bevestigen wat Van de Werfhorst zegt. Ook het succes van het Ir. Lelygymnasium in Amsterdam Zuidoost – een stadsdeel waar decennialang geen schoolbestuur een gymnasium durfde openen omdat er geen markt voor Latijn en Grieks zou zijn – lijkt in die richting te wijzen.

Hoe die culturele fuik werkt, werd overigens afgelopen jaar nadrukkelijk zichtbaar volgens de Onderwijsraad, toen de eindtoets groep 8 vanwege corona niet kon worden afgenomen en dus niet kon worden meegenomen in het schooladvies. Hooge: ‘Kinderen van laagopgeleide ouders werden systematisch ondergeadviseerd, en ook meisjes. Dat is een gevolg van onbedoelde vooroordelen van leraren. Het laat zien hoe ongelooflijk belangrijk een gestandaardiseerde toets is, ook als je straks later selecteert.’ Een eindtoets maakt dan ook deel uit van het masterplan van de Onderwijsraad, maar dan in 3 vo. En de raad adviseert om in het basis- en voortgezet onderwijs gestandaardiseerde toetsen te blijven gebruiken, aangevuld met een breed spectrum aan informatie.

Concurrentie

Voor het zover is, moeten alle leerlingen echter de kans hebben gekregen te laten zien wat ze kunnen in een brede brugklas. ‘Het idee is,’ aldus Van de Werfhorst, ‘dat als je binnenkomt op een vo-school, eigenlijk alles nog mogelijk is. Dat je als leerling niet gelijk in een bepaald traject zit en een bepaalde kant op beweegt, maar dat je als school per leerling kijkt: hoe kunnen we dit kind nu het beste tot zijn recht laten komen?’

Maar dat doen we toch al in het Nederlandse onderwijs? Niet helemaal, volgens Edith Hooge (foto: Stijn Rademaker) en Van de Werfhorst. De socioloog: ‘Het feit dat scholen verschillen in leerprestaties (en die verschillen zijn groot in Nederland) kunnen we voor een groot deel verklaren uit wat kinderen aangeboden krijgen op school. Ongeacht hun capaciteiten. Als je nu op een categorale vmbo-school zit, is er geen enkele mogelijkheid om bijvoorbeeld op havo-niveau wiskunde te doen. De opportunities to learn zoals we dat noemen, zijn dus relatief gering.’ Op bredere scholengemeenschappen zou dat een stuk makkelijker zijn. Maar vanzelf komen die brede scholen er niet, dat is wel gebleken volgens de raad. ‘Stimulansen van de overheid om bredere brugklassen te installeren of meer in het algemeen bredere scholengemeenschappen, hebben in het verleden nauwelijks verschil gemaakt.’ Van de Werfhorst: ‘Integendeel, we zien een toenemende versmalling van scholen. Zij voelen zich vaak gedwongen in een markt waar ze met andere scholen concurreren om leerlingen.’ De vermaledijde marktwerking inderdaad, waar tegenstanders van het plan van de Onderwijsraad terecht op wijzen. Volgens hen is die nauwelijks te keren.

Hooge voegt toe: ‘Doorstromen, opstromen en wisselen van schoolsoort is de afgelopen tien jaar alleen maar moeilijker geworden. De Mammoetwet is daarmee de facto mislukt. Pogingen om bijvoorbeeld opstroom van mavo naar havo te bevorderen, werken niet in zo’n competitief veld. Daarom kiezen we ook voor een landelijke invoering in één keer op alle scholen, zonder dat er vluchtheuvels zijn.’ En misschien nog belangrijker, daarom vraagt de raad aan schoolbesturen en scholen om beter uit te leggen hoe het onderwijs eerlijker kan voor íedereen.

Hooge: ‘Scholen zeggen vaak: wij moeten meebewegen met ouders. Maar ze moeten volgens de raad ook de moed hebben om het belang van goed onderwijs voor álle kinderen voorop te stellen, en soms gaat dat boven de mechanismen waar individuele ouders de voorkeur aan geven. Want datgene wat je als samenleving collectief met onderwijs tot stand wilt brengen, loopt niet altijd parallel met wat een individuele ouder voor zijn of haar kind wenst. En daar moeten we over in gesprek met ouders.’

