Het linkse onderwijzerstijdschrift De Volksschool publiceerde in 1904 een spotprent waarop confessioneel Nederland woedend reageerde. Een onderwijzer in priesterkleed schrijft op het krijtbord de zin ‘1584 Prins Willem vermoordt Filips!’. Daaronder de uitdagende vraag: ‘Neutraal onderwijs?’ Iedereen wist dat koning Filips II van Spanje de aanslag op Willem van Oranje had bevolen. Wat was er aan de hand?
In katholieke geschiedenismethodes werden de feiten niet verdraaid, maar wel vanuit een eigen levensbeschouwelijk perspectief geduid. De Tilburgse methode Schets onzer Vaderlandsche Geschiedenis (1900) prees Filips II als een voortreffelijk, gelovig vorst. Kritiek op de koning gold juist als bewijs van Filips’ deugd. Willems samenspannen tegen het Spaans gezag, onder meer bij de Unie van Utrecht (1579), maakte de moordaanslag volgens deze blik begrijpelijk. Dit legitimeerde Filips’ vogelvrijverklaring van de prins, inclusief beloning en verheffing in de adelstand voor wie hem zou uitleveren.
De rooms-katholieke onderwijswereld voelde zich door Hahns ironische aanklacht – ‘nepnieuws’ – ongemeen hard geraakt. De katholieke pers sprak van ‘antipapisme’ en ‘gebrek aan verdraagzaamheid’. Ook protestantse onderwijzerstijdschriften veroordeelden Hahns prent scherp. De ‘openbaren’ werden als zwak neergezet, omdat zowel katholieken als protestanten gebroederlijk meenden dat hun wijze van lesgeven geheel binnen de grenzen van de Grondwet van 1848 viel: artikel 23, onderwijsvrijheid.

Sportprent van Albert Hahn: ‘Neutraal onderwijs?’ In: De Volksschool, 2 november 1904. Collectie Nationaal Onderwijsmuseum, Dordrecht
Het Utrechtse schoolhoofd W.G. van de Hulst (1879-1963) was een groot voorstander van de grondwetswijziging van 1917, het vervolg op 1848. Die luidde de zwaar bevochten financiële gelijkstelling van openbaar en confessioneel onderwijs in. In zijn driedelige geschiedenismethode Toen – En nu! (1922-1924) legde hij deze wet uit aan zesdeklassers (de huidige groep acht):
‘Daar staat een school. ’t Is een mooi gebouw met een hoge stoep en een brede deur. ’t Heeft mooie gangen, en ruime lokalen, en de banken zijn keurig geverfd, en er hangen heel mooie platen en landkaarten aan de wand. Er zijn boeken en leien en schriften in overvloed… “Openbare school” staat met grote letters op de gevel.’
In beeldende taal, zijn handelskenmerk, vertelde Van de Hulst dat er naast die rijke openbare school ‘ginds in het achterstraatje’ nog een ander schooltje stond:
‘’t Is eigenlijk maar een gewoon huis. Een paar binnenmuren zijn weggebroken, en nu kan dat huis wel als school dienst doen. Wel ja! De oude verveloze banken staan op lange rijen, en er hangen géén mooie platen aan de muur. Het jasje van de meester is erg oud en kaal; en de landkaart heeft hij zèlf getekend, wel duidelijk, o, maar lang niet zo mooi als die landkaart ginds. En de boekjes, waaruit de kinderen lezen moeten, zijn erg oud en erg versleten. Och, wat een armelijk schooltje is dat… “School met den Bijbel” staat geschilderd boven de deur.’
Van de Hulst eindigde zijn verhaal over de tweede schoolstrijd – de eerste werd in 1848 beslecht – met de vraag: ‘Wat vreemd is dat! … Waarom is die ene zo rijk, die ander zo arm?
