Onderzoek

Een goed model is het halve werk

Tekst Henk Blok, Sjoerd Karsten en Peter Sleegers
Gepubliceerd op 27-02-2006 Gewijzigd op 11-06-2020
Beeld HUMANTOUCHPHOTO
Praktisch alle scholen houden zich bezig met kwaliteitszorg. Regelmatig gebruikte hulpmiddelen daarbij zijn de PDCA-cyclus en het INK-managementmodel. Onderzoekers vinden deze middelen voor scholen minder geschikt. Als alternatief raden ze de regulatieve cyclus van Van Strien aan. 

Werken aan kwaliteit:

Voor kwaliteitszorg op scholen bevelen onderwijsadviseurs regelmatig de PDCA-cyclus of het INK-managementmodel (zie kader) aan als nuttig hulpmiddel. Beide modellen hebben het voordeel van de eenvoud: vier of drie stappen die in een vaste volgorde moeten worden gezet en telkens kunnen worden herhaald. Beide modellen zouden bovendien zowel in de profit- als de non-profitsector toepasbaar zijn. Maar op voorhand al mag worden gevreesd dat beide modellen scholen weinig houvast bieden. De moeilijkheid bij PDCA is de eerste stap, het bedenken en formuleren van een verbeteractie. Zonder grondige kennis van de organisatie en de resultaten is het opstellen van een verbeteractie een slag in de lucht. Die kennis wordt wel ontwikkeld in het INK-model, maar daar is de moeilijkheid weer dat een onderzoeksvraag ontbreekt. Een school kan wel haar resultaten vaststellen, maar wat te doen met een antwoord als er niet eens een vraag is geformuleerd?

Zelfevaluatie

Dat de modellen niet garant staan voor een adequate zelfevaluatie, is inmiddels ook gebleken uit het schoolevaluatieproject ‘Ziezo’. In 2004 verrichtten 27 basisscholen onder auspiciën van Q*Primair een zelfevaluatie. Deze diende een dubbel doel: schoolontwikkeling en verantwoording naar derden (met name de Inspectie van het Onderwijs). De scholen zijn verdeeld over drie regionaal opererende pilotgroepen, elk begeleid door een van de landelijke pedagogische centra. De begeleiding was voor een belangrijk deel afgestemd op de wensen van de afzonderlijke scholen. Alle scholen werden in de beginfase bezocht om het hulpaanbod te bespreken. Daarnaast was er een vast aanbod. Zo kregen alle scholen een speciaal voor het project geschreven bronnenboek, waarin het gebruik van PDCA, INK of een combinatie daarvan aanbevolen werd. Verder zijn in de loop van het jaar bijeenkomsten georganiseerd waar scholen vragen en ervaringen konden uitwisselen Het schoolzelfevaluatieproject is in sommige opzichten succesvol geweest. Aan het eind van het jaar lag er op bijna alle scholen een zelfrapportage en de scholen gaven aan dat ze er veel van geleerd hadden. Een inhoudsanalyse van de zelfrapportages door het SCOKohnstamm Instituut leidde evenwel tot een andere conclusie. Alle zelfrapportages bleken tekortkomingen te vertonen: ze bestrijken alleen deelaspecten van kwaliteit (voornamelijk tevredenheidspeilingen bij ouders en leraren), de geldigheid van de gerapporteerde uitkomsten is niet goed te beoordelen en de consistentie tussen de vier hoofdonderdelen (wat willen we weten, hoe onderzoeken we dat, wat zijn de uitkomsten, welke gevolgen verbinden we daaraan) is onvoldoende. In feite is er niet één rapportage die aan alle eisen tegemoetkomt. Als basis voor schoolverbetering of resultatenverantwoording lijken de zelfrapportages daarom beperkt bruikbaar, zo luidde de onderzoeksconclusie. De betrokken scholen en hun begeleiders herkenden deze conclusie, ook al is die teleurstellend. Hadden de onderzoekers wel de juiste criteria gehanteerd en waren ze niet te streng geweest? Terechte vragen, want met schoolzelfevaluatie bestaat nog weinig ervaring. De teleurstellende zelfrapportages zijn vermoedelijk een gevolg van de inadequate modellen voor kwaliteitszorg. In PDCA en INK vormen de keuze en de verantwoording van het onderzoeksdoel geen onderdeel van de cyclus. Dat valt terug te zien in de zelfrapportages. Scholen hebben erg weinig aandacht besteed aan het formuleren van een of meer onderzoeksdoelen voor de zelfevaluatie. Ongeveer de helft van de scholen komt niet veel verder dan de eenvoudige vaststelling dat het zelfonderzoek gericht is op de kwaliteit van het onderwijs. Welke kwaliteit of welke kwaliteiten men wil onderzoeken, blijft een open vraag. Opvallend is ook dat maar weinig scholen het onderzoeksdoel verbinden aan een analyse van de beginsituatie. Alle scholen beschikten over een min of meer recent inspectierapport. Daaraan hadden ze nuttige argumenten kunnen ontlenen om sommige kwaliteitsaspecten meer aandacht te geven dan andere. Maar dat is bijna nergens gebeurd.

