Nieuws

Kijkje over de heg: Valt er wat te leren van onze Europese buurlanden?

Tekst Redactie Didactief
Gepubliceerd op 26-03-2014 Gewijzigd op 12-12-2019
Estland is blij dat de staat zich niet meer bemoeit met het onderwijs. Engeland houdt sinds 1989 de teugels juist flink aangetrokken. Wat is de beste balans tussen overheidsbemoeienis en onderwijsvrijheid?

Het verhaal van Estland is veelzeggend. Tussen 1940 en 1992 ging het land gebukt onder een repressief Russisch regime. Een regime dat zich tot in het klaslokaal deed gelden met een rigide voorgeschreven curriculum. Leraren aan de leiband van een politieke doctrine. Nu Estland sinds de onafhankelijkheid weer ruimte heeft om een eigen stempel op het curriculum te drukken, blijkt dat nog niet zo eenvoudig. Want hoe zorg je voor samenhang en hoe voor zorgvuldige vernieuwing? Een overheid als back up blijkt dan ineens best welkom.
Wat regel je als overheid en wat laat je over aan de professionals als het gaat om de doelen en inhoud van het onderwijs? Die vraag staat centraal in het Jaarboek 2013 van CIDREE (een Europees netwerk van organisaties voor curriculumontwikkeling en onderwijsonderzoek). Het boek, dit jaar samengesteld door SLO, bevat verhalen van dertien Europese landen over de balans tussen curriculumruimte en -regulering.   

Minder ongelijkheid

Als overheid wil je natuurlijk het beste onderwijs voor alle kinderen. Een veelgehoord argument voor een nationaal curriculum is dat je daarmee ongelijkheid tegengaat – in Amsterdam leren kinderen hetzelfde als in Tietjerksteradeel, en op witte scholen hetzelfde als op zwarte scholen.
Sommige landen in Europa hebben inderdaad vanuit die ideologie een gecentraliseerd curriculum, met Frankrijk als bekendste voorbeeld. Het kan het onderwijssysteem echter ook log maken, reden waarom de Franse overheid, op weg naar eigentijdser onderwijs, de teugels wat meer laat vieren.
Waar de meeste Europese landen een duidelijk leerplankader hebben voor het funderend onderwijs, en een aantal ook een nationaal curriculum (vaak met de mogelijkheid tot lokale invullingen), is Nederland de uitzondering, concludeert Wilmad Kuiper. Hij is hoofd Onderzoek & advies bij SLO en bijzonder hoogleraar Curriculumevaluatie aan de Universiteit Utrecht en medesamensteller van het CIDREE-jaarboek.

Vrijheid van onderwijs – het beruchte artikel 23 – is hier een heilig dogma. Zo zijn er weliswaar wettelijke kerndoelen voor primair onderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs, maar die zijn zo globaal dat je er alle kanten mee uit kunt.
De in 2010 ingevoerde referentieniveaus zijn duidelijker en richtinggevender, maar ze gelden alleen voor taal en rekenen. ‘Anders dan Engeland, Schotland en de Scandinavische landen hebben we geen omvattend antwoord op de vraag wat voor kinderen met het oog op de toekomst de moeite waard is om te leren. Het zou moeten gaan om aanbod in de volle breedte en in samenhang.’

Waar de Nederlandse overheid zich aan de voordeur terughoudend en vrijblijvend opstelt, is er een groeiende aandacht voor controle bij de achterdeur, getuige de toename van toetsen en de stevige rol voor de inspectie (regulering op output). ‘We zijn geneigd aan de achterdeur alles te regelen zonder dat we duidelijke antwoorden hebben op de vraag wat we kinderen willen leren,’ luidt Kuipers diagnose.
In opdracht van OCW voert SLO een brede curriculumverkenning voor het funderend onderwijs uit. Een van de conclusies is dat het hoog tijd is voor een debat over deze curriculumvragen. ‘De tijd is er rijp voor. Kijk maar naar het advies Een smalle kijk op onderwijskwaliteit uit 2013 van de Onderwijsraad en het advies Naar een lerende economie uit 2013 van de WRR.’

Karaoke-curriculum

Voor dat debat zijn alvast bruikbare lessen te halen uit andere landen. De eerste les is om het debat vooral breed te voeren en te investeren in een dialoog met vele betrokkenen, zoals in Finland en Schotland (zie kader) is gebeurd. 
De juiste balans vinden tussen nationale voorschriften en lokale vrijheid blijkt lastig. Een voorbeeld van hoe het niet moet, biedt Engeland. Het in 1989 ingevoerde National Curriculum is compleet doorgeslagen: ‘Engeland is in de val getrapt van overmatige specificering van verplichte lesstof. Dat slaat dood en werkt contraproductief,’ zegt Kuiper. ‘Ik heb daar zeer gefrustreerde leraren en schoolleiders gesproken. Ze hebben het idee dat ze een soort karaoke-curriculum moeten geven. Alles is voorgeschreven en wordt gecontroleerd.’

Een dichtgetimmerd nationaal curriculum werkt niet

De overheid, zo leren Schotland en de Scandinavische landen, moet leraren zowel vertrouwen als houvast bieden. Vrijheid èn duidelijkheid. Kuiper vindt het opvallend dat Nederlandse leraren veel vrijheid krijgen, maar deze nauwelijks benutten en ervaren: ‘Ze beperken hun vrijheid door zich vast te klampen aan de lesmethodes.’
Schotse leraren zijn gewend naast methodes eigen lesmateriaal te maken, vertelt Alan Armstrong van de overheidinstelling Education Scotland. ‘Het is niet simply follow the book, maar what can the teacher add to the book. Want leerlingen worden niet uitgedaagd door lesboeken, maar door leraren. Bovendien kun je op die manier veel beter verbindingen tussen vakgebieden leggen.’ Desalniettemin vragen ook de Schotse leraren om voorbeelden. Education Scotland biedt deze slechts gedoseerd aan, om leraren te prikkelen zelf actief bezig te zijn met het lesmateriaal en dit aan te passen aan hun leerlingen.
‘Heldere afspraken over het leerplan kunnen dus goed samengaan met ruimte voor scholen,’ stelt Kuiper vast. ‘Ruimte bieden door kaders te scheppen, ondersteuning te bieden en voorbeelden aan te reiken, dat heeft niets te maken met staatspedagogiek of een keurslijf.’
 

Schotse hoogvliegers
Te veel Schotse leerlingen verlieten school zonder voldoende kwalificaties. Daarom startte de Schotse overheid in 2002 een landelijke discussie over onderwijs, met actieve inbreng van onder meer leraren, schoolleiders, ouders, leerlingen, bedrijven en onderzoekers
Deze discussie vormde de opmaat voor de ontwikkeling van een Curriculum for Excellence voor alle kinderen van 3-18 jaar. Een nationaal curriculum, maar dan niet eentje dat aan alle kanten dichtgetimmerd is. In het verleden was precies voorgeschreven welke feiten leerlingen moesten kennen. Nu is de lesstof globaler omschreven en ligt de nadruk op hoe goed en diep leerlingen leren. Hierdoor kunnen leraren de stof aanpassen aan het niveau en de capaciteiten van hun leerlingen. Ook de eindexamens zijn flexibeler geworden. Leraren kunnen kiezen uit meerdere onderwerpen en leerlingen kunnen op diverse niveaus examen doen.

Wilmad Kuiper & Jan Berkvens (red.), Balancing Curriculum Regulation and Freedom across Europe. CIDREE Yearbook 2013.

Dit artikel is eerder verschenen in Didactief maart 2014

Click here to revoke the Cookie consent