MBO als poortwachter

Tekst Marc Vermeulen
Gepubliceerd op 21-11-2017
Beeld Human Touch Photography & Shutterstock
Marc Vermeulen - Het MBO verliest zijn traditionele legitimatie in de samenleving. Het zal op zoek moeten naar een nieuwe kernlogica. En daarbij moeten we serieus kijken naar de leerplicht.

Marc VermeulenHet nieuwe kabinet wordt het kabinet van de middenklasse, van het sociale midden. Het is precies daar dat er beweging is. Electoraal is het afgebrokkeld en zijn er 4 partijen nodig om een politieke meerderheid te hebben van maar één zetel. Sociaal is het al net zo aan het afbrokkelen (misschien zie je dat wel terug in de verkiezingsuitslag) en daarmee is er voor het MBO een ingewikkelder speelveld ontstaan.

Achterhaald

Grofweg werd de logica van het MBO altijd vanuit twee verschillende uitgangspunten onderbouwd. Ten eerste was dat de human capital theorie, vroeg jaren zestig geformuleerd en een Nobelprijs waard. De lijn is neo-liberaal rechtoe/rechtaan. Onderwijsdeelname leidt tot productieve werknemers die daarmee een grotere bijdrage leveren aan economische groei; uit dat surplus kan onderwijs gefinancierd worden. De winst wordt geboekt op stelselniveau (groei van onderwijs leidt tot groei van het nationaal product) en op individueel niveau (als je langer doorleert, verdien je meer). Zeker in het beroepsonderwijs wordt die rechtstreekse relatie tussen leren en werken sterk beleefd. We hebben het over macrodoelmatigheid: opleidingen moeten duidelijk maken hoe hun afgestudeerden aan het werk komen om hun bestaansrecht te bewijzen.

Het tweede uitgangspunt was dat van de emancipatie, minder neo-liberaal, meer sociaal democratisch van aard. ROC’s vormen kansenmachines voor de kansarmen. Via deugdelijk onderwijs en slim stapelen kun je doorstromen. En dankzij de combinatie van niveaus in een school juist ook zonder van school te veranderen.

Het MBO heeft voor velen de weg geplaveid
naar een goeie baan en een mooie stap voorwaarts.
Maar, dat is voorbij.

Het MBO heeft voor velen de weg geplaveid naar een goeie baan en een mooie stap voorwaarts. Maar, dat is voorbij. De dynamiek in de samenleving en op de arbeidsmarkt maakt dat de twee funderende kernlogica’s voor het MBO sterk aan glans verloren hebben. En daarmee verliest het MBO zijn traditionele legitimatie in de samenleving. Het zal op zoek moeten naar een nieuwe kernlogica.

Het is tot op zekere hoogte treurig om vast te stellen dat juist het MBO door eigen succes in de problemen komt. De meritocratisering van de samenleving, mogelijk door de snelle onderwijsexpansie, bederft het feestje. Veel, heel veel mensen hebben ten minste een diploma op MBO-niveau gehaald. Daarmee wordt dit een soort commodity, net als water en licht: het valt niet meer op dat het er is, maar het ontbreken ervan levert onmiddellijk gedoe op.

Een verdeelde samenleving

schema mboIn de samenleving is er eigenlijk sprake van een driedeling (zie figuur) tussen degenen in een gevestigde positie, degenen die dat niet hebben maar er wel kans op maken en degenen die amper kansen hebben. Het is niet zo gemakkelijk om percentages aan deze drie posities te koppelen, maar 60% op het pluche, 25% op weg naar het pluche en 15% zeker niet meer op het pluche is mijns inziens een redelijke inschatting. Laten we de drie posities eens nader bekijken.

De grootste groep Nederlanders heeft een opleiding op het niveau van bol-4 of hoger. Ze hebben vaste banen, kunnen zich een eigen huis permitteren en hun kinderen doen het overwegend goed op school. Daarnaast zijn ze overwegend gelukkig en gezond. Uit deze sociale laag komen ook degenen die de besturen, de raden van toezicht en de democratische organen bemensen. Een kleine groep heeft het heel goed en wil dat vooral voor zichzelf houden. Maatschappelijk gezien zijn dit ‘afhakers’, ze brengen hun vermogen naar het buitenland en hun kinderen ook, bijvoorbeeld naar dure buitenlandse business schools. Ze bemoeien zich niet of amper met maatschappelijke organisaties, ze zijn hedonistisch in hun oriëntatie.

