Nieuws

Hoe ideaal is onderwijsvrijheid?

Tekst Bea Ros
Gepubliceerd op 06-12-2017 Gewijzigd op 14-12-2017
Beeld Human Touch Photography
Natuurlijk kwamen ze er samen niet uit, de leden van de openbare en bijzondere profielorganisaties. Tijdens hun gezamenlijke viering van 100 jaar onderwijsvrijheid,  17 november 2017 op landgoed Zonheuvel in Doorn, leidde de vraag of we in 2067 150 jaar pacificatie vieren vanzelfsprekend tot patstellingen.    

‘Artikel 23 is een van de mooiste verworvenheden van onze parlementaire democratie!’ Voor onze nieuwe onderwijsminister Arie Slob is het zonneklaar. Hij is er niet bij, maar spreekt de zaal met schoolleiders en -bestuurders en een verdwaalde leraar vanaf een videoscherm blijmoedig toe. En ook een beetje streng: ‘Identiteit is meer dan een mooi bordje op een schoolgebouw.’
Dagleider Ruben Maes pakt die handschoen meteen op. ‘Heeft het duale systeem nog wel bestaansrecht? Want hoe verschillend zijn we eigenlijk?’

Diversiteit

Nou, toch nog behoorlijk verschillend. Niet vreemd als je vertegenwoordigers van openbare en bijzondere koepels - Verus, VOSAbb, VBS, LVGS en Isbo - bij elkaar zet. En zeker niet als je in een paneldiscussie dan vanuit bijzondere hoek twee preciezen aan tafel zet. Natuurlijk koesteren Bart Jan Spruyt (publicist en docent geschiedenis aan de reformatorische pabo Driestar educatief) en Cansen Candas (bestuurslid Islamitische Basisschool El Habib Maastricht) het duale stelsel. En natuurlijk vinden ze Flora Breemer (Vereniging Openbaar Onderwijs) en Cees Molsbergen (rector Erasmus College, een samenwerkingsschool) lijnrecht tegenover zich.
De discussie spitst zich toe op identiteit en diversiteit. Hebben we daarvoor dat duale stelsel nodig? Ja, zegt Candas. Juist vanuit de eigen zuil kun je werken aan ‘persoonlijke ontwikkeling en stevige identiteit om zo later een functie te vervullen in een pluriforme samenleving.’ Molsbergen vindt dus van niet. ‘In 1917 was het een pragmatische oplossing, maar om een democratische samenleving te vormen hebben we alleen nog maar samenwerkingsscholen nodig. Diversiteit kun je regelen in je statuten en je profiel.’
Spruyt noemt artikel 23 ‘een heel hoffelijke en levendige manier om diversiteit te faciliteren’. Breemer wil liever vandaag nog dan morgen afscheid nemen van artikel 23. ‘Dit systeem is rigide en geeft ons geen vrijheid. We staan met 20-0 achter als onze scholen niet divers zijn.’
Candas wijst erop dat haar school zeventien verschillende nationaliteiten telt, zij het wel weer grotendeels moslims. ‘Ouders kiezen het liefst voor een vertrouwde, herkenbare plek.’ Aan Breemer: ‘Waarin voelt u zich nou precies beperkt door artikel 23?’ Ze oogst applaus, maar antwoord krijgt ze niet.
Breemer verzucht in plaats daarvan: ‘Ik zou het zo fijn vinden als diversiteit ook vertrouwd voelt.’ En doet een Balkenendiaanse oproep: ‘Diversiteit moeten we gewoon doen.’
Spruyt: ‘Waarom zou je de grondwet willen opofferen voor  zo’n tijdelijk doel als diversiteit? Vooral omdat binnen de wet zoveel mogelijk is. Wij deden bijvoorbeeld uitwisselingen met een islamitische school in onze wijk.’
Breemer: ‘Ik vind het hoopvol dat u diversiteit een tijdelijk probleem noemt. Maar doe het gewoon in de school, dan hoef je ook niet zo moeilijk te doen met al die uitwisselingsprojectjes.’

‘Kies als school vooral je eigen profiel, maar elke school moet artikel 1 van de grondwet onderschrijven’

Zelf betalen?

