Nieuws

100 jaar onderwijsvrijheid en macht

Tekst Monique Marreveld
Gepubliceerd op 01-02-2017 Gewijzigd op 01-02-2017
Het kabinet Rutte wil artikel 23 moderniseren maar vindt Verus, de koepel van christelijke en katholieke besturen, tegenover zich. In de VU kwamen onlangs zeven (oud-)bewindslieden en experts samen om het over de vrijheid van onderwijs te hebben.

‘Wij lopen 100 jaar voor op de Verenigde Staten,’ aldus Wim de Jong, gekscherend tegen het publiek. De Jong schreef het boek Heer & Meester. Vrijheid van onderwijs 1917-2017, in opdracht van Verus, de koepel van christelijke en katholieke schoolbesturen. Het werd op 23 januari gepresenteerd tijdens de Herdenking onderwijspacificatie 1917-2017 in de Vrije Universiteit Amsterdam.

De vergelijking met Amerika gaat natuurlijk mank. Betsy DeVos, beoogd minister van Onderwijs in de regering Trump en afkomstig uit een SGP-achtig milieu, wil scholen op religieuze grondslag financieren met publiek geld. Maar the Dutch way zal ze niet willen gaan. In Nederland heeft immers de overheid een grote vinger in de onderwijspap.

Artikel 23 is uniek in de wereld en dat vinden de meesten van ons prima. Jesse Klaver van GroenLinks pleit voor afschaffen van het bijzonder onderwijs, maar hij is zo’n beetje de enige. Met name de christelijke kring telt vooral zijn zegeningen.

Ook de Onderwijsraad (OR) is blij met de vrijheid van onderwijs. Voorzitter Henriëtte Maassen van den Brink noemt artikel 23 met regelmaat ‘ons kroonjuweel’. Feit is dat leerlingen het op scholen waar ouders bewust voor kiezen, ook vaak goed doen. Toch is er wel reden voor modernisering: al in 2012 adviseerde de OR dat het mogelijk moet worden om scholen te stichten niet alleen op grond van traditionele, maar ook nieuwe levensbeschouwingen, en om pedagogische visie.

Lichte gemeenschappen

Het is nu 2017; dat moderniseren duurt best lang. Hoe zou dat toch komen? Een van de eregasten op de herdenkingsbijeenkomst, oud-minister van Onderwijs Jos van Kemenade, legt de vinger op de zere plek. ‘Als artikel 23 niet bestond, zou het alsnog uitgevonden moeten worden,’ zegt hij, ‘maar het is natuurlijk wel zo dat de vrijheid van onderwijs en de belangen gestold zijn in instituties en machtsconcentraties.’

De oud-minister  vindt partijgenoot minister Bussemaker aan zijn zijde. Zij memoreert instemmend hoe bestaande belangen, ‘besturen die een vermeend of terecht beroep doen op artikel 23’, nu soms maatschappelijk wenselijke, nieuwe onderwijsinitiatieven in de weg staan: ‘Het is misschien wel zo dat in het grondwetsartikel alles kan, maar in de regelgeving die we in de loop van de tijd op dat grondwetsartikel gebouwd hebben, zit een aantal beperkingen. En dat kan het gebeuren dat in een regio waar al een montessori-vmbo is, er geen montessori-vwo mag komen.’ Terwijl belangstelling van ouders en leerlingen is aangetoond. Hetzelfde geldt in Amsterdam voor ouders met vernieuwende ideeën: zij komen niet verder, hoewel er behoefte is aan nieuwe scholen.

Nieuwkomers lopen stuk op de status quo waar anderen niet willen inschikken, volgens de minister. ‘Lichte gemeenschappen met lossere verbanden’, zoals de ouders in Amsterdam, verliezen het pleit van ‘zware gemeenschappen’, zoals Bussemaker de traditionele zuilen noemt, in navolging van de sociologen Menno Hurenkamp en Jan Willem Duyvendak. En dat moeten we niet laten gebeuren, als het aan Bussemaker ligt. De eigen school kan en moet die lichte gemeenschappen houvast bieden. Die school moet dan wel een sterk ontwikkelde visie op de maatschappij – en dus ook op het onderwijs hebben. Deze visie hoeft niet gebaseerd te zijn op religie, maar moet wel scheidslijnen als inkomen en opleidingsniveau overbruggen. ‘Onderwijsvrijheid mag niet leiden tot nieuwe elitescholen met de meest mondige ouders,’ zegt Bussemaker. Ze stelt dat vrijheid van onderwijs ‘geen instrument van segregatie’ mag zijn.