Voor de groep-op-het pluche
is onderwijs een defensief goed

Voor de groep-op-het pluche is onderwijs een defensief goed: het moet er vooral voor zorgen dat de eigen positie (en die van de kinderen) bestendigd wordt. Er mag geen sociale daling optreden en daarvoor zijn goede diploma’s belangrijk. Binnen deze groep is er een ratrace gaande om steeds hoger onderwijs te volgen. Onderwijs is hier duidelijk een positioneel goed: het onderscheidt je in positieve zin van hen die het niet hebben. Of al die extra opleiding ook functioneel is, is de vraag: 40% van de mensen met een hogere opleiding werken op een lager niveau. Deze groep is dus verantwoordelijk voor een verspilling van belastinggeld door hun kinderen meer en meer onderwijs te laten volgen, louter om defensieve redenen.

De tweede groep zit in een runner up positie. Ze hebben talenten, maar die zijn nog niet door onderwijs ontplooid en ontsloten. Het gaat hier vermoedelijk vooral om nieuwkomers in onze samenleving. Onbekendheid met de instituties (waaronder taal en wetten) en met de cultuur maakt dat ze hun licht onder de korenmaat laten schijnen. Onderwijs kan een belangrijke rol spelen om hun verborgen talenten (jawel, de term uit de vijftiger jaren die door socioloog Van Heek geĭntroduceerd werd) boven water te brengen: doe je best op school en dan komt er ook voor jou een positie in de gevestigde klasse.

In de jaren vijftig was dit inderdaad zo, maar deze boodschap werkt niet altijd meer en dat kan tot afhaakgedrag leiden. We zien dit bij allochtone jongeren die radicaliseren. Dat zijn lang niet altijd de laagst opgeleiden. Het is daarom zorgwekkend dat ook onder hoger opgeleide allochtonen de werkloosheid hoog is en blijft. Frustratie en défaitisme liggen op de loer.

Dan zijn er ten slotte degenen die door gebrek aan talent of inzet uitgeselecteerd worden door het onderwijs: zij komen definitief niet op het pluche. Voor hen is de samenleving genadeloos. Ze wonen in slechte huizen, zijn vaker werkloos en hun gezondheid is matig. En daarbij krijgen ze te horen dat dit vooral aan henzelf ligt. Het systeem bood hen immers kansen die ze kennelijk niet pakten. Waar zij een generatie geleden nog konden antwoorden dat zij last hadden van hun sociale herkomst of sekse, geldt dit niet meer. We hebben kansen gecreëerd, slimme meiden voorbereid, studiefinanciering geboden et cetera: wat kan een samenleving nog meer doen? Voorzieningen die vroeger hielpen (sociale arrangement,  werkvoorzieningsinstituties) zijn in een neoliberale beweging verdwenen of geïndividualiseerd. Collectieve arrangementen bieden geen steun of bescherming meer. Buitenlandse werknemers of robots nemen banen voor laaggeschoolden over. Populistische politici verwoorden de afwijzing van de samenleving en vinden hun electoraat vooral in deze groep.

Ook hier hebben we weer een extreme positie, van de mensen die écht afhaken. Ze sluiten zich aan bij een motorbende en/of vullen hun inkomen aan met een weedplantage. Ze dagen de bestaande gezagsverhoudingen uit door zich er vooral niks van aan te trekken. Jan Tromp en Pieter Tops bieden een inkijkje in deze groep in het recente boek De achterkant van Nederland.

Een bijzondere positie voor het MBO

In het Nederlandse onderwijsbestel vormt het MBO de tafel waarop de bovenstaande kaarten geschut worden. En zal inmiddels duidelijk zijn dat er meer factoren spelen dan alleen talent en inzet. Alle drie de groepen in de Nederlandse samenleving hebben verschillende verwachtingen ten aanzien van onderwijs. De groep die op het pluche zit en de gevestigde orde vertegenwoordigt, wil vooral dat haar kinderen schoolsoorten bezoeken die de positie bestendigen. En dat is in hun optiek beslist niet het MBO. Deze groep doet haar best om te voorkomen dat haar kinderen überhaupt in het MBO terechtkomen door ze met alle mogelijke middelen de havo/vwo-route te laten volgen. Cito-trainingen, bijlessen en desnoods rechtszaken worden ingezet om kinderen maar zo hoog mogelijk te laten landen. MBO’s vormen een zone die angstig vermeden moet worden, hoewel veel kinderen uit deze groep er qua talenten en kansen misschien heel goed tot hun recht zouden komen. Maar het MBO is voor hen een second best optie: ze hebben er zelf niet zoveel mee, kennen het ook nauwelijks. Het was in dit verband navrant om te zien dat D66 bij de presentatie van hun kandidaat-minister van Onderwijs Ingrid van Engelshoven vergat het MBO te noemen als onderdeel van haar portefeuille. Pijnlijk en veelzeggend, al maakte de nieuwe minister dit meteen na haar benoeming goed door het belang van het MBO in haar nieuwe opdracht te onderstrepen.

