Onderzoek

Stop met geloven in neuromythen!

Tekst Jelle Jolles, Mathilde van Gerwen, Ingrid Christoffels & Sanne Dekker
Gepubliceerd op 14-06-2017 Gewijzigd op 14-06-2017
Beeld Shutterstock
Denkt u ook dat uw leerlingen hogere cijfers halen als ze les krijgen volgens hun voorkeursleerstijl? En dat we slechts tien procent van onze hersenen gebruiken? Nee? Dan behoort u tot een minderheid. Veel van uw onderwijscollega’s blijken deze neuromythen, want dat zijn het, te geloven. En erger nog, ze baseren er mede hun onderwijs op. Het is hoog tijd dat er een einde komt aan het verkondigen en verspreiden van neuromythen. Samen moeten we neuromythen de wereld uit helpen, om te beginnen uit het onderwijs.  

Kennis over de ontwikkeling en het functioneren van het brein is bij uitstek relevant voor het onderwijs. De hersenen zijn immers nodig voor het leren, het geheugen, het waarnemen en denken. De hersenen bepalen hoe we ons bewegen, ze bepalen onze interesses, gedrag en ambities. Als onderwijsprofessionals goed weten hoe de hersenfuncties zich ontwikkelen door ervaringen en prikkels en hoe de hersenen werken in het proces van leren, zijn ze beter in staat om leerprocessen en daarmee het schools presteren te optimaliseren. Bovendien is van groot belang dat onderwijsprofessionals kennis hebben van de persoonlijke groei en ontplooiing die kinderen doormaken op weg naar volwassenheid. Daarom moeten ze kunnen beschikken over de juiste kennis over leerprocessen en over de toepassing daarvan in het onderwijs. Daarom moeten onderwijs- en neuromythen bestreden worden.

Neuromythen zijn opvattingen over de werking van de hersenen die onjuist zijn, ook al klinken ze misschien logisch en plausibel. Ze zijn gebaseerd op onjuiste generalisaties uit wetenschappelijk onderzoek en/of op verkeerde aannames over de ontwikkeling en het functioneren van het brein. Eén van de meest hardnekkige neuromythen is de opvatting dat veel leerlingen een voorkeursleerstijl hebben voor visuele, dan wel auditieve of kinesthetische (met het lichaam voelen) informatie en dat het leren in deze voorkeursleerstijl zorgt voor betere prestaties. Het tegendeel is waar: kinderen leren juist het beste als ze álle modaliteiten gebruiken en die integreren. Bij eenzijdig aanspreken op een bepaalde leerstijl bestaat het gevaar dat de leerling te weinig effectieve leerstrategieën aanleert en dat bovendien de kans vermindert dat het kind zich breed ontwikkelt. Daarbij kan het geloof in voorkeursleerstijlen ook nog eens een negatief effect hebben op het professioneel denken en handelen van leraren en schoolleiders, omdat het maar een schraal beeld geeft van het leren, van leerstrategieën en leerpotenties. Dat is slecht voor de kwaliteit en de effectiviteit van het onderwijs.

Hardnekkige mythen in po en vo

Onderwijsprofessionals zijn steeds meer geïnteresseerd in ‘het brein’: in de hersenen en hersenfuncties en in de neuropsychologische vaardigheden die daarmee samenhangen. papegaaiUit een artikel van Didactief uit 2015 bleek bijvoorbeeld dat ongeveer 90 procent van de basisschoolleraren positief staat tegenover inzetten van neurowetenschappelijke kennis in de onderwijspraktijk. Die interesse bestaat inderdaad bij leraren in het basisonderwijs en zeker ook bij leraren in het voortgezet onderwijs, aldus onderzoek van ons Centrum Brein & Leren (Dekker et al 2012, 2015). Deze interesse en vooral ook de toepassing van kennis over de hersenen in het onderwijs is een goede zaak. Helaas blijken er nogal wat hardnekkige mythen in omloop te zijn. Dat blijkt uit een tweetal onderzoeken die in 2012 en 2016 vanuit het Centrum Brein & Leren met samenwerkingspartners zijn uitgevoerd. In 2012 onderzochten we samen met een Engelse collega de opvattingen over neurofeiten en –mythen onder 242 leraren uit het po en vo in Nederland en Groot-Brittannië. In beide landen geloofden de leraren gemiddeld 50 procent van de neuromythen.

