Dossier

Contextualiseren kun je leren

Tekst Tim Huijgen
Gepubliceerd op 04-09-2018 Gewijzigd op 10-10-2019
“Het is toch dom wanneer je als vrouw wordt ontslagen wanneer je trouwt? En vrouwen moeten zeker ook het huishouden doen? Mannen zijn toch ook volwassenen? Laat hen dan maar koken en schoonmaken.”  

Dit was het antwoord van Lisa, een veertienjarige leerling, op de vraag waarom vrouwen tot in de jaren 1950 hun baan bij de overheid verloren wanneer zij trouwden. Lisa reageerde met ongeloof en was niet in staat dit verschijnsel historisch te verklaren. Dit komt doordat zij, net als veel andere leerlingen, met haar huidige waarden en normen het verleden bekijkt. Dit noemen we presentisme en zorgt ervoor dat leerlingen historische gebeurtenissen vaak niet kunnen verklaren. Niet alleen bij het lesgeven over vrouwenrechten, maar ook bij andere onderwerpen merkte ik dit. Leerlingen begrepen bijvoorbeeld niet waarom iemand ooit heeft gestemd op de NSDAP of waarom de Nederlandse Republiek het huidige New York in de zeventiende eeuw heeft geruild tegen Suriname. Waarom vonden mijn leerlingen dit zo moeilijk te begrijpen? Deze vraag werd het begin van mijn promotieonderzoek naar hoe wij leerlingen kunnen helpen om te contextualiseren.

Wat is contextualiseren?

Contextualiseren is het creëren van een historische context bij gebeurtenissen en handelingen van mensen met als doel deze verschijnselen historisch te kunnen verklaren. Door te contextualiseren leren leerlingen rekening te houden met de toenmalige omstandigheden, kennis en opvattingen van mensen. Dan kunnen zij bijvoorbeeld wel verklaren dat een Duitser in 1930 op de politieke partij van Hitler heeft gestemd. Toen ging het economisch namelijk erg slecht, de Duitsers hadden geen ervaring met democratie en mensen wisten de gevolgen van de politieke opmars van de NSDAP nog niet. Contextualiseren is echter niet het goedpraten of goedkeuren van controversiële historische gebeurtenissen. Het gaat erom dat leerlingen in staat zijn historische verschijnselen, zoals de trans-Atlantische slavenhandel, te verklaren door rekening te houden met de historische context. Wanneer ontstond slavernij en hoe lang heeft het bestaan? Wat waren de politieke en economische omstandigheden op dat moment? Welk wereldbeeld hadden mensen toen? Contextualiseren draait om het stellen van dit soort vragen.    

Contextualiseren in de praktijk

In het promotieonderzoek stonden drie vragen centraal:

  • Hoe meet je contextualiseren bij leerlingen?

  • Hoe bevorderen geschiedenisleraren in de les contextualiseren?

  • Welk lesmateriaal bevordert het aanleren van contextualiseren bij leerlingen?   

De eerste vraag, waarbij voortgeborduurd werd op Duits onderzoek, leverde een meetinstrument op waarmee leraren het niveau van contextualiseren bij hun leerlingen kunnen vaststellen. Dit instrument richt zich op de opkomst van de NSDAP in Duitsland in de jaren 1930. Hierin moeten leerlingen beredeneren of Hannes (de hoofdpersoon) kon stemmen op deze politieke partij. Met dit instrument is tevens onderzocht hoe leerlingen, variërend in leeftijd tussen de 10 en 17 jaar, kunnen contextualiseren. Enkele leerlingen in groep 7 en 8 van het basisonderwijs bleken al te kunnen contextualiseren, maar hoe ouder leerlingen werden, hoe beter zij presteerden. Het is dus belangrijk om al in de onderbouw van het voortgezet onderwijs (en eigenlijk al in de bovenbouw van het primair onderwijs) expliciete aandacht te besteden aan het aanleren van contextualiseren. 

De tweede vraag leverde een instrument op dat kan worden gebruikt om te observeren wat leraren in de les doen aan contextualiseren (op te vragen bij de auteur; t.d.huijgen@rug.nl). Schetsen zij een historische context bij het behandelen van een onderwerp? Laten leraren leerlingen zelf een historische context creëren bij een historisch verschijnsel? Het instrument is geen beoordelingsmiddel. Het is ontwikkeld voor geschiedenisleraren om elkaars lessen te observeren en naar aanleiding van deze observaties het gesprek aan te gaan over hoe contextualiseren onderwezen kan worden. Tevens kunnen lerarenopleiders het instrument gebruiken om meer specifieke feedback te geven aan (beginnende) leraren. In een kleinschalige observatie-studie viel het ons op dat leraren vaak zelf de historische context uitleggen, maar leerlingen weinig stimuleren om zelf te contextualiseren. Ik betrap mij er vaak genoeg op, maar als geschiedenisleraren moet wij ervoor waken niet te veel onze historische kennis te willen ‘etaleren’. Het bieden van duidelijke instructies of stappenplannen hoe gecontextualiseerd kan worden, is veel beter. Zet leerlingen daarna zelf aan de slag, laat hen fouten maken, blijf het proces goed in de gaten houden en verzorg specifieke feedback.

