Onderzoek

Allemaal digitaal?

Tekst Filip Bloem
Gepubliceerd op 01-04-2019 Gewijzigd op 01-04-2019
Beeld Shutterstock
Sociale ongelijkheid kent een nieuwe ingrediënt: kinderen van hoger opgeleiden krijgen thuis meer digitale vaardigheden mee. Zo nemen zij een voorsprong op leeftijdsgenoten met lager opgeleide ouders. Besteed daarom gerichte aandacht aan deze vaardigheden.

Welke banen staan op de tocht als robotisering echt op gang komt? Hoe kom ik aan betrouwbare informatie als grote techbedrijven de nieuwsvoorziening meer en meer bepalen? Maar ook: wie kan het allemaal zien als ik een berichtje plaats op Instagram? Allemaal vragen die raken aan de voortschrijdende digitalisering van de maatschappij en waar kinderen van nu mee te maken krijgen. Niet voor niets bepleitte de KNAW al in 2012 dat het onderwijs aandacht moet gaan besteden aan wat digitale geletterdheid is gaan heten (zie kader).
Wat is er sindsdien gebeurd? Veel, maar nog lang niet genoeg, zegt Allard Strijker van SLO, nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling. Strijker ondersteunt scholen die werk willen maken van digitale geletterdheid. Dat worden er steeds meer. Een goede ontwikkeling, maar van Strijker mag er nog wel een tandje bij. ‘Nog steeds denken we te makkelijk dat kinderen vanzelf wel hun weg vinden in de digitale wereld. Maar dat geldt echt niet voor elk kind en de ondersteuning die ze thuis krijgen, verschilt sterk.’

 

LinkedIn of vermaak

Die indruk werd onlangs bevestigd door onderzoek van Anique Scheerder van de Universiteit Twente. Ze voerde voor haar proefschrift gesprekken met 48 gezinnen over hoe zij internet gebruiken. Daarbij kwamen duidelijke verschillen tussen hoger en lager opgeleiden naar voren. De eerste groep weet meer voordeel uit internet te halen en versterkt daarmee haar toch al geprivilegieerde positie. Ze verdienen bijvoorbeeld geld met online beleggen of volgen een online cursus die mooi op hun cv staat. Scheerder: ‘Regelmatig je LinkedIn-profiel bijhouden vergroot je kansen op de banenmarkt. Het zijn vooral hoger opgeleide mensen die dat doen.’ Omgekeerd gebruiken lager opgeleide ouders internet eerder voor vermaak – denk aan Netflix – dan voor hun carrière. En ze lopen sneller tegen problemen aan omdat ze de digitale infrastructuur niet goed in hun vingers hebben. Zo wordt het lastig om huursubsidie aan te vragen als je niet begrijpt wat een DigiD is.

 

Kwestie van geld

‘Digitale ongelijkheid vergroot al bestaande verschillen uit,’ zegt Scheerder. En dat heeft ook consequenties voor de kinderen van betrokkenen. Voor Allard Strijker onderstreept het onderzoek van Scheerder nog maar eens de noodzaak van digitale geletterdheid. ‘Je kunt er als school niet van uitgaan dat ze die thuis wel oppikken.’ Strijker ziet dat leerlingen op school weleens de opdracht krijgen om een powerpointpresentatie te maken, waarbij de docent aanneemt dat ze wel weten wat dat is. ‘De een kan daarvoor prima bij zijn ouders terecht, maar in sommige gezinnen hebben die ook geen flauw idee.’
Scheerder ziet ook een verschil in hoe hoger en lager opgeleide ouders omgaan met sociale media. ‘Hoger opgeleiden zijn zich meer bewust van de risico’s en proberen hun kinderen daarin te begeleiden. Bijvoorbeeld door uit te leggen dat het aantal likes dat je op Facebook krijgt niet per se iets zegt over je vriendschappen.’