Mythen over leerstijlen en het verschil tussen de informatieverwerking van de linker- en rechterhersenhelft werden zelfs door 80 procent van de leraren als ‘waar’ aangemerkt. Het geloof in neuromythen kwam het meest voor bij leraren die door hun interesse in het brein meer informatie tot zich hadden genomen dan collega’s met minder interesse (Dekker, Lee en Jolles, 2012). De uitkomsten van ons onderzoek in 2016 onder mbo-professionals, waar we hierna dieper op ingaan, zijn geheel in lijn hiermee. De uitkomsten van beide onderzoeken worden bevestigd door internationale onderzoeksresultaten (o.a. Howard-Jones 2014 en Düvel et al 2017) en OESO-publicaties. Met hun boek ‘Jongens zijn slimmer dan meisjes - 35 mythen over leren en onderwijs’ uit 2016, waarschuwen ook de gewaardeerde auteurs Pedro De Bruyckere, Paul Kirschner en Casper Hulshof tegen onderwijsmythen, waaronder enkele neuromythen.

Ontstaan van neuromythen
Het domein van neurowetenschappen is complex en breed. Onderzoeksresultaten zijn vaak moeilijk toegankelijk en slecht te interpreteren zonder specifieke expertise. Ook gaan de onderzoeksvragen waar neurowetenschappers zich mee bezig houden vaak in op fundamentele kwesties. Daarmee staan ze ver af van de praktijk en het functioneren van de persoon en van het dagelijks leven op school.
Bij neuromythen gaat het om verkeerde interpretaties van de resultaten van hersenonderzoek. Deze ontstaan door het overgeneraliseren, simplificeren, verkeerd interpreteren of citeren van wetenschappelijke feiten (oa. OECD, 2002). Het beeld dat de onderzoeken van het Centrum Brein & Leren uit 2012 en 2016 laten zien is inmiddels in een aantal landen binnen en buiten Europa, voor dezelfde mythen, teruggevonden (Howard-Jones, 2014) en uitgebreid naar andere vormen van onderwijs, zoals de muziek-educatie (Düvel et al 2017). Leraren met relatief grotere interesse voor en kennis van het brein waren zelfs gevoeliger voor breinmythen (Dekker, Lee, Howard-Jones & Jolles, 2012).

Neuromythen onder mbo-professionals

De meeste mbo-studenten zijn nog lang niet aan het einde van hun neuropsychologische ontwikkeling. Daarom is juist ook voor mbo-docenten kennis over neurocognitieve vaardigheden en over de hersenen en hersenfuncties van belang. Aangenomen dat de ontwikkeling en ontplooiing van de mbo-student bepaald wordt door zowel biologische factoren – bijvoorbeeld de hersenrijping – als door sociale factoren – bijvoorbeeld de aard van de leeromgeving van de student – kan het mbo baat hebben bij toepassing van de juiste wetenschappelijke inzichten. Deze hebben potentie voor onderwijsvernieuwing en docent-professionalisering en daarmee voor verhoging van het onderwijsrendement.

papegaaiHet meest recente onderzoek dat het Centrum Brein & Leren uitvoerde, tezamen met het Expertisecentrum Beroepsonderwijs (ecbo), laat zien dat neuromythen ook in het mbo heel vaak voorkomen (Van Gerwen, Christoffels, Dekker en Jolles, 2017). Dit is onderzocht middels een grootschalig vragenlijstonderzoek onder bijna 500 ROC-medewerkers, verspreid over Nederland. De deelnemende instellingen en deelnemers zijn benaderd door ecbo. De vragenlijst is gebaseerd op de lijst van het po/vo-onderzoek uit 2012, die is vervaardigd door Dekker, Lee, Howard-Jones en Jolles en is beschreven in Dekker et al 2012. In beide onderzoeken gaat het om kennis en inzichten over hersenen en hersenfunctie die relevant kunnen zijn voor het onderwijs aan en het schools presteren van respectievelijk po/vo-leerlingen en mbo-studenten.

Deelnemers werd gevraagd elk van de dertig stellingen op waarheid te beoordelen. Alle dertig vragen waren hersen-gerelateerd; negen ervan zijn te beschouwen als een neuromythe. Een van de negen neuromythe-stellingen is om technische redenen niet in de verdere analyses en overwegingen betrokken. De eenentwintig andere vragen over de hersenen zijn te beschouwen als ‘vul-vragen’; de meeste ervan kunnen door iemand met een gemiddeld-tot-goede algemene ontwikkeling goed worden beantwoord. De deelnemers aan het onderzoek wisten niet dat het onderzoek betrekking had op neuromythen. De gegevens zijn geanalyseerd voor drie groepen van deelnemers, te weten docenten, instructeurs of begeleiders en onderwijsbeleidsmedewerkers of –managers/bestuurders. In totaal zijn de gegevens van 408 deelnemers verwerkt.

