Nieuws

Professionele ruimte: naar een wij-cultuur

Tekst Bea Ros
Gepubliceerd op 29-09-2016 Gewijzigd op 27-10-2016
In het dinsdag verschenen advies Een ander perspectief op professionele ruimte in het onderwijs pleit de Onderwijsraad voor meer teamwerk en minder regels van bovenaf.  Ofwel: de professionele leraar is geen ik, maar wij.

Het nieuwe advies van de Onderwijsraad over professionele ruimte voor leraren ademt de geest van Het Alternatief II. Misschien niet vreemd als een beide auteurs daarvan, René Kneyber, ook lid is van de raad. In hun boek schreven Kneyber en Jelmer Evers dat ‘de docent anno 2015 [is] zijn handelingsvermogen is verloren’. En wat is het codewoord in het dinsdag verschenen raadsadvies ? Precies: handelingsvermogen.

De raad prefereert dit woord boven professionele ruimte. Handelingsvermogen is, zo kunnen we lezen in het rapport (onder verwijzing naar Priestley, Biesta en Robinson), ‘niet een eigenschap van een persoon, maar het vermogen tot handelen van een persoon in een bepaalde omgeving onder bepaalde condities’. Dat lijkt muggenzifterij, maar wat de raad bedoelt is dat we in de race naar goed onderwijs ten onrechte te veel zijn gaan zitten op de individuele leraar – zie Lerarenagenda, zie Lerarenregister – en te weinig op de condities waaronder die leraar functioneert. Als die condities (structuur en cultuur) niet ideaal zijn, loop je als professional tegen een muur. Anders gezegd: ruimte krijgen is niet alleen een individuele competentie, maar ook een eigenschap van een werkomgeving.

De diagnose: ‘tweederangsuitvoerder’

Werkdruk, bureaucratie, overregulering, de hijgende adem van de inspectie in je nek, managers die over je beslissen – uit onderzoek van de laatste jaren blijkt luid en duidelijk dat de Nederlandse leraar zich behoorlijk bekneld voelt in de uitoefening van zijn of haar vak. Velen voelen zich, zoals de raad schrijft, een ‘tweederangsuitvoerder’ van plannen die anderen voor hen bedacht hebben. Dat nekt het werkplezier en de idealen.   

De raad schrijft met enig gevoel voor understatement: ‘Verticale sturing, verantwoording en controle zijn nuttige en noodzakelijke instrumenten om de kwaliteit van het onderwijs te garanderen, maar het is belangrijk daarin niet door te slaan.’ Doe je dat als overheid wel, dat doorslaan, dan oogst je wat je zaait, redeneert de raad. Dan denken leraren steeds minder zelf na en laten ze zich leiden door externe indicatoren. ‘Leraren ervaren die normen dan niet meer als “eigen” en betekenisvol, maar als vreemd en bevreemdend. (…) en kunnen leraren vervreemd raken van de idealen, drijfveren en normen die zij zelf belangrijk vinden.’

Hoe het tij te keren? In een op verzoek van de Tweede Kamer geschreven advies noemt de Onderwijsraad enkele oplossingen, zich daarbij mede baserend op een Onderwijsdialoog met leraren en schoolleiders. De raad vindt dat in de discussie over professionele ruimte managers en professionals (leraren) te veel als kemphanen tegenover elkaar staan. Simpel samengevat luidt het advies: geef de leraar zijn/haar vak weer terug en zorg voor structuren en een cultuur die bevorderen dat leraren weer verantwoordelijkheid nemen en krijgen voor hun werk. Het rapport leest welhaast als een boek voor managers, soms met bijbehorend wollig taalgebruik, om het beste uit hun mensen te halen.

De oplossing (1): versterk het team
De eerste tip voor de manager die schoolleider of directeur heet, is om de kracht van het team te versterken en benutten. De leraar moet een teamspeler worden en het team een veilige en inspirerende omgeving waarin mensen van elkaar leren en samen het onderwijs verbeteren en vernieuwen. ‘Horizontale kracht’ noemt de raad dat, als tegenhanger van de ‘verticale verantwoording’, een mechanisme dat wordt benut in onderwijslanden die goed presteren, stelt de raad, en waarbij in Nederland nog een wereld te winnen valt.