Geen leraar of schoolbestuurder zal toch een politieke discussie willen in het klaslokaal of in de aula? ‘Mee eens, maar je kunt wel vooroordelen van ouders bespreken die een rol spelen in dat verlangen naar smallere scholen’, aldus Hooge. ‘De kritiek is bijvoorbeeld dat kinderen die sneller leren last zullen hebben van een driejarige brede brugklas. Maar wij weten uit onderzoek dat dat niet zo is, laten we dat dan ook goed uitleggen.’ Van de Werfhorst voegt eraan toe: ‘In recent onderzoek zijn de effecten van latere selectie en het langer bij elkaar houden van leerlingen overigens wat diverser. De kansengelijkheid neemt toe, omdat met name kinderen uit de arbeidersklasse zich verbeteren. Dat is de groep die nu in Nederland op Pisa een enorme daling laat zien en waar we het meest over in zitten. Maar voor kinderen van professionals zijn de effecten gering: zij zijn kennelijk niet zo afhankelijk van het onderwijssysteem. Ze komen er – vaak met behulp van hun ouders – toch wel, ook als je het stelsel anders gaat inrichten. Ik denk dat we hun prestaties op z’n minst gelijk kunnen houden in het systeem dat wij adviseren.’ De premisse is eigenlijk ook dat schaduwonderwijs lastig te bestrijden is, maar dat je op deze manier wel de leerlingen kunt helpen die daar geen toegang toe hebben. En hun kansen kunt verbeteren. Hoe pragmatisch is dat?

Burgerschap

Ondertussen zijn de voordelen van een stelselwijziging onmiskenbaar, zeggen Hooge en Van de Werfhorst. Denk bijvoorbeeld aan de socialiserende opdracht van het onderwijs, die veel beter te realiseren is in brede brugklassen waar leerlingen uit verschillende milieus elkaar weer tegenkomen. Hooge: ‘Uit onderzoek van Volman en Ten Dam bijvoorbeeld kwam naar voren dat burgerschapsvorming op het categorale vwo vaak het karakter kreeg van leadership for the future en op vmbo-scholen meer van zelfredzaamheid op de arbeidsmarkt en in de samenleving. Dat is niet de bedoeling natuurlijk. Burgerschapsvorming in brede brugklassen kan veel meer gaan over samen een land “maken” en over democratie, eenheid in verscheidenheid. En ook dat is een kernopdracht van de school waar bestuurders voor verantwoordelijk zijn.’

Dat klinkt allemaal idealistisch, maar hoe realistisch is het eigenlijk? Lesgeven in brede brugklassen met verschillende niveaus is een complexe vaardigheid. De onderwijsinspectie heeft in 2015 en 2018 geconstateerd dat veel leraren moeite hebben met differentiëren. Sindsdien is het lerarentekort alleen nog maar gegroeid; de professionele pijn zal niet zijn verminderd. Hooge en Van de Werfhorst willen eerst even iets rechtzetten. Hooge: ‘Wij adviseren níet dat leerlingen drie jaar lang met elkaar in één klas zitten, dat ten eerste. Sterker nog, wij zeggen dat je ook in het basisonderwijs meer zou kunnen groeperen, afwisselend cognitief homogeen én heterogeen. Het is aan scholen en aan lerarenteams, hoe ze dat nader vorm willen geven. Ook die eindtoets zou je wat ons betreft op verschillende niveaus moeten kunnen doen. We willen niet voor alle leerlingen hetzelfde curriculum, als een eenheidsworst, zoals gesuggereerd is. De kunst is om het onderwijs vorm te geven, wat wij vangen onder de noemer “flexibel”.’ 

Beroepsgroep Maar de vraag blijft staan of leraren dat kunnen. Het advies vergt volgens Hooge in ieder geval meer tijd en ruimte voor leraren om zich inhoudelijk en pedagogisch-didactisch in hun vak te verdiepen. En de overheid moet natuurlijk zorgen dat de randvoorwaarden in orde zijn (zie kader Slechte timing).

Slechte timing?

Een deel van de kritiek op dit advies van de Onderwijsraad geldt natuurlijk het tijdstip. De raad beaamt dat de basiscondities in het onderwijs momenteel ‘niet op orde zijn’. Hooge noemt een kwalitatief en kwantitatief lerarentekort, een schoolleiderstekort, ontoereikende basisfinanciering, hoge werkdruk, corona. Maar het hoeft ook allemaal niet nu meteen. Invoering van dit advies zou zeker vijf tot 7 jaar kosten na politieke besluitvorming. ‘En als je goed leest,’ zegt ze, ‘stellen wij in dit advies leraren centraal: zij moeten meer kansen krijgen zich in hun vak te verdiepen. Ze hebben echt een onderwijsinhoudelijk stevigere basis nodig; in het basisonderwijs zijn bijvoorbeeld meer reken- en taalspecialisten nodig. Dat kost tijd en faciliteiten en steviger lerarenopleidingen en daar moet ruimte voor komen.’ De raad heeft de lessen van de basisvorming kennelijk geleerd: vijf tot zeven jaar voorbereiding, nadat de politieke besluitvorming heeft plaatsgevonden. ‘Maar,’ voegt Hooge eraan toe, ‘even aan de andere kant hangend: je kunt nu al beginnen met het breder maken van je vakken, het ontwikkelen van gedifferentieerd lesmateriaal, met een beter aanbod op de basisschool voor zeer begaafde en hoog begaafde kinderen.’

