Onderzoek

Motivatie in het mbo

Tekst Jorien Vugteveen & Anneke Timmermans
Gepubliceerd op 30-09-2016 Gewijzigd op 19-07-2017
Na het vmbo struikelen veel jongeren in het mbo. Een belangrijke oorzaak lijkt een verkeerde opleidingskeuze. Wie overtuigd kiest, komt verder.

In geen enkele andere onderwijssector komt voortijdig schoolverlaten zo vaak voor als in het mbo. In 2013-2014 verlieten volgens DUO ruim twintigduizend studenten het mbo voortijdig (5,2%). Met name gedurende het eerste leerjaar na de overgang van het vmbo naar het mbo breekt een groot aantal studenten de opleiding af. Dat blijkt uit onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen naar de ontwikkeling van jongeren rond die overgang. In het onderzoek is gebruik gemaakt van gegevens van ruim vijfhonderd mbo-studenten van acht opleidingen van een ROC in het noorden van Nederland. Deze studenten zijn na een rechtstreekse overgang vanuit het vmbo gedurende de eerste twee leerjaren van het mbo gevolgd.

Risicogroep

De studenten kregen aan het begin van hun mbo-opleiding een vragenlijst over drie onderwerpen: motivatie, welbevinden en neiging tot uitval. Ze konden bijvoorbeeld aangeven in hoeverre ze het leuk vinden om naar school te gaan of met schoolwerk bezig te zijn, in welke mate ze zich op hun plek voelen binnen de opleiding en of ze denken de opleiding succesvol af te ronden. Uit de antwoorden bleek dat een groep studenten al bij aanvang van de opleiding duidelijk minder gemotiveerd is, met minder welbevinden aan de opleiding begint en minder overtuigd is dat ze de opleiding succesvol af zullen ronden.

het onderzoek liet ook zien dat de vooropleiding iets zegt over hoe jongeren hun opleiding starten. Zo beginnen studenten die voor een mbo-opleiding in een andere sector kiezen dan hun vooropleiding (‘niet-verwante doorstroom’), relatief vaak met een lage motivatie en welbevinden in combinatie met een hoge neiging tot uitval. In het onderzoek is niet gekeken wat hiervoor verklaringen kunnen zijn. In totaal maakte maar liefst 30,4% van de studenten zo’n niet-verwante overgang naar het mbo.

Extra kwetsbaar: jongeren die van sector wisselen

Ook de achtergrond van studenten speelt een rol. Zo beginnen vrouwelijke studenten, oudere studenten en studenten van wie beide ouders in Nederland geboren zijn, hun opleiding gemotiveerder. Ze voelen zich beter op hun plek en zijn meer overtuigd hun opleiding succesvol af te ronden.

Verspreid over de eerste twee leerjaren vulden alle studenten de vragenlijst nog vier keer in. Daaruit bleek dat motivatie, welbevinden en neiging tot uitval van studenten niet stabiel zijn, maar variëren over tijd: in het eerste jaar nemen de eerste twee onderdelen iets af en stijgt de neiging tot uitval licht. De daling van welbevinden en grotere neiging tot uitval was voor studenten in mbo3/4-opleidingen minder sterk dan voor mbo2-opleidingen. Daarna, in het tweede leerjaar, is er geen sprake meer van een verdere daling/stijging en blijft alles op hetzelfde niveau als aan het eind van het eerste leerjaar.

Verschil in achtergrond, zoals sekse, etniciteit of het opleidingsniveau van ouders, lijken verder geen rol te spelen. Aanvankelijke verschillen blijven dus grotendeels bestaan.

Relatie met studiesucces

Vervolgens hebben we gekeken naar studiesucces: zegt de manier waarop de jongeren tegen zichzelf aankijken iets over hun uiteindelijke kans op succes of falen in het mbo? Het antwoord is ja.

Studenten die bij aanvang van de opleiding al relatief laag op motivatie en welbevinden scoren en een relatief hoge neiging tot uitval rapporteren, liggen na twee leerjaren in het mbo minder vaak op schema en breken vaker hun opleiding voortijdig af. Met andere woorden, jongeren die het minst gemotiveerd aan hun mbo-opleiding beginnen, hebben de grootste kans om de opleiding voortijdig te verlaten. Mogelijk kiezen zij bij de overgang naar het mbo vaker de verkeerde opleiding

Binnen de groep studenten die van sector wisselen komt meer uitval voor, veelal in het eerste leerjaar: 56,1% stopt binnen twee jaar met de opleiding (van wie bijna drie kwart in het eerste leerjaar). Terwijl van de studenten die een verwante overgang maakt, 44,4% binnen twee jaar stopt (van wie ruim zeventig procent in het eerste jaar).

 

Dit artikel is gebaseerd op een deelonderzoek uit het NRO-ProBO-project ‘Overgangen en aansluitingen’: ‘Empirische studie naar de cognitieve en niet-cognitieve ontwikkeling van leerlingen rondom de vmbo-mbo-overgang’ (Rijksuniversiteit Groningen/GION, 2016). Meer informatie: j.vugteveen@rug.nl of a.c.timmermans@rug.nl.

Dit artikel is verschenen in Didactief, oktober 2016.

Bronvermelding

1 NRO-pagina over keuze voor het voortgezet onderwijs
2 NRO-ProBO-project ‘Overgangen en aansluitingen’

Verder lezen

1 Neem Eindtoets mee in schooladvies

Click here to revoke the Cookie consent