Het is vrijdag en dus raadsvergadering bij de Onderwijsraad. De hele week overleggen we met elkaar en met de raadsleden, maar tijdens de raadsvergaderingen is de regel: raadsadviseurs zwijgen. Onze input is geleverd; het gaat nu om wat de raadsleden vinden. Als je niks mag zeggen, leer je goed non-verbaal communiceren. Het is ongepast de handen ten hemel te slaan, de haren uit het hoofd te trekken, te applaudisseren of juichgebaren te maken: subtiliteit is gewenst.

Leuk dus dat we in 2 havo deze week beginnen met het thema non-verbale communicatie. Eerst een filmpje. Zowaar doet in dit lokaal het geluid het. La vita è bella. Maar het is het zevende uur. Beneden op het plein weerkaatsen geluiden van stemmen en van een voetbal tegen de muren. De zonwering doet het maar half; er schijnt te veel licht op het scherm. Dan duurt een filmpje van acht minuten lang. Te lang. Ze gaan hangen. Naar buiten kijken. Een beetje klooien. 

Na het filmpje stel ik vragen over de inhoud. 

- ‘Sascha, welke vormen van non-verbale communicatie kwamen in het filmpje voorbij?’

- ‘Ehhh, echt geen idee.’

- ‘Kun je er eentje noemen?’

- ‘Ehh, nee.’

- ‘Louis, jij?’

- ‘Ehhhh, ehhh. Hmmm. Nee?’

Het maakt niet uit welke vraag ik stel; ze hebben er geen antwoord op. Twee leerlingen zeggen wel iets, maar worden aangestoken door de lamlendigheid van de rest en doen er verder dus ook het zwijgen toe. Of er dan tenminste iemand is die weet wat non-verbale communicatie is, vraag ik, inmiddels licht geïrriteerd. Stilte. Oh, één vinger.

- ‘Eh, iets met praten?’

 

Ik loop naar het bord om een definitie op te schrijven. Maar Lars en Max zitten omgedraaid, Felicia vraagt of de zonwering dicht kan (‘Neehee!’) en Timo veegt een berg puntenslijpsel van tafel. Ik barst inmiddels van chagrijn. ‘Oké,’ zeg ik. ‘Ik ben geïrriteerd omdat jullie totaal niet opletten.’ Geen reactie. Dan maar over een andere boeg. 

- ‘Hoe kunnen jullie weten dat ik geïrriteerd ben?’

- ‘Eh, duh, u zegt dat toch net?’

- ‘Maar hoe kun je zíén dat ik baal van hoe de les gaat?’

Ja hoor, nu worden ze wakker.

- ‘Als u boos bent gaat u heel erg met uw handen wapperen!’ 

- ‘U doet dan zó met uw hoofd en u zet hele snelle kleine pasjes.’ 

- ‘U haalt dan allemaal dingen uit uw tas en dan stopt u ze er weer in.’

- ‘U schrijft dan met veel grotere letters en slordiger.’

- ‘U praat dan veel harder!’

Het is even stil. Dan draait Meike zich om: ‘Ja maar sukkel, dat is toch geen NON-VERBALE communicatie?’ 

Oké. De basis is gelegd. Volgende les verder.