Concrete acties

De zogenoemde regulatieve cyclus van Pieter van Strien lijkt voor de kwaliteitszorg op school een veel vruchtbaarder uitgangspunt. Deze cyclus is bedoeld om met gebruik van wetenschappelijke methoden praktijkproblemen op te lossen. De cyclus verloopt in vijf fasen: probleemstelling, diagnose, plan, ingreep en evaluatie. Dit is eenvoudig toe te passen op kwaliteitszorg. De school begint de cyclus met het formuleren van een vraagstelling (de probleemstelling): Wat is het probleem waar we een oplossing voor gaan zoeken? Of: Welke kwaliteitsaspecten willen we bij de kop nemen? Vervolgens voert de school een zelfevaluatie uit (de diagnose). Van belang is natuurlijk dat de school het zelfonderzoek zo inricht, dat het past bij de eerder geformuleerde probleemstelling. De conclusies uit het zelfonderzoek leiden tot een schoolverbeterplan (het plan). Bij voorkeur bevat dit plan concrete acties die bovendien aan een tijdpad gebonden zijn. De uitvoering van het plan heet bij Van Strien de ingreep. De evaluatie van het effect van de ingreep kan een zelfstandige activiteit zijn. Maar het kan tegelijkertijd de start van een nieuwe cyclus zijn met als probleemstelling ‘Heeft de ingreep het gewenste resultaat gehad?’. In dat geval valt de evaluatie samen met de diagnose. Scholen die kwaliteitszorg moeilijk vinden – en dat zijn er volgens de Inspectie heel wat – zouden zich bij hun eerste regulatieve cyclus kunnen laten begeleiden door een begeleidingsinstelling of een extern deskundige die met de cyclus bekend is. Want het onderzoek maakt óók duidelijk dat scholen passende begeleiding erg waarderen.

H. Blok, P. Sleegers, S. Karsten, Schoolzelfevaluatie in het basisonderwijs; een terugblik op de zelfevaluatiefase van Ziezo. SCO-Kohnstamm Instituut, Amsterdam 2005 

Drie modellen voor kwaliteitszorg

PDCA is het acroniem voor Plan, Do, Check, Act. Deze cyclus van vier activiteiten is een hulpmiddel om systematisch aan kwaliteitsverbetering te werken. Het principe is eenvoudig: je bedenkt een actie (‘Plan’), je voert deze uit (‘Do’), je controleert of de actie aan de verwachtingen voldoet (‘Check’) en zo nodig stel je de actie bij (‘Act’). Deze verbeteractie kan het begin vormen voor een nieuwe cyclus. Een tweede model voor kwaliteitszorg is het INK-managementmodel, genoemd naar het Instituut Nederlandse Kwaliteit dat het model ontwikkelde. Het INK-model bestaat uit twee hoofdcomponenten, de organisatie en de resultaten. Beide dienen systematisch beschreven te worden: hoe zit de organisatie in elkaar en welke resultaten worden er geboekt. Door de resultaten terug te koppelen naar de organisatie ontstaat een ‘terugkoppellus’ van verbeteren en vernieuwen. Deze drieslag wordt ook wel aangeduid als ‘jezelf de INK-spiegel voorhouden’. De regulatieve cyclus is omstreeks 1975 ontwikkeld door organisatiepsycholoog Pieter van Strien als methodiek voor handelingsgericht onderzoek. De cyclus kent vijf fasen: probleemstelling, diagnose, plan, ingreep en evaluatie. Elke evaluatie kan een nieuwe probleemstelling in zich dragen, waarmee de cirkel rond is ofwel opnieuw gaat draaien.

 

Click here to revoke the Cookie consent