Houdbaar als verse vis?

Tekst Paul Kirschner
Gepubliceerd op 21-01-2014
Paul Kirschner - Denkend over mijn tweemaandelijkse bijdrage aan Didactief viel mij – letterlijk – iets in. Door de brievenbus viel het jubileumnummer van Pedagogische Studiën (op de omslag staat 90e jaargang 1919-2013; intrigerend). Dit jubileumnummer staat in het teken van een aantal toonaangevende artikelen uit hun archief. Dus in plaats van de nieuwste onderzoekspublicaties tegen het licht te houden heb ik ervoor gekozen om wat oudjes te bespreken.

Het eerste is een verkorte versie van een artikel van Révész en Hazewinkel uit 1923 en betreft een onderzoek dat in een hedendaags tijdschrift niet zou misstaan. Het artikel Over de didactische waarde van de projectlantaarn en de bioskoop zou net zo goed en heel eigentijds 'Over de didactische waarde van statische en dynamische beelden' kunnen heten. De auteurs laten zien dat informatie aangeboden door statische (stilstaande) beelden na een week beter werd onthouden dan informatie in een film. Dit sluit, bijvoorbeeld, aan bij onderzoek van Salomon uit de jaren tachtig van de vorige eeuw waaruit bleek dat leerlingen van 'moeilijke media' (ofwel media als teksten of stilstaande beelden waar ze zelf de relaties moest leggen) beter leren en meer onthouden dan van 'makkelijke media' als video en film, waar ze weinig voor moeten doen. Révész en Hazewinkel besluiten hun artikel met acht conclusies, onder meer over de relatie tussen leerlingkenmerken en leren van media. Zij eindigen met de waarschuwing dat de 'propaganda van de zoogenaamde groote didactische waarde van de film niet te rechtvaardigen [is]'.

Wat dat ons vandaag nog kan leren? Ten eerste: hoewel bewegende beelden vaak sexyer zijn dan stilstaande, hebben ze alleen een positief effect als ze een functie hebben. Anders leiden de seductive details (verleidelijke details) alleen maar af, waardoor het leren belemmerd wordt. Ten tweede: door het leren zogenaamd 'makkelijker' te maken, werken wij het diepe leren tegen. Inspanning mag en moet, wil je leren.

Radicalisme
En wat te denken van een artikel uit 1925 van J.H. Gunning Wz: Welke houding moet een vooruitstrevend onderwijzer aannemen tegenover nieuwe theorieën en praktijken?, een bewerking van een oorspronkelijk Engelstalig artikel van S.G. Noble. Gunning spreekt van 'een altijd wassenden stroom van paedagogische en didaktische nieuwigheden' afkomstig van de 'paedagogische afdeelingen van onze groote universiteiten' en stelt, anno 2013 nog steeds herkenbaar: 'Nieuwe leuzen, nieuwe methoden en nieuwe reorganisatieplannen worden uitgegeven en verspreid, sneller dan de onderwijzers ze kunnen lezen.'

Gevolg hiervan, schrijft hij, is dat 'onderwerpen van groot belang en verre strekking dikwijls weinig de aandacht trekken, terwijl dingen van weinig belang meer aandacht krijgen dan zij verdienen. Zulk een toestand baart òf scepticisme òf radicalisme.' Gunning komt tot de conclusie dat zowel conservatief vasthouden aan het oude als meegaand met alle nieuwe hypes de juiste houding is. Naar zijn mening (in 1925!) moet de docent kritisch en open staan tegenover innovaties, maar die alleen toepassen na zorgvuldige bestudering. En liefst door de oude aanpak niet overboord te gooien, maar de nieuwe in te passen in het bestaande repertoire.

Als politici, schoolbesturen en schoolleiders zich hier iets van hadden aangetrokken, hadden wij een aantal onderwijsmislukkingen als het studiehuis en het nieuwe leren misschien kunnen voorkomen. En waren de leraren een stuk minder sceptisch en innovatiemoe dan nu het geval is. Gunning sluit zijn artikel af met een citaat van Evenius: 'Stulta haec invidia est, cui cuncta recentia sordent, invida stultitia est, cui nova sola placent.' Oftewel: 'Dat is een dwaze afgunst, die al wat jong en nieuw is, minderwaardig acht; en dat is een afgunstige dwaasheid, die alleen in het nieuwe behagen schept.' Wijze – en actuele – woorden. Hopelijk leren wij daar alsnog van.

Een ogenblik geduld...
Click here to revoke the Cookie consent