Dat is het traditionele bijzonder onderwijs wel vaak verweten. ‘In de beeldvorming is de bijzondere school een christelijke, witte school,’ klinkt het al eerder deze middag uit de mond van George Harinck, gastheer en directeur van het Historisch Documentatie Centrum van de VU. Maar zo homogeen is die school al lang niet meer.

Het bijzonder onderwijs explodeerde in de vorige eeuw: van 43% van het po in 1920 tot 66% in 1950. Nog steeds is ongeveer twee derde van de basisscholen bijzonder. Maar de leerlingpopulatie op die scholen is behoorlijk gemengd. Oud-minister Maria van der Hoeven komt zelfs met cijfers aan. ‘Beetje stom misschien, maar toch,’ zegt ze verontschuldigend. ‘Rooms-katholieke scholen in de grote steden huisvestten tussen 2002 en 2007 bijvoorbeeld 44,9% van de 0.9 gewichtenleerlingen, protestants-christelijke scholen 42,2%.’

Middenschool

Bussemaker bevindt zich deze middag in goed gezelschap. Op het podium van de VU-aula (waar promoties gewoonlijk met een ‘amen’ worden afgesloten) zit zij naast zes oud-ministers en staatssecretarissen van onderwijs, een uniek rijtje. In volgorde van het ambt: Jos van Kemenade (PvdA, 1973-1977 en 1981-1982), Wim Deetman (CDA, 1982-1986-1986-1989), Tineke Netelenbos (PvdA, staatssecretaris 1994-1998), Loek Hermans (VVD, 1998-2002), Maria van der Hoeven (CDA, 2002-2003, 2003-2006, 2006-2007) en Marja van Bijsterveldt (CDA, 2010-2012).

Allen hebben zij hun eigen geschiedenis met het beroemde wetsartikel 23. Eén ding hebben ze gemeen: nooit, zeggen ze, maakten zij mee dat er in de ministerraad gesproken werd over afschaffing. Hoewel, één keer dan, herinnert Loek Hermans zich: ‘Toen Roger van Boxtel de discussie aanvoerde [D66, minister van Binnenlandse Zaken in 2000, red.], maar dat heb ik redelijk onder water gehouden.’

Artikel 23 is de afgelopen decennia onaantastbaar gebleken en een stootkussen tegen fundamentele veranderingen. Van Kemenade verloor zijn befaamde middenschool in de Tweede Kamer aan de voorlopers van het CDA, toen CHU en KVP met een beroep op artikel 23 tegenstemden. Zij vreesden dat een middenschool voor kinderen van twaalf tot zestien jaar zou ingrijpen in de bestaande bestuurlijke verhoudingen.

Van God afvallig

Wim Deetman werd geconfronteerd met de behoefte aan vooral islamitische en een enkele hindoeschool. Deze wens paste beter in het gedachtengoed van de verzuiling en kon uiteindelijk binnen artikel 23 worden verwezenlijkt, al moesten er wel veel organisatorische en financiële hobbels worden genomen, aldus de oud-bewindsman.

Met de invoering van de basisvorming en het bijbehorende begrip eindtermen kreeg Deetman het moeilijker en ontstonden flinke discussies. Angst heerste in confessionele kring, aldus de CDA’er: de eindtemen zouden ingrijpen in de vrijheid van bijzondere scholen. En die werd fel verdedigd. Het is een constante, deze middag: zodra het om de onderwijsinhoud gaat, wordt de strijd het hevigst.

Deetman memoreert een relletje rond een examen geschiedenis. Gevraagd naar de reden voor het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog schrijft een leerling op: ‘Omdat de mensen van God afvallig geworden waren.’ Het antwoord wordt fout gerekend, waarop de school een klacht indient. Het beroep dient tot aan de Raad van State, en Deetmans oordeel als bewindsman luidt uiteindelijk dat de school mogelijk zelf verantwoordelijk was voor dit onderricht en dat de jongen daar niet de dupe van mag worden.

De eindtermen werden in 1998 vastgesteld ondanks verzet van confessionele kant en opgenomen in de deugdelijkheidseisen waaraan ook bijzondere scholen zich moeten houden.

