Eerbied voor vogels is terugkerend thema
Een eeuw geleden vermeldde het padvindersboek Buitenleven (1924) – ‘een leidraad voor Hollandsche jongens die van de natuur houden’ – dat de vogelwereld, in tegenstelling tot die van de zoogdieren, overal en altijd is waar te nemen. Zoogdieren vluchten voor de mens, houden een winterslaap en zijn door hun ‘weinig opzichtige kleuren’ niet altijd zichtbaar voor mensenogen. Vogels daarentegen trekken de aandacht door hun kleurenpracht en kreten. Ze zijn gemakkelijker waar te nemen.
‘Het is de plicht van iederen jongen de vogels te beschermen,’ aldus het handboek Buitenleven een eeuw geleden. Waarom? Vogels kregen het indertijd steeds moeilijker door het toenemende verkeer, door het weghakken van struikhout, het omhakken van holle bomen en door het droogleggen van plassen. Daarnaast werden ‘uit winstbejag, moordlust, ruwheid en ijdelheid’ vogels gedood. Ondanks de Vogelwet van 1912, die het doden en vangen van de meeste soorten verbiedt, stierven er een eeuw geleden nog altijd duizenden vogels. Oók door kinderhanden. Wat was er aan de hand? ‘Kinderen zoeken heggen en boschjes in de omgeving der stad af om eieren en jonge vogels uit te halen. Wat hebben ze er aan? Niets!’
Eerbied voor vogels is een terugkerend thema in de onderwijsgeschiedenis. Waarom zou je een vogel in een piepklein kooitje gevangen houden? Vogels moeten juist beschermd worden. Hoe? Door ze ‘des winters te voederen in het venster, in den tuin in zogenaamde voederkastjes of door het ophangen van stukjes zwoerd, halve kokosnooten, olienootjes’.
In oude school- en kinderboeken is vogelbescherming een terugkerend thema. In de Kleine gedigten voor kinderen van Hieronymus van Alphen (1746-1803), eenvoudige poëzie die in veel negentiende-eeuwse schoolboekjes werd terechtkwam, verstoort een meisje een nestje jonge vogels: ‘Mietje had eens, onder ‘t wandlen, / Een verholen vogelnestjen / In een dorenhaag gevonden. / ‘k Heb nu, zei ze, mijn verlangen: / o Hoe zal ik mij vermaken, / Met die lieve kleine diertjes! / Aanstonds ga ik thuis wat halen, / Om dit nestjen in te bergen’
Mietjes moeder leerde haar dochter dat ook vogelouders gevoel hebben: ‘Stoort tog nimmer vogelnestjes! / Denk maar eens, hoe de oude vogels / Om dat stooren zouden treuren.’
Ook vogelouders hebben verdriet, zo luidde de boodschap. Weliswaar lazen generaties schoolkinderen Van Alphens vermanend opvoedkundige gedichten, maar dit betekende niet dat er bij iedereen een gedragsverandering uit voortkwam.
Voor zijn vaak herdrukte schoolleesboek Vader Jakob en zijne kindertjes (1805) schreef Mattheus van Heijningen Bosch (1873-1821) een horrorverhaal. In de meimaand, als de vogeleitjes uitkwamen, was voor Willem geen boom te hoog en geen vogelnestje veilig. Na schooltijd klom en klauterde hij in alle bomen om nestjes uit te halen. ‘Zijn vader en moeder verboden het hem wel, en zeiden, dat hij nog armen en beenen breken zoude, maar Willem wilde niet naar goede raad luisteren,’ aldus Van Heijningen Bosch.
Op een dag, na schooltijd, ging Willem alleen op pad om een nestje uit te halen, dat hij in een oude boom had gezien. ‘Hij wilde de vogeltjes voor zich alleen houden, en daarom nam hij niemand mede. Ook zeide hij aan geen mensch, waar hij heen ging.’ ’s Avonds kwam Willem niet thuis. Zijn ongeruste ouders zochten overal, maar Willem bleef weg: ‘Hoe velen er ook uitgingen, om hem te zoeken; hoe bitter zijn vader en moeder ook schreiden: Willem werd nergens gevonden. En men hoorde verder niet meer van hem. […] Waar mag Willem wel gebleven zijn?’
Jaren later werden de oude bomen op de stadswal weggehaald. Een van de bomen ‘was van binnen geheel en al hol. Toen men nu dien boom wilde doorzagen, vond men daarin het geraamte van een klein knaapje, met het hoofd naar beneden en de voeten naar omhoog. Aan de schoengespen merkte men, dat dit het overschot van den armen Willem was.’
Willem was in de hollen boom gevallen en gestorven. De moraal, aldus Van Heijningen Boch: ‘Jongens! denkt toch aan den ongelukkigen Willem, wanneer gij uitgaat, om den goeden vogeltjes hunne kindertjes te ontnemen.’
Pedagogische boodschap overstijgt de tijd
Zwarte pedagogiekHet is de vraag of van Heijningen Bosch’ zwarte pedagogiek – het disciplineren van kinderen met macht, autoriteit, angst en straf – effect had. In een latere hervertelling van zijn verhaal wordt Willem gered. Pedagoog Jan Geluk pleitte in zijn Woordenboek voor opvoeding en onderwijs (1882) voor een andere aanpak van het vogelnestjesprobleem. Het schoolvak ‘natuurlijke historie’ (natuur- en milieueducatie) draait niet alleen om kennis over flora en fauna. De natuur ‘bevordert ook het denken en den zin voor het schoone, het werkt veredelend op het gemoed’. Het door natuur-historisch-onderwijs ‘veredelde kind’, aldus Geluk, ‘ziet in ’t schoone kevertje, zoowel als in den leelijken worm een medeschepsel, dat wij […] niet martelen moeten’. Een pedagogische boodschap die de tijd overstijgt. Van vogelnestjes blijf je af! |
Dit artikel is verschenen in Didactief van maart 2025.
En blijf op de hoogte van onderwijsnieuws en de nieuwste wetenschappelijke ontwikkelingen!
Inschrijven