De resultaten tonen aan dat het geloof in neuromythen wijdverspreid is (Van Gerwen et al 2017). Ruim driekwart van de ondervraagde mbo-professionals herkent niet meer dan drie à vier van de acht neuromythen in de lijst van dertig breinstellingen. Vier à vijf van de gepresenteerde neuromythen worden door de meerderheid van de respondenten dus ten onrechte voor waar aangenomen. Deze uitkomsten komen overeen met onderzoek van Dekker et al (2012, 2014). Meest voorkomend waren neuromythen over ‘het belang van leerstijlen’, over ‘de linker- versus de rechterhemisfeer’ (in de volksmond ‘de linker- en rechterhersenhelft’) en over ‘de ontwikkeling van de prefrontale schors bij tieners’. De stellingen over de hersenen werden relatief goed beantwoord: 70 tot 80 procent correct. De prestaties van de drie groepen van deelnemers bleek nauwelijks te verschillen, afgezien van enkele verschillen in prestatie die afhankelijk zijn van leeftijd/ervaring en opleidingsniveau.

Nog wat meer over de onderzoeksresultaten

1. Algemene kennis over de hersenen

Alle drie de groepen deelnemers hebben de stellingen relatief goed beantwoord: de mediaan ligt bij ongeveer 16 van de 21 vragen goed.

2. Kennis over neuromythen

Alle drie de groepen deelnemers hebben maar weinig neuromythen correct herkend. Bijna 90% van de deelnemers heeft maximaal drie van de acht vragen als niet-correct herkend.  Dus meer dan de helft van de mythen werd foutief beoordeeld. De prestaties van de drie groepen bleken niet van elkaar te verschillen. Ook toonde statistische analyse geen verschillen tussen leeftijdsgroepen.

3. Welke neuromythe is het meest populair?

Voor de drie groepen is bepaald welke neuromythe het meest ‘populair’ is, dat wil zeggen welke neuromythe vaak als ‘waar’ wordt beschouwd. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de neuromythen op volgorde van populariteit.

mythes in het mbo

Er zijn geen duidelijke verschillen tussen de drie groepen van deelnemers. Dit kan betekenen dat de kennis of inzichten vooral informeel en buiten wetenschappelijke kanalen om zijn verkregen op de middelbare school of via publieksmedia en een informeel circuit. De drie groepen onderscheiden zich qua achtergrond en ook in de gevolgde scholing. Maar deze scholing speelt kennelijk geen rol in het oordeel over neuromythen. Scholing heeft wél effect op kennis. Hoger opgeleiden presteerden beter op de algemene stellingen over hersenen en hersenfunctie. Het feit dat er geen duidelijke leeftijdseffecten zijn gevonden, laat zien dat ervaring (duur van de onderwijservaring en levenservaring) evenmin een rol speelt.Zoals gezegd blijkt ruim driekwart van de deelnemers te geloven in de leerstijlenmythe, die stelt dat lesgeven in de voorkeursleestijl van leerlingen leidt tot betere schoolprestaties. Ook wordt de mythe over de rijping van de prefrontale schors door drie op elke vier onderwijsprofessionals voor waar aangenomen. Datzelfde geldt voor de mythe over linker- versus rechterhersenhelft (drie op iedere vijf deelnemers). De mythe ‘we gebruiken slechts 10 procent van onze hersencapaciteit’ wordt geloofd door vier op iedere tien deelnemers.

Opmerkelijk is dat de groep van onderwijsbeleidsmedewerkers en onderwijsmanagers relatief de beste prestatie neerzet op de algemene stellingen over onderwijs. Een mogelijke verklaring is dat relatief veel personen in deze groep een achtergrond hebben in de onderwijskunde. Het zou ook kunnen dat de iets betere prestatie te maken heeft met een hogere opleiding (universitair/hbo). In dat geval gaat het vooral om ‘algemene kennis’ die verkregen is via de media of via een gevolgde algemene ho-studie. Uit de onderzoeksgegevens blijkt verder dat mensen die nooit of relatief weinig informatie over het brein in het dagelijks leven tegenkomen, weliswaar minder geloven in neuromythen, maar ook minder algemene kennis hebben over het brein. Meer interesse in het brein blijkt een verband te hebben met meer geloof in neuromythen.

papegaaiConclusie en aanbevelingen

Dat professionals in het mbo vijf van de acht neuromythen – dus onjuiste generalisaties uit de wetenschap – voor waar aannemen, heeft praktische betekenis. Het geloof in dergelijke neuromythen brengt het professioneel handelen in de onderwijspraktijk namelijk potentieel in gevaar. Gegeven de eerdere onderzoeksresultaten in het po en vo kunnen we deze conclusie voor het gehele onderwijs trekken. Een goede bijscholing voor onderwijsprofessionals –  continuous education – op het gebied van brein in relatie met leren is daarom wenselijk.

