Onderzoek

Beter met META

Tekst Rodica Ernst-Militaru, Plonie Nijhof & Joris Ghysels
Gepubliceerd op 27-01-2017 Gewijzigd op 25-08-2017
Beeld Udens College
Maak denkstappen expliciet. Dan presteren leerlingen beter en hebben ze meer plezier in het maken van opdrachten, bevestigt onderzoek naar de META-methode, winnaar van de NRO-onderwijsprijs 2016.

Ken je dat: leerlingen die een strategie gebruiken zonder te bedenken of die strategie bij de vraag past? Of: leerlingen die hun eigen uitwerking niet controleren?

Om problemen als deze aan te pakken hebben onderzoekers en docenten van het Udens College en Hermann Wesselink College, in samenwerking met de Universiteit Maastricht, de META-methode ontwikkeld: een hulpmiddel voor docenten om metacognitieve vaardigheden bij leerlingen te trainen. Gedurende dertig weken kregen ruim driehonderd havo/vwo-leerlingen aangepaste lessen in wiskunde, m&o of economie van tien docenten (leerjaren drie t/m vijf). En met succes: de leerlingen presteerden beter en waren enthousiaster dan leerlingen in een controlegroep.

Leerlingen weten beter waar ze vastlopen

Ook waren de leerlingen beter geworden in zelfregulatie en het structureren van informatie, bleek uit de antwoorden in een MSLQ-vragenlijst die leerlingen aan het begin en op het eind van de interventie invulden. De leerlingen dachten kritischer na over de informatie, hun leerproces en uitkomsten. Vrijwel geen enkele leerling in de interventiegroep kwam met een onmogelijke uitkomst. Als dat wel gebeurde, zag de leerling dat vaak zelf direct en vroeg hij zich af hoe dat kwam. Het herstellen van fouten bleek echter vaak nog te moeilijk. Wel wisten ze beter waar ze vastliepen als ze vastliepen en konden ze gerichter vragen stellen. En als de leerlingen zagen dat de resultaten verbeterden, dan bleven ze het bovendien langer proberen; ze gaven het niet te snel op.

metacognitie op het Udens CollegeBij het uitleggen van lesstof blijven de denkstappen van de docent vaak impliciet. Ook zijn leerlingen meestal zo gericht op de uitleg dat ze begeleidende vragen van de docent simpelweg niet horen. Zo blijven zij soms moeite houden met het kiezen van een goede strategie om een probleem op te lossen.

De META-methode brengt hier verandering in: je denkt als docent meer na over de fasen van oplossen en maakt de stappen explicieter, waardoor leerlingen zich uiteindelijk ook bewuster worden van hoe zij te werk gaan.

De methode bestaat onder meer uit ‘META-kaarten’, waarop vier stappen staan: begrijpen, verbinden, kiezen van strategieën/monitoren en controleren/terugkijken (zie kader). Deze kaarten geven leerlingen houvast tijdens het doen van opdrachten.

Denkfouten corrigeren

Een geschikte opdracht kan het maken van een mindmap zijn. Via deze opdracht kun je bijvoorbeeld nagaan wat leerlingen al over een bepaald onderwerp weten of checken of ze lesstof goed in de vingers hebben. Een mindmap kan een alternatieve manier zijn informatie te ordenen en kan zo helpen om kennis beter te onthouden en eventuele denkfouten te corrigeren. Als leerlingen bijvoorbeeld een mindmap over het oplossen van kwadratische vergelijkingen maken, dan moeten ze alle strategieën op de META-kaart structureren op soort vergelijking.

Ook kun je leerlingen na het werken met META-kaarten laten reageren op metacognitieve stellingen, bijvoorbeeld via de Kahoot quiz, een digitale meerkeuzevragentoets. Denk aan stellingen als: ‘Sommige leerlingen kunnen (wiskunde) goed leren, anderen niet’ of ‘Ik ben klaar met leren als ik de stof genoeg ken en voldoende heb geoefend’. Zo kunnen leerlingen leren om op een abstracter niveau naar de lesstof te kijken.

De META-methode kan je helpen om de les beter te structuren en uitdagender te maken. Ook voor jezelf, merkten docenten van het Udens College. ‘Ik vind het weer erg leuk om lessen voor te bereiden. Dat ik zelf aan het nadenken ben over: wat is belangrijk, waar gaat het om, welke denkstapjes moeten de leerlingen maken?’

Bovendien wordt de samenwerking binnen de secties sterker, zagen de docenten. ‘ ‘Je inspireert elkaar met ideeën voor werkvormen of de inhoud. Je didactiek verandert, want je wilt de leerlingen activeren om mee te doen en mee te denken. En dat lukt door er samen over na te denken. Je helpt elkaar en leert van elkaar, dat is het mooiste.’

MetacognitieAan de slag met META-kaarten

Ook metacognitieve vaardigheden trainen in de les? Misschien zijn de META-kaarten dan iets voor jou. Een META-kaart bevat vier algemene stappen: begrijpen, verbinden, kiezen van strategieën/monitoren en controleren/terugkijken. Vul deze stappen aan met vakspecifieke vragen en deel de kaarten uit.

Laat leerlingen zich eerst oriënteren op de opdracht door ze de tekst en de vraag goed te laten lezen en signaalwoorden te zoeken. Door daar expliciet aandacht aan te besteden zorg je ervoor dat leerlingen de tijd moeten nemen om eerst goed te begrijpen. Voorbeelden van oriëntatievragen op de META-kaart zijn: waar gaat de opdracht over? Wat is gegeven? Wat wordt er precies gevraagd?

Dan komt de volgende stap: het verbinden van voorkennis, definities en theorie met de vraag. Door de META-kaart stellen leerlingen zich vragen, algemeen of domeinspecifiek, zoals: welk verband zie ik tussen de gegevens en de vraag? Wat weet ik al over…? Op welke andere opdracht lijkt deze opgave? Het verbinden helpt de leerling om strategieën voor het uitvoeren van de opdracht met elkaar te vergelijken.

Dan volgt het moment van het kiezen van de beste strategie en tegelijk te monitoren. Dit gebeurt door vragen te stellen als: welke strategie past bij de gegevens en de vraag? Moet ik gegevens invullen? Ben ik goed bezig?

Hierna volgt de laatste stap van het terugkijken en beantwoordt de leerling controlevragen zoals: heb ik alle uitwerkingen goed opgeschreven? Heb ik de vraag volledig beantwoord? Klopt mijn antwoord?

 

Rodica Ernst, Plonie Nijhof en Joris Ghysels, De metadenkende leerling: effecten van de META-methode. NRO, 2016. Kijk voor meer informatie op www.nro.nl of neem contact op met Rodica Ernst-Militaru, r.ernst@udenscollege.nl.

Dit artikel verscheen in het januari/februarinummer van Didactief, 2017.

Bronvermelding

1 NRO-pagina van het onderzoek