Artikel 23 en het gevaar van segregatie, het is een welbekend argument in de discussie. Het komt ook terug in de keynote van Ben Vermeulen (hoogleraar onderwijsrecht en lid van de Raad van State). Vermeulen, fervent voorstander van artikel 23 en sprekend ‘vanuit verstand én hart’, fileert vijf veelgehoorde argumenten tegen het duale stelsel (argumenten die ook al aan bod kwamen in ons artikel Artikel 23: schrappen, opfrissen of vieren?, red.).
Zo passeren onder meer de onterechte dominantie van richting (denominatie) bij het oprichten van een school, ‘etikettenzwendel’ (het optellen van richtingen om aan het quotum te komen, iets waaraan de Raad van State vanaf september 2017 paal en perk heeft gesteld) en dus de angst voor segregratie. Ongegrond, stelt Vermeulen. ‘De leerlingpopulatie is vooral afhankelijk van de wijksamenstelling en ouderlijk keuzegedrag. Wil je dat doorbreken, dan moet je werken met gemeentelijk spreidingsbeleid, en willen we dat? Uit de VS weten we dat zoiets averechts werkt en dat rijke ouders hun kinderen weghalen van school en naar particuliere scholen sturen.’
Spruyt verdedigt later in de paneldiscussie het ‘fundamentele recht’ van ouders om een school passend bij de eigen levensbeschouwing te kiezen. ‘Op onze scholen doortintelt geloof ons hele onderwijs, bij biologie komt respect voor de natuur aan bod en bij rekenen de getallensymboliek van Bach.’
Allemaal mooi en aardig, vindt Molsbergen, en kies als school vooral je eigen profiel. ‘Maar  elke school moet artikel 1 van de grondwet onderschrijven.’ Ofwel, reformatorische scholen mogen niet, zoals nu het geval is, leraren en leerlingen weigeren op basis van geloofsovertuiging. Spruyt maakt zich er snel van af: ‘Het is niet zo dat artikel 1 artikel 23 regeert.’
Meteen afschaffen dit stelsel, zegt Breemer andermaal. ‘Alle scholen openbaar.’ Ja maar, klinkt het vanuit de zaal, ontstaat er dan niet een nieuwe tweedeling, namelijk staatsonderwijs en particuliere elitescholen voor rijke ouders? Breemer wuift dat weg. Er zijn nu toch ook al privéscholen? ‘Alle ouders die geen heil zien in een openbare school kunnen daar dan heen.’ Ofwel, ouders die zo nodig onderwijs passend bij hun levensbeschouwing willen, moeten er maar voor betalen. Back to 1848 dus.
Vermeulen waarschuwt daartegen. Het is nou juist de verdienste van het Nederlandse systeem dat openbare en bijzondere scholen nauwelijks verschillen in leerlingprestaties en niet, zoals veel andere landen, een grote kwaliteitskloof kent tussen openbaar en privaat onderwijs. De weinige privaatscholen die Nederland telt, presteren inderdaad beter, maar daar betalen ouders dan ook grof geld voor. Bij een model waarin alleen openbare scholen bekostiging krijgen, zal het private onderwijs groeien, met alle nadelen vandien. 

‘De leerling zou drager van onderwijsvrijheid moeten zijn’