Andere verschillen hebben te maken met de inkomenspositie. Elke scholier lijkt tegenwoordig een mobieltje te hebben, maar het is volgens Strijker een misvatting dat leerlingen probleemloos online kunnen gaan. ‘Voor veel kinderen geldt dat niet en dat is vaak een kwestie van geld. Digitale apparaten verouderen snel en een goede up-to-date laptop is gewoon duur.’ Beperkte digitale bewegingsvrijheid heeft ook gevolgen voor de toegang tot kwaliteitsjournalistiek. ‘Probeer maar eens op een krakkemikkig mobieltje de website van NRC te bekijken, dat leest niet lekker. Los daarvan: de ene na de andere krant verdwijnt achter een betaalmuur.’

 

Structureel aanbod

De digitale ongelijkheid die Scheerder signaleert mag dan een reëel probleem zijn, maar is het wel de taak van het onderwijs om sociale ongelijkheid te bestrijden? Daar is discussie over, geeft Strijker toe. Maar: ‘Iedereen zal erkennen dat onderwijs een belangrijke factor is in de persoonlijke ontwikkeling van kinderen, dat het voorbereidt op studie en beroep en op deelname aan de maatschappij. Deze dimensies hebben vandaag de dag ook een digitale component. Kinderen hebben er gewoon recht op dat aangeboden te krijgen.’
Scheerder maakt een vergelijking met cultuuronderwijs: ‘Er is goed onderzoek naar de opbrengst daarvan. Als je kinderen structureel met kunst en cultuur in aanraking brengt, pikken ze daar iets van op. Ook als ze dat niet van huis uit meekrijgen.’ Scheerder verwacht daarom dat gerichte aandacht voor digitale geletterdheid ook zijn vruchten zal afwerpen.

 

Leerdoelen

Binnen Curriculum.nu legt een ontwikkelteam de laatste hand aan bouwstenen voor de leerdoelen van digitale geletterdheid. Wat Strijker betreft mag de lat hoog, ook al ziet hij dat veel scholen nog zoekende zijn. Dat is deels een financiële kwestie – een goede digitale leeromgeving en bijpassende apparatuur zijn kostbaar – maar heeft ook te maken met de digitale competenties van leraren. Zij behoren, net als ouders, veelal tot een generatie die nog niet digitaal is opgegroeid en zijn niet allemaal even goed toegerust om leerlingen wegwijs te maken in een steeds digitalere wereld.
Toch hoopt Strijker dat er bij het vaststellen van de leerdoelen niet te veel gekeken wordt naar wat scholen nu kunnen bieden. ‘Net als bij andere vakken zou het uitgangspunt moeten zijn: wat hebben kinderen nodig? En vervolgens zorgen dat scholen dit kunnen aanbieden. Want, zo blijkt ook uit het onderzoek van Anique Scheerder, anders doe je kinderen echt tekort.’

Dit is een partnerbijdrage van SLO. Anique Scheerder doet promotieonderzoek naar digitale ongelijkheid aan de Universiteit Twente.

 

Digitale geletterdheid

Digitale geletterdheid maakt deel uit van de zogeheten 21e-eeuwse vaardigheden en bestaat uit vier componenten: mediawijsheid (zoals omgaan met sociale media), informatievaardigheden (kritisch verzamelen en analyseren van informatie), computational thinking (een probleem herformuleren zodat het door een computer kan worden opgelost) en ICT-basisvaardigheden (basale kennis van de werking van computers en netwerken). Voor elk onderdeel ontwikkelde SLO leerplankaders die je als voorbeeld kunt gebruiken en leerlijnen. Ook zijn er geschikte leermiddelen in kaart gebracht.

Meer informatie: curriculumvandetoekomst.slo.nl/projecten/digitale-geletterdheid.


Dit artikel verscheen in de rubriek Onderzoek po/vo in Didactief, april 2019.

Verder lezen

1 Kompas of Google Maps?

Click here to revoke the Cookie consent