En als een leerling uit deze groep dan toch de weg naar het ROC moet inslaan, dan het liefst op een zo hoog mogelijk niveau zodat er toch een doorstroming naar het HBO kan plaatsvinden. De belangstelling voor de associated degree is hier veelzeggend: dan kunnen deze kinderen toch een hbo-light doen. Nadruk op taal en rekenen ligt ook voor de hand, omdat het een ticket biedt naar een vervolg dat meer richting havo/vwo gaat (we spreken wel van de AVO-isering van het MBO curriculum). Opleidingen In het creatieve domein doen het goed voor deze groep, ze bieden ontplooiingsmogelijkheden en hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld opleidingen in de horeca en de commerciële dienstverlening. Zeker als die wat meer een ‘college look’ krijgen, bieden ze een redelijk alternatief, al is het geen hoger onderwijs.

Leraren worden in deze groep niet al te serieus genomen; ouders en familie van de leerlingen zijn zelf immers minstens net zo hoog of hoger opgeleid. Leraren moeten er vooral voor zorgen dat de kinderen in de eigen klasse kunnen blijven meedoen en verder niet te veel praatjes hebben. Mislukt de leerling, dan wordt dit vaak geëxternaliseerd en krijgt de leraar de schuld.

Voor de groep die nog kansen heeft, bevinden de ROC’s zich daarentegen in de comfortzone, het klassieke emancipatie-ideaal (stapelen) biedt hier immers nog ruimte voor groei. Nieuwkomers kunnen er de taal leren en via niveau 2 naar 3 naar 4. Dat is een genoegen om aan mee te mogen werken en leraren zullen ook in die rol beschouwd worden: ze bieden je kansen om door te stromen. Leraren zijn de gids in een nieuwe en geprefereerde wereld en helpen leerlingen over drempels heen. De belangrijkste opgave die ze hebben is om een goede aansluiting te zoeken bij de beginsituatie van de zeer diverse leerlingenpopulatie en onderwijs te ontwerpen dat deze groep verbindt met de gevestigde orde. Leraren zijn bruggenbouwers.

Voor de groep die in de derde positie zit, speelt het MBO een negatieve rol. Het is de plek waar je je diploma niet haalde waardoor je kansen verkeken zijn. Het vertegenwoordigt een wereld waar je niet in mag en die geen begrip toont voor de dingen die in jouw sociale omgeving gangbaar zijn. MBO-leraren zijn degenen die het oordeel vellen dat je niet verder kunt en dat je moet leren leven met een blijvend lagere sociale positie. Leraren komen zelf ook niet uit deze sociale klasse, dus er is weinig begrip over en weer. Leraren klagen over onaangepast gedrag en over gebrek aan steun vanuit de thuissituatie. Ze kijken hoofdschuddend naar de verkeerde keuzes die gemaakt worden. Daar waar dit doorschiet, komen jeugdzorg en justitie in beeld en worden leraren geconfronteerd met de ingewikkelde spagaat tussen ontwikkelen (onderwijs) en dwang en drang (veiligheid). Andersom worden leraren gezien als degenen die de toegang tot de gevestigde orde frustreren en daarom niet te vertrouwen zijn.

De vraag is hoe we deze derde groep het beste kunnen helpen. Is het vasthouden aan of zelfs verhogen van de leerplicht het juiste middel? Ik betwijfel dat.

Een belangrijke opdracht voor het MBO

Het voorgaande levert een -mogelijk te-  grimmig beeld op van het MBO en van de rol van leraren binnen de ROC’s. De beschreven tendensen zijn onmiskenbaar aanwezig al zullen ze zich niet overal en gelijktijdig manifesteren. Toch is het raadzaam om deze sociale dynamiek onder ogen te zien en moeten ROC’s zich beraden op hun rol.

Voor de kansrijken kunnen de ROC’s blijven doen wat ze al deden, namelijk kansen bieden. Daarbij speelt wel een rol dat de gevestigde orde deze groepen niet zomaar toelaat. Naast beroepsvorming zullen ook sociale vaardigheden aan de orde moeten komen. Je moet namelijk wel je toegang tot de gevestigde orde verdienen, je wordt niet zomaan binnen gelaten. Culturele diversiteit moet productief gemaakt worden om interessant gevonden te kunnen worden in die nieuwe sociale laag. ROC’s kunnen hun netwerken gebruiken om jongeren geleidelijk te introduceren. Dat kan via stages maar mogelijk ook via allerlei andere sociale verbanden (sport, cultuur etc.). Naast de kwalificerende taak ligt er dus ook een socialiserende opgave voor ROC’s.