Hoe de nieuwe onderbouw er uiteindelijk uitziet, is aan de beroepsgroep. Echt concreet wordt het advies van de raad niet, en ook dat is een punt van kritiek van tegenstanders: makkelijk praten! Hooge zegt gedecideerd: ‘Het is niet aan de Onderwijsraad om een blauwdruk uit te werken. Eerst moet de politiek de hoofdlijnen vastleggen, maar de terechte vragen die iedereen nu stelt, kun je niet uitwerken zonder de professie. Hoe ga je groeperen, hoe ga je je vakken vormgeven? Kun je misschien in de basisschool rekenen aanbieden op verschillende niveaus met behulp van rekenspecialisten? Kun je een vak als Latijn in de brugklas ook op andere niveaus verzorgen dan wat we nu vwo noemen: en is dat de moeite waard? Kun je bepaalde praktijkgerichte vakken aanbieden aan avo-leerlingen? We weten dat een aantal leerlingen van 4 vwo graag naar het mbo zou gaan. Wat doe je met eindtermen, hoe geef je dat precies vorm? Dat is echt aan de beroepsgroep.’

Maar de overheid moet dan toch minstens de aansluiting garanderen met het vervolgonderwijs? Ook eindtermen en aansluiting zijn nog nauwelijks uitgewerkt, zegt Hooge: ‘Wat we weten is dat Nederland een sterk beroepsonderwijs heeft en dat willen we zo houden. Maar het mbo heeft ook te kampen met dalende prestaties van leerlingen op de kernvaardigheden: taal, lezen, rekenen-wiskunde en burgerschapsvorming. Het is goed als er nagedacht wordt over de hoogte van het niveau dat studenten daar moeten halen én dat het ook gehaald wordt, en dan kun je als 3 vo wat ons betreft nog wel differentiëren op verschillende niveaus, die toegang geven tot die verschillende schoolsoorten in het vervolgonderwijs.’ Waar het om gaat, voegt Van de Werfhorst toe, ‘is dat je binnen die drie jaar een plek vindt als leerling, en die plek is niet voor iedereen hetzelfde. En dat is wel heel anders dan eerdere gemeenschappelijke programma’s die voorgesteld zijn zoals de middenschool of de basisvorming.’ Waarmee dat argument ook maar uit de weg is.

'Infrastructuur ligt er al'

Stel nu dat de overheid deze stelselherziening zou doorvoeren en leraren het zouden willen uitvoeren? Hoe krijgen we dan straks een categoraal mavo en een gymnasium op één lijn? Het goede nieuws? De infrastructuur ligt er al in het Nederlandse onderwijs, zegt Hooge. Het is alleen een kwestie van organisatie. ‘60% van de schoolbesturen heeft alle schoolsoorten en de bijbehorende leraren en onderwijsprofessionals in huis om al die vormen van onderwijs te kunnen geven. Je kunt vinden wat je wilt van de bestuurlijke fusies en schaalvergrotingen uit het recente verleden, maar het veld staat daardoor nu wel klaar. En waar het gaat om bijvoorbeeld praktijklokalen, kunnen scholen regionaal of lokaal de samenwerking zoeken. Scholen die nu een zesjarig categoraal programma aanbieden, zullen op de een of andere manier met andere scholen moeten gaan samenwerken om dat anders in te richten. Maar dat betekent voor schoolbesturen vooral dat ze moeten gaan denken vanuit hun verantwoordelijkheid voor goed onderwijs.’

Ten slotte, wordt dit alles geen dure grap? Denk eens terug aan de leraar Latijn die vroeger voor een kleine groep moest lesgeven op een brede scholengemeenschap… Hooge is direct: ‘Natuurlijk kan wat de raad voorstelt weleens wat minder efficiënt zijn. Maar als je beleidsrijke onderwijsinhoudelijke keuzes durft te maken, als dat je drijfveer is, en dat zou het ook moeten zijn, dan kun je een heel eind komen: waar een wil is, is een weg.’

Verder lezen

1 Middenschool 2.0: analyse en oplossingen
2 Jutezakken en eenheidsworsten
3 Voor wie is het onderwijs?

Click here to revoke the Cookie consent