De aanhangers van de Verlichting en de Franse Revolutie, die spotten met Gods heiligheid en Zijn wetten, hadden de godsdienst op de scholen na 1813 afgeschaft:
‘De knappe mensen, die de baas waren in het land, en de mannen, die de koning hielpen in de regering en de wetten maakten, - zij wilden het zo. Zij zeiden: “De kinderen moeten heel veel leren, en heel knap worden. Dan zullen het sterke en gelukkige mensen zijn. Kennis is macht! … En dan zullen ’t ook goede, brave mensen zijn. Wij zullen mooie scholen bouwen, en dan kunnen we later de gevangenissen wel afbreken. Een knap en geleerd volk zal een goed, een braaf volk zijn!” Ja, dat dachten ze heus. Maar van Godsdienst op de school wilden ze niets weten. Alle kinderen: Protestanten en Roomsen en Joden moesten samen leren…’
De ‘knappe mensen’ stonden uiteindelijk toe dat er bijzondere scholen werden opgericht, maar de ouders moesten ‘het zelf maar betalen, vonden de mannen die in het land alles te zeggen hadden’. Dit was de reden waarom de schoolmeester van de School met den Bijbel een versleten jasje droeg, met oude schoolboeken werkte en zelf zijn landkaart tekende: ‘Hij verdiende zo weinig; maar hij wilde niet gaan naar die andere, de rijke school, waar hij veel meer verdienen kon; hij wilde de kinderen opvoeden in de dienst van God.’
Van de Hulst vond het heel onrechtvaardig dat de ouders zelf voor het christelijke onderwijs moesten betalen. Voorvechters zoals hij trokken zich het lot van de christelijke scholen aan: ‘’t Heeft wel tachtig jaren geduurd; maar eindelijk is de gelijkstelling van het Christelijk en het Openbaar onderwijs tòch gekomen. In 1920 heeft minister De Visser (de eerste onderwijsminister, JD) een nieuwe Schoolwet gemaakt; nu zijn àlle scholen voor de wet gelijk. Dat is eerlijk.’
B.J. Douwes (1878-1966), directeur van de Rijkskweekschool voor Onderwijzers(essen) in Deventer, trok in zijn bundel Paedagogische beschouwingen (1936) fel van leer tegen Van de Hulsts veelgebruikte geschiedenismethode: Toen – En nu! bevat lasterlijke passages tegen het openbaar onderwijs. Douwes betreurde het ‘dat deze schoolmeester, die de “christelijke” school wil dienen, zich zo héél onchristelijk gedraagt, door zo gans in strijd met de leer van Jezus te lasteren, en de christelijke jeugd te vergiftigen met zijn leugens inzake de openbare school’. Schreef de onderwijswet van 1806 niet voor ‘dat we nog steeds op de openbare school moeten opvoeden tot christelijke deugden’?
Wettelijk gezien was dat zo, maar veel ouders kozen er na 1920 toch voor hun kind naar een protestants-christelijke of rooms-katholieke school te sturen. Het onderwijsinspectieverslag van 1936 vermeldde zelfs dat op de bijzondere scholen Toen – En nu! en de rooms-katholieke tegenhanger Roep der Historie het meest gebruikt werden.
Dane, Jacques (2016) . ‘Op de huid van de tijd. Jacques Vriens’ schoolromans als (toekomstige) bron voor de onderwijsgeschiedenis.’ In: Literatuur Zonder Leeftijd [LZL]. Winter 2016, blz. 62-78 [themanummer over kinderboekenauteur Jacques Vriens].
Dane, Jacques (2018). ‘”Eene illusie.” De Lager Onderwijswet van 1920 op dorpsniveau’. In: Pieter Slaman, In de regel vrij. 100 jaar politiek rond onderwijs, cultuur en wetenschap. Den Haag: Ministerie van OCW, blz. 38-39.
Dane, Jacques (2023). ‘”Neutraal onderwijs?” Onderwijsvrijheid en het schoolboek, 1900-1940’. In: SGKJ-berichten nr. 102 (voorjaar), blz. 9-13.
En blijf op de hoogte van onderwijsnieuws en de nieuwste wetenschappelijke ontwikkelingen!
Inschrijven