Het mag duidelijk zijn, professionele ruimte is niet de ruimte om als leraar te doen wat je wilt. Geen koning in de klas, maar, om met Kneyber te spreken, een ‘netwerkleraar’. Samenwerking, peer review en bij elkaar in de les kijken moeten veel gewoner worden. En voordat u nu denkt: ja, dat kan er ook nog wel bij, volgens de raad biedt het team ook sociale steun, ‘een probaat middel tegen ervaren werkdruk’.

Maar eerlijk is eerlijk, de raad roept ook de overheid op om in haar beleid meer prikkels voor teamontwikkeling te stoppen, bijvoorbeeld behalve de lerarenbeurs ook een beurs voor teamprofessionalisering, een expliciete plek voor teamontwikkeling in het lerarenregister en naast de leraar van het jaar ook een lerarenteam van het jaar. Ruimte in het rooster lijkt me persoonlijk ook aan te bevelen.

De oplossing (2): verminder verticale sturing
Het is de professionaliteit van de leraar om zichzelf voortdurend, samen met collega’s, te verbeteren en na te denken over goed onderwijs (competenties). Het is de taak van het bevoegd gezag, schooldirecteuren en teamleiders om daartoe de randvoorwaarden te creëren. Ofwel te zorgen voor de andere twee poten van handelingsvermogen: structuur en cultuur.

Bepaal gezamenlijk op schoolniveau de grenzen van de ruimte om te handelen, adviseert de raad. Leraren hebben namelijk niet alleen behoefte aan vrijheid, maar ook aan duidelijkheid en structuur: ‘bij ons doen we het zo’. Het moet bijvoorbeeld duidelijk zijn wie ver­antwoordelijk is voor het kiezen van een nieuwe methode en wie mag meedenken over de bezetting voor het nieuwe schooljaar. Geef het team vooral zeggenschap en verantwoordelijkheden voor de inhoud van het onderwijs, adviseert de raad: het lesprogramma en het lesmateriaal, inclusief lesmethoden, het curriculum en toetsen.

Waar structuur een kwestie van regels en afspraken is, is cultuur vaker impliciet. De raad geeft voorbeelden: zoekt een leraar die iets voor elkaar wil krijgen eerst medestand bij collega’s of gaat hij rechtsreeks naar de leidinggevende? Praten de leraren in de lerarenkamer over collega’s die er niet zijn, over wat ze in het weekend hebben gedaan of over veranderingen die ze graag zouden willen doorvoeren in hun school? Is er een klaagcultuur of een droomcultuur?

Het rapport bevat hierover vrij concrete organisatieadviezen. Zoals deze:

‘In het onderwijs hebben teams vaak een hechte band, met sterke onderlinge persoonlijke verbindingen. Dat vereenvoudigt het geven van een compliment, maar maakt correctieve feedback extra lastig. In dit opzicht hebben leidinggevenden een belangrijke coachende rol, vooral in de beginfase van de teamontwikkeling. Dan moet er ingegrepen worden en moet ongewenst gedrag worden gecorrigeerd door hierin het goede voorbeeld te geven. Als gewenst gedrag eenmaal is ingedaald in de cultuur, is de externe structuur minder nodig en is het een kwestie van bijhouden.’ We lezen tegeltjeswijsheden als: ‘Een belangrijke voorwaarde voor het succesvol samenwerken in teams is een open houding, waarbij vertrouwen en respect centrale waarden zijn.’ En wollig taalgebruik als: ‘Alleen bij voldoende vertrouwen zullen teamleden elkaar gunnen dat ze hun individuele handelingsvermogen daadwerkelijk tot uitdrukking brengen.’

Dat had allemaal best een pondje minder gemogen. Tegelijkertijd krijgt het rapport daarmee ook een prettig poten-in-de-modder-gevoel. Het ademt werkvloer. Dat klinkt ook door in het advies aan de overheid: ‘Het versterken van handelingsvermogen is primair een organisatievraagstuk. De overheid dient op dit punt op een gepaste afstand te blijven. De overheid heeft vooral een faciliterende en stimulerende rol gericht op teamleiderschap en teamontwikkeling binnen scholen.’

Leraren aller klaslokalen, verenigt u.

 

Een ander perspectief op professionele ruimte in het onderwijs. Versterk vermogen om te handelen vanuit het team. Advies Onderwijsraad september 2016.

Bronvermelding

1 Rapport Een ander perspectief op professionele ruimte in het onderwijs

Click here to revoke the Cookie consent