Goed gepolderd? Houden zo, dat artikel 23? Tja, in een zaal met experts zit altijd wel iemand die de heikele vragen stelt die het feestje dreigen te verpesten. Hoogleraar Psychologie Pieter Drenth neemt het risico: ‘Hoe reageren we wanneer de vrijheid van onderwijs en de deugdelijkheidseis met elkaar botsen? In Engeland verwerpt nu 80% van de medische studenten die afkomstig zijn uit islamitische landen de evolutietheorie. Wat doen we als door de religieuze opstelling van een bepaalde school zij weigert de evolutietheorie te verkondigen?’

Het ligt in het verlengde van een vraag die al eerder opkwam: zit er geen spanning tussen artikel 23 (bijvoorbeeld ingeroepen bij het weren van homoseksuele leraren op een orthodoxe school) en artikel 1, het antidiscriminatiebeginsel?

De bewindslieden zijn unaniem, maar Van Kemenade drukt zich het meest ondubbelzinnig uit: ‘In artikel 23 staat dat moet worden voldaan aan de eisen van deugdelijkheid zoals de samenleving, lees daarvoor de overheid, die stelt, op het gebied van onderwijswetgeving en natuurlijk de totale wetgeving van de overheid. Het is dus een zaak van de overheid om tegen die school te zeggen: je mag niet discrimineren. Punt uit. En of een school onwetenschappelijke dingen mag doceren? Nou, als we dat gaan verbieden, kun je er een hoop sluiten!’

Netelenbos is genuanceerder: ‘Ik weet nog dat ik op een camping in Frankrijk zat toen de pleuris uitbrak. We waren bezig met de profielen voor de tweede fase, en de evolutietheorie moest natuurlijk in het eindexamenprogramma biologie. Maar sommige scholen zeiden: dat mag niet, dat kan niet. Het is er toch in gekomen: als jonge mensen gaan studeren, moeten ze er op z’n minst kennis van hebben. Maar dat neemt niet weg dat je scholen die er vanuit hun achtergrond andere opvattingen over hebben, niet kunt verbieden daar ook tijd aan te besteden. Maar leerlingen moeten wel examen doen in de evolutietheorie. Als een school daar niet aan voldoet, voldoet ze niet aan de bekostigingsvoorwaarden.’

Salafistische school

Haar collega Hermans gaat nog wat verder. Scholen die alternatieve theorieën aanbieden, ‘moeten aangeven: hier is geen wetenschappelijk bewijs voor, maar wij houden dit wel aan, wij geloven hierin.’ Maar ook hij ziet grenzen: ‘We hebben in Nederland met elkaar normen vastgesteld. Over de waarden kunnen we van mening verschillen, maar we zijn democratisch, we hebben deugdelijkheidseisen. Dus als een salafistische school zaken verkondigt die in strijd zijn met onze normen, dan moet er worden ingegrepen. Daar moet de inspectie ook op kunnen toezien.’

Langzamerhand komen in het debat de meer heikele punten in beeld. Een pijnpunt dat nog steeds speelt, word aangeroerd door Netelenbos. Ze haalt een geplastificeerd kaartje tevoorschijn met de tekst van artikel 23. ‘Dit had ik altijd op zak. Als het nodig was, begon ik ermee te zwaaien in de Tweede Kamer en zelfs een keer voor de televisie, om te benadrukken hoe belangrijk artikel 23 is.’

Ze is er blij mee, maar anders dan haar collega’s en net als Bussemaker, vindt zij aanpassing van artikel 23 wel voorstelbaar. Ze spreekt over ‘parallelle samenlevingen in Nederland’, over ‘nieuwe groepen die niet zijn gesetteld in onze samenleving en die aan de haal kunnen gaan met onze vrijheid. Er zijn voorbeelden waardoor het hele stelsel ter discussie wordt gesteld. Dat begint bij een paar incidenten, en dan heb je meteen de verkeerde discussie. Om die reden vind ik dat je aan besturen van scholen wel wat meer eisen zou moeten stellen. De eisen die we nu stellen zijn nogal abstract.’

Staatssecretaris Dekker lijkt aan Netelenbos’ wensen tegemoet te komen, en hoopt nog voor de verkiezingen van 15 maart het wetsvoorstel Meer ruimte voor nieuwe scholen door de Tweede Kamer te loodsen.

 

 

Bronvermelding

1 Advies van de Onderwijsraad (1985) aangaande art 23
2 Advies Onderwijsraad (2012) aangaande art 23

Verder lezen

1 Sander Dekker over zijn ideale artikel 23
2 Artikel 23 vanaf de kansel
3 Artikel 23: schrappen, opfrissen of vieren?