Indoctrinatie

Vermeulen signaleert, zoals anderen voor hem, dat openbaar en bijzonder steeds meer naar elkaar toegroeien, organisatorisch en inhoudelijk. ‘Confessioneel onderwijs heeft vaker oog voor andere godsdiensten en openbaar onderwijs is allang niet meer anti-religie, eerder pluriform.’ Inderdaad klonk tijdens het congres van de openbare koepels over 100 jaar pacificatie de roep om een profilering met pluriforme waarden en normen en met burgerschap (zie artikel Openbaar onderwijs: waartoe zijn wij op aarde?).
Reden dus om het duale stelsel aan de wilgen te hangen? Nee, zeggen Vermeulens hart en verstand. In het huidige systeem waken overheid en inspectie tegen ‘morele eenzijdigheid’ en acht Vermeulen het risico op indoctrinatie beperkt. Maar zou al het onderwijs openbaar worden, dan vreest hij die eenzijdigheid juist wel, in de vorm van een instrumenteel dictaat van overheidswege voor burgerschapsvorming. ‘Ik ben beducht voor een al te ideologische insteek.’ Het duale model garandeert dat zowel ouders die kiezen voor pluriform onderwijs waarin ieder kind zelf kiest welke ideologie hem past - in Vermeulens woorden: een ‘cafetariamodel’ - als ouders die opteren voor ‘een ingroeimodel, waarbinnen een kind binnen een kleine, veilige kosmos ingroeit in de wereld’, ruimte krijgen. ‘De democratische rechtsstaat is open huis waarin beide modellen, individualistisch en collectivistisch, ruimte moeten krijgen.’
Ook Maarten Simons (hoogleraar bij het Laboratorium voor Educatie en Samenleving van de KU Leuven) waarschuwde in zijn keynote voor een te instrumentele insteek van onderwijs. Daarbij kregen ouders net als overheid een veeg uit de pan. Ouders willen een school die dicht tegen het gezin aanschurkt, de overheid wil een school van en voor de samenleving, maar de school moet zich van beide niets aantrekken en alleen vanuit de behoeftes van het kind keuzes maken. Pluriformiteit‘De leerling zou drager van onderwijsvrijheid moeten zijn’, aldus Simons.
De school moet op de bres moet springen voor gelijkheid, vrijheid en vorming van kinderen. Dat betekent onder meer dat afkomst niet bepalend is voor toekomst, dat iedereen alles kan leren, bestemmingen niet op voorhand vastliggen en leerlingen leren vormgeven aan zichzelf. ‘Het is volgens mij niet de beste weg om vanuit de ideale Vlaamse of Nederlandse burger tot eindtermen te komen.’
In de schoolpedagogiek die Simons voorstaat, vormen we leerlingen niet naar ons beeld, maar bieden we hen ruimte om hun eigen (toekomst)beelden te vormen en als nieuwe generatie de samenleving te vernieuwen. Waarbij we het risico op de koop nemen dat jonge mensen niet hetzelfde belangrijk vinden als wij.
In een laatste keynote pleit ook René Kneyber (docent wiskunde en lid van de Onderwijsraad) voor een terugkeer naar de school zelf. Hij wil niet zozeer de leerling als wel de leraar vrijheid teruggeven, De overheid is zich steeds meer met onderwijs gaan bemoeien en stuurt steeds intensiever op onderwijskwaliteit. Waar minister-president Cort van der Linden in 1917 nog vertrouwde op ‘bekwame onderwijzers’, zijn de laatste decennia de ‘deugdelijkheidseisen’ uit artikel 23 steeds meer ingekleurd. Met eindtermen, kerndoelen, referentieniveaus, verplichte toetsen en een aangescherpt toezichtskader. ‘Kwaliteit wordt iets wat de inspectie vindt, niet wat de school zelf vindt.’ Kneyber bepleit een terugkeer naar de geest van 1917: een onderwijsbegroting die past bij de ambities en een rolvaste - minder bemoeizuchtige, meer faciliterende - overheid.

Ideale school

Na drie keynotes en een paneldiscussie zijn de stellingen nauwelijks veranderd. De een wil alleen openbare scholen, de ander alleen samenwerkingsscholen, een derde wil openbaar en bijzonder behouden. Die kwestie gaat vandaag geen oplossing krijgen.
Toch gaan ze gebroederlijk in kleine groepjes samen dromen over de ideale school. Kinderen gingen hen al voor (in een videofilmpje). Hun wensen waren, naast kinderlijk – ‘een vliegende kasteelmuur met regenboogmuren’ en ‘een school met een bos waarin je kunt spelen’ - van universele allure: een school waar ik me veilig voel, waar ik niet gepest word, waar iedereen elkaar ondersteunt, waar goede leraren zijn en, vooruit, waar ik op een knop kan drukken en dat de juf me dan komt helpen.
De wensen van de congresgangers, katholiek, gereformeerd, moslim, christen, plurifobiddenrm of samenwerkend, verschilden daar niet heel erg van. Tuurlijk, de refo’s droomden ook voor de toekomst van een school met de bijbel en de openbaren van een divers huis. Over de eigen schaduw heen springen kan niemand. Maar daarnaast waren de wensen opvallend homogeen: leraren die inspireren, de school als veilige, geborgen plek, als plek om samen te leven, een plek waar je fouten mag maken, een plek die een open verbinding met de omgeving is, enzovoort. Kortom, fraaie zaken die je in elke schoolgids tegen kunt komen.
Toch was er stiekem een revolutionair geluid. In een van de groepjes droomde iemand van de reformatorische pabo de Driestar heel eventjes een beetje recalcitrant: ‘Ik zou willen dat zeg een kwart van onze schoolteams andersdenkend mocht zijn. Dat lijkt me heel gezond.’ Maar dat hoeft geen droom te zijn toch, vragen we hem, dat kan nu toch ook al? Nee, niet binnen de grenzen die zijn eigen zuil nu trekt: ‘Als we dat nu doen, worden we daarop meteen afgerekend door de overheid. Die zegt dan: jullie hebben al andersdenkenden in dienst, dus nu mag je deze persoon niet op grond van geloofsovertuiging weigeren.’ Dat is de makke van systemen, ze zijn nooit 100% ideaal.

Verder lezen

1 Openbaar onderwijs: waartoe zijn wij op aarde?
2 Artikel 23: schrappen, opfrissen of vieren?