Voor de beantwoording van de derde vraag zijn vier ontwerpprincipes geformuleerd die leraren kunnen helpen bij het ontwikkelen van lesmateriaal dat contextualiseren bevordert. Deze principes staan in figuur 1.

Figuur 1. Vier ontwerpprincipes voor het bevorderen van contextualiseren.

Het eerste principe is dat leerlingen zich bewust moeten zijn van hun huidige waarden, normen en kennis wanneer zij het verleden bestuderen. Hiervoor hebben wij een aantal ‘casussen’ ontworpen die het verleden als iets ‘vreemds’ presenteren aan leerlingen. Een casus ging bijvoorbeeld over de bouw van het paleis van Versailles. Dit prachtige en grote kasteel kostte een vermogen, maar het Franse volk crepeerde van de honger. Waarom werd dit paleis dan toch gebouwd? Een andere casus ging over Copernicus en waarom zijn boek werd verboden. Zijn bevindingen over ons zonnestelsel waren toch accuraat? Door de reacties van leerlingen op deze casussen krijgt de leraar zicht op welke leerlingen met een huidige blik naar zulke gebeurtenissen kijken en hen bewust maken van de consequenties.

Het tweede principe leert leerlingen een historische context te creëren. Dit deden we door leerlingen stappenplannen te geven waarbij wij hen leerden te kijken naar een chronologische, ruimtelijke, politieke, economische, en sociale context van een verschijnsel. Wanneer en waar speelde het verschijnsel? Welke politieke en economische omstandigheden waren er toen? Hoe gingen mensen toen met elkaar om. Dit soort vragen helpt leerlingen bij het creëren van een context.

Het derde principe gaat ervan uit dat leraren mogelijkheden voor leerlingen moeten creëren om zelf aan de slag te gaan met contextualiseren. In ons onderzoek gebeurde dit bijvoorbeeld door het ontwerpen van een tweetal lessen waarbij leerlingen zelf op basis van een set bronnen een verklaring moesten vinden waarom in de jaren 1950 de Amsterdamse Stalinlaan tijdelijk ‘4 Novemberlaan’ werd genoemd. Voorafgaand aan deze twee lessen werden de leerlingen al bewust gemaakt van de consequenties van presentisme en werd hen geleerd hoe zij een historisch context konden creëren.

Het laatste principe richt zich op historische inleving. Door inleving kunnen leerlingen beter inzicht krijgen in het wereldbeeld van mensen in het verleden. Leraren kunnen dit aanbieden als een aparte opdracht bij de behandeling een onderwerp. De Verlichting is bijvoorbeeld voor veel leerlingen vaak een abstract verschijnsel, maar door het leven van Voltaire te onderzoeken kunnen leerlingen de Verlichting beter verklaren en begrijpen, omdat het concreter voor hen wordt.

De vier principes kunnen ‘los’ gebruikt worden voor het ontwerpen van onderwijs, maar in de laatste studie van het proefschrift gebruikten wij de eerste drie principes als een drie-stappen model en dit werkte goed. Het ontwerpprincipe van historische inleving gebruikten wij niet, maar kan worden ingezet bij de tweede stap om de historische context beter te begrijpen.  

 

Figuur 2. Het drie-stappen model voor het bevorderen van contextualiseren.

Conclusie

De belangrijkste conclusie is dat contextualiseren expliciet aan de orde moet komen in de geschiedenislessen. Hierbij dient de leraar niet alleen zelf te contextualiseren, maar leerlingen ook zelf de gelegenheid te geven om te contextualiseren met als doel historische gebeurtenissen te verklaren en te interpreteren. De vier ontwerpprincipes met de genoemde voorbeelden en het drie-stappen model kunnen leraren hierbij goed helpen. 

 

Dit artikel is een samenvatting van het promotieonderzoek dat Tim Huijgen uitvoerde naar hoe leerlingen beter kunnen contextualiseren. Lees hier zijn proefschrift “Balancing between the past and the present. Promoting students’ ability to perform historical contextualization en beluister zijn radio-interviews bij Radio Glasnost en Visions of Education.

Lees ook: "Leren kijken met ogen van toendat ter ere van de Maand van de geschiedenis verscheen in Didactief, september 2018.

Verder lezen

1 Droegen de Romeinen dan geen spijkerbroeken?
2 Leren kijken met ogen van toen

Click here to revoke the Cookie consent