Ze wonen niet allemaal in de leukste omstandigheden, mijn NT2-brugklasleerlingen. Een aantal van hen kwam als vluchteling; anderen omdat hun hoogopgeleide ouders bij een Nederlands bedrijf gingen werken. Zij hebben andere taken in hun hoofd voor onze nieuwe MP. ‘Het wordt tijd dat nu echt iets aan de klimaat gebeurt!’ Of ook: ‘Meer investeren in onderwijs. Veel mensen in Nederland zijn digibeet’. 

Ze willen zo vreselijk graag Nederlands leren, deze leerlingen. Het is een feest, deze les op het 8e uur. De motivatie is enorm en ze gaan met sprongen vooruit. Als ik ze vraag in een zin een aantal bijvoeglijk naamwoorden toe te voegen, komen ze met botanisch, extravagant, brandschoon en aartsconservatief. 

Adhvika aarzelt. ‘Mevrouw, is puik een woord? Ik heb het gelezen in een boek.’ Puik is een woord, dus wordt het ‘De aartsconservatieve puike leerling maakte de brandschone, extravagante botanische opdracht.’ Kom daar maar eens om in een gewone klas. 

Ook hun werkwoordspelling is foutloos – wel alleen die van zwakke werkwoorden. Gemiddeld zelfs beter dan van de leerlingen uit de bovenbouw. 

Ze snappen nog niet alles, maar produceren foutloos zinnen als  ‘De verbrande toast bevindt zich in de bekladde vuilnisbak’. En vinden dat nog leuk ook.

Maar dan willen ze toch nog even doorpraten over wat een nieuwe minister-president moet doen. Veiliger buurten, onderwijs, klimaat, wat staat er verder op de wensenlijst? ‘Nou,’ zegt Shyla, ‘ik vind wel dat hij iets aan het Nederlandse eten moet doen. Want dat is best…. vies’. Jaaaa, dat vindt de rest ook. Oh, wat zijn ze het ineens allemaal eens met elkaar. Welke stamppot of stroopwafel ik ook inbreng; ze zijn totaal niet onder de indruk. Heel irritant. Poffertjes dan? Nee, ook daar mag de nieuwe minister-president wel eens een speerpunt van maken. Nederlands eten is vies óf ongezond. Of allebei.

Tsss. Ik denk dat ik ze met opzet een grammaticaregel fout ga aanleren.