Opmerkelijk en belangrijk in zowel het onderzoek uit 2012 als dat in 2017 was de bevinding dat onderwijsprofessionals die actief geïnteresseerd zijn in hersenen en leren méér neuromythen geloven, dan de minder geïnteresseerden. Kennelijk betekent dit dat er onder onderwijsprofessionals behoefte bestaat aan kennis over de hersenen. Dit als handvat om de eigen onderwijsaanpak te verbeteren. Omdat er niet veel bruikbare onderwijsinformatie over hersenfuncties beschikbaar is neemt men noodgedwongen genoegen met informatie die via internet en andere ongecontroleerde bronnen tot ons komt, aldus Dekker, Lee en Jolles (2014). Als deze redenering klopt, dan betekent het dat er grote behoefte is aan goede en wetenschappelijk gecontroleerde informatie over hersenkennis die relevant is voor gebruik in het onderwijs.

Het in stand houden van neuromythen is een risico voor de kwaliteit van het onderwijs. Onjuiste inzichten kunnen immers impliciet het denken en handelen bepalen van de leraar/docent, de onderwijsbegeleider/teamleider en degenen die betrokken zijn bij onderwijsbeleid en management. De bevindingen in de besproken onderzoeken laten zien dat het nodig is om onderwijsprofessionals nader te scholen op het gebied van hersenen en hersenfunctie in relatie tot leren en onderwijzen. Het is van belang om het geloof in neuromythen terug te dringen en te vervangen door correcte kennis en inzichten over de zich ontwikkelende jeugdige en zijn brein en om die kennis en inzichten vervolgens effectief te gebruiken in de praktijk van het onderwijs. Meer inzicht in de lerende scholier en student ondersteunt de onderwijsprofessional bij het plannen en uitvoeren van onderwijsinnovaties. Door een goede dialoog tussen wetenschappers en leraren en tussen leraren onderling over het brein in relatie met onderwijs kunnen we bovendien het ontstaan van nieuwe neuromythen voorkomen.

De neuromythen-vragenlijst is te downloaden van de website hersenenenleren.nl en vanuit het rapport  van Van Gerwen, Christoffels, Dekker en Jolles (2017).

Jelle Jolles is Universiteitshoogleraar Neuropsychologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en leidt het Centrum Brein & Leren.
Mathilde van Gerwen is onderzoekersmedewerker bij het Centrum Brein & Leren (VU)

Ingrid Christoffels is onderzoeker bij het Expertisecentrum Beroepsonderwijs (ecbo)
Sanne Dekker is projectmanager bij het Wetenschapsknooppunt Radboud Universiteit


Referenties:

Dekker, S., Lee, N.C., Howard-Jones, P. & Jolles, J. (2012). Neuromyths in education: Prevalence and predictors of misconceptions among teachers. Frontiers in Psychology, 3. doi: 10.3389/fpsyg.2012.00429

Dekker, S., Lee, N.C. & Jolles, J. (2014). Over het vóórkomen en voorkómen van neuromythen in het onderwijs. Neuropraxis, 18(2), 62-66.

Düvel, N., Wolf, A., & Kopiez, R. (2017). Neuromyths in music education: Prevalence and predictors of misconceptions among teachers and students. Frontiers in Psychology, 8. Doi: wordt nog toegevoegd

Gerwen, M. van, Christoffels, I., Dekker, S. & Jolles, J. Neuromythen in het mbo (2017). Een vragenlijstonderzoek naar acht veel voorkomende neuromythen. Expertisecentrum Beroepsonderwijs, ‘s Hertogenbosch. ISBN 978 94 6052 107 2

Howard-Jones, P.A. (2014). Neuroscience and education: myths and messages. Nature Reviews Neuroscience.

 

Onderzoekers:
Jelle Jolles
1, Mathilde van Gerwen1, Ingrid Christoffels2 en Sanne Dekker,3

1 Centrum Brein & Leren, Vrije Universiteit Amsterdam

2 Expertisecentrum Beroepsonderwijs

3 Wetenschapsknooppunt Radboud Universiteit (WKRU), Nijmegen

Verder lezen

1 Alternatieve feiten in de klas
2 Feiten over mythen