Door ouders en leerlingen uit de gevestigde orde zullen ROC’s uitgedaagd worden om vooral een vooropleiding voor iets hogers te zijn. De druk op de hogere niveaus en op meer algemene vorming worden vanuit doorstroommotieven belangrijker gemaakt. Dit roept de principiële discussie op hoeveel aanpassingen in het curriculum gemaakt kunnen worden om doorstroming te bevorderen. Wordt het MBO dan een veredelde HAVO? Een hoe verhoudt dit zich dan tot de andere belangrijke kerntaak om jongeren voor te bereiden op de vakmanschap en een positie in de arbeidsmarkt.

Als mijn waarneming klopt dat er binnen het MBO-veld (vak-)instellingen zijn die zich profileren op doorstroom naar HBO dan wel op het bestendigen van sociale posities in de gevestigde orde, leidt dit ook tot lastige concurrentieverhoudingen. Romen zij het gemakkelijke deel van de leerlingenpopulatie af? Ontstaat er dan binnen het MBO-stelsel een tweedeling tussen enerzijds de scholen die de gevestigde orde bedienen en anderzijds de scholen die dat kennelijk juist niet (kunnen) doen? De andere afslag is dat ROC’s juist de ontmoetingsplaatsen worden of blijven om de verschillende sociale groepen met elkaar in gesprek te houden. Dan moeten concurrentie en afroming vermeden worden en gaat het veel meer over slimme vormen van samenwerking.

Voor de groep in de duurzaam kansarme positie ligt er ook een heel belangrijke opgave. Meer onderwijs van de bestaande soort helpt hen absoluut niet. Sterker nog, dat zal hun afstand alleen maar vergroten omdat ze dan nog vaker zullen falen. Als onderwijs voor deze groep betekenisvol wil zijn, zal het buiten de muren van de school moeten treden.  Vermoedelijk is het beter om hier over sociale innovatie te spreken dan over onderwijs. Hoe kunnen door middel van kleinschalige projecten jongeren in deze context als nog geïnspireerd worden een maatschappelijke bijdrage te leveren. Kleinschalig en sociaal ondernemerschap biedt misschien kansen. Projecten om de directe leefomgeving te verbeteren, in sportverenigingen e.d. helpen de kloof tussen school en straat te overbruggen.  De kernopgave is om jongeren (weer) in een positieve verbinding met de samenleving te krijgen en hen zoveel mogelijk een zelfstandige economische positie te bezorgen. Onderwijs is hier een cruciale speler in preventie van latere sociale problemen (uitkering, criminaliteit, verpaupering). Leraren zijn onderwijzer en   ondernemers en opbouwwerkers en wat niet al. Ze zijn frontlinie professionals avant-la-lettre.  Om dit mogelijk te maken hebben ze veel handelingsruimte nodig en moet bureaucratie tot een minimum beperkt worden.

Omdat ROC’s op zo’n sleutelpositie zitten in het krachtenspel van de sociale ongelijkheid moeten ze hun zaakjes echt goed op orde hebben. Het is een ingewikkelde combinatie van taken en dat vergt veel. Op verschillende manieren en vanuit verschillende belangen zullen bijvoorbeeld de curricula en examinering beschouwd worden. Onderwijskundige vormgeving moet voor veel verschillende groepen herkenbaar zijn. Zorgvuldige examinering en bewaking van een fair civiel effect zijn cruciaal. Rondom examinering en diplomering loopt de spanning op, omdat dat het moment betreft waarin de conclusies getrokken worden voor de latere sociale positie. Dit alles vergt denkkracht en aandacht die nu niet altijd ingezet wordt. Zo is er bijvoorbeeld sprake van een vrij zwakke kennisinfrastrjuctuur die de ROC’s hierbij helpt (zowel direct in de vormgeving als indirect in reputatie). Ook zijn leraren in het MBO relatief laag opgeleid en ook dat helpt niet. Tot slot is de sector niet erg sterk georganiseerd. Grote en kleine instellingen bestaan naast elkaar, er is nogal wat onderlinge frictie en de sector heeft een aantal nare affaires achter de rug. En als laatste moeten de public affairs beter gemanaged worden. De opgave van de ROC’s is te belangrijk om ongezien voorbij te laten gaan.

 

Marc Vermeulen is hoogleraar onderwijssociologie aan TIAS School for Business and Society, Tilburg University. Dit artikel is mede gebaseerd op de bijdrage die hij samen met Sietske Waslander schreef voor de bundel  The Dutch Way in Education die in het voorjaar verscheen. Zie voor meer informatie https://www.thedutch-way.com/ 

 

Een ogenblik geduld...
Click